Midrasj over de vriendschap bij Cicero
Lieve lezer,
Ik nodig je niet zonder enige beduchtheid uit voor een zelfs voor mijn doen ietwat vreemdsoortige bedoening. Ik begin hieronder met een korte Latijnse tekst, die je vanzelfsprekend mag overslaan, tenzij je een poging wil wagen om je kennis van die prachtige taal te testen. Vervolgens krijg je natuurlijk meteen mijn werkvertaling van die tekst. Bij het lezen daarvan zal je merken dat het een zeer gedrongen tekst is, die zich ook in ons vertrouwd Nederlands nogal weerbarstig onttrekt aan het verstaan. Daarom bied ik je daarna een midrasj aan op die tekst, een soort exegetisch commentaar of tekstuitleg, zoals de vele Joodse midrasjim op de Bijbelteksten. Zo hoop ik de rijke betekenis van de tekst van Cicero voor jou meer toegankelijk te maken.
Tot slot van deze inleidende woorden wil ik nog opmerken dat Spinoza een zinsnede uit deze tekst van Cicero heeft geparafraseerd, en wel als slotzin van de Ethica, zijn hoofdwerk. Dat kan geen toeval zijn. Cf Spinoza Eth. V, Prop. XLII, Sch. Sed omnia praeclara tam difficilia, quam rara sunt.
Marcus Tullius Cicero, Laelius of De amicitia, 21, 79
Omnino omnium horum vitiorum atque incommodorum una cautio est atque una provisio, ut ne nimis cito diligere incipiant neve non dignos. 79 Digni autem sunt amicitia, quibus in ipsis inest causa, cur diligantur. Rarum genus. Et quidem omnia praeclara rara, nec quicquam difficilius quam reperire, quod sit omni ex parte in suo genere perfectum. Sed plerique neque in rebus humanis quicquam bonum norunt, nisi quod fructuosum sit, et amicos tamquam pecudes eos potissimum diligunt, ex quibus sperant se maxumum fructum esse capturos. 80 Ita pulcherrima illa et maxume naturali carent amicitia per se et propter se expetita nec ipsi sibi exemplo sunt, haec vis amicitiae et qualis et quanta sit. Ipse enim se quisque diligit, non ut aliquam a se ipse mercedem exigat caritatis suae, sed quod per se sibi quisque carus est. Quod nisi idem in amicitiam transferetur, verus amicus numquam reperietur; est enim is, qui est tamquam alter idem.
Vertaling
Al bij al is er tegen al dergelijke ondeugden en onaangenaamheden slechts een waarschuwing en een voorzorg: begin niet al te haastig te beminnen en ook niet mensen die het niet waard zijn. Die mensen zijn dan je genegenheid waard, die in zich de oorzaak dragen waarom men ze liefheeft. Een zeldzame soort! Voorwaar, al wat voortreffelijk is, is zeldzaam en niets is zo moeilijk te vinden als datgene wat op alle gebied volmaakt is in zijn soort. Maar de meeste mensen erkennen in hun omgang met de anderen helemaal niets als goed, tenzij het in hun voordeel is en zoals bij hun vee houden ze het allermeest van die vrienden, van wie ze het meeste voordeel hopen te verwerven. Daardoor missen ze de allermooiste en meest natuurlijke vriendschap, die men zoekt door haarzelf en omwille van haarzelf; en zo kunnen ze zich geen idee vormen van de kracht van dergelijke vriendschap, of hoe die is of hoe groot. Elkeen houdt immers van zichzelf, niet alsof men een of andere beloning van zichzelf zou verwachten voor zijn eigenliefde, maar omdat elkeen uiteraard zichzelf dierbaar is. En tenzij dit gevoel naar de vriendschap zelf wordt overgedragen, zal men nooit de ware vriend vinden. Dat is immers iemand die als een andere zelf is.
Midrasj over de vriendschap bij Cicero
De ervaring leert ons dat vriendschappen altijd een risico inhouden. Wat enthousiast begint, eindigt alras in wrange teleurstelling. De blijde verblinding van het oppervlakkige eerste ogenblik maakt vaak snel plaats voor de ontnuchtering van de nadere kennismaking. De kwaliteiten die we aanvankelijk menen te onderkennen blijken bij nader toezien veel minder indrukwekkend, de kleine kwaaltjes of onvolkomenheden die we eerst maar al te graag over het hoofd zagen, worden na een tijd onoverkomelijke hinderpalen. Na verloop van tijd beginnen we te verlangen naar eigenschappen die er nu eenmaal niet zijn. Kortom: wij hebben ons vergist in onze keuze en dat is een toegeving die we niet graag doen. Wij hebben tijd en energie geïnvesteerd in een vriendschap, maar het succes is uitgebleven, het is niet geworden wat we ervan verwacht hebben. Dat is vaak het begin van het einde. We zien elkaar niet meer zo vaak, de gevoelens verwateren, de aantrekkingskracht van de eerste ontmoeting heeft plaatsgemaakt voor een schuldbewust, verlegen vermijdingsgedrag.
Vandaar een waarschuwend woord: denk eraan, het kan verkeerd gaan, wees voorzichtig, vooruitziend; neem je voorzorgen, kijk uit. Een wijze raad: begin niet al te overhaast aan een vriendschappelijke relatie. Laat je niet misleiden door een opgetogen eerste indruk, door fysieke aantrekkelijkheid, aangespoord door toevallige omstandigheden of gevoed door de argeloze euforie die de drank met zich brengt. Het is belangrijk dat je jezelf meteen de vraag stelt: is het wel goed dat ik eraan begin? Is het de moeite waard? Is dit iemand die mijn vriendschap waard is? Zijn er genoeg elementen die voor mij echt belangrijk en aantrekkelijk zijn? Is er een goede basis voor een relatie die verder gaat dan de oppervlakkige kennismaking? Zijn er geen omstandigheden die dat in de weg staan of grondig verhinderen? Hebben wij voldoende gemeenschappelijke belangstellingen? Zijn onze persoonlijkheden wel compatibel? Kunnen we van elkaar leren, is er voldoende innerlijke rijkdom en gulheid aanwezig om op voort te gaan?
Ons daarover bezinnen voor we beginnen, kan de beide partners veel teleurstelling en leed besparen, ook al is het mogelijks een domper op de spontane aantrekkelijkheid zonder dewelke vriendschappen niet kunnen ontstaan. Wat is er belangrijk in een vriendschap? Dat ze rijk en diep is en bestand tegen de tijd en tegenslagen. Wie kiezen we dan bij voorkeur als vriend? Iemand die we kunnen liefhebben om wat hij of zij is, om de kwaliteiten van die persoon. Iemand van wie we kunnen houden omwille van hem- of haarzelf. Het ligt in onze aard dat we daarbij aanvankelijk nooit te veeleisend kunnen zijn: hoe meer en hoe groter de kwaliteiten die we vermoeden of ontdekken, hoe groter de spontane aantrekkelijkheid, hoe dieper we onder de indruk zijn, hoe groter ons verlangen naar toenadering en genegenheid, hoe ondraaglijker de pijn van de afwezigheid en het gemis.
Wanneer we dan ook nog beginnen aan te voelen dat onze gevoelens niet onbeantwoord blijven, dat er een wederzijdse belangstelling en welwillendheid is, dat we van elkaars aanwezigheid genieten en dat elke stap die we zetten in het ontluikende proces van kennismaking ons de bevestiging brengt van onze beste vermoedens en onze laatste knagende aarzelingen verjaagt, dan weten we dat we aan het begin staan van een geschiedenis die ons leven ingrijpend zal veranderen.
We hebben een mogelijke vriend gevonden, die zeldzame zielsverwant die we maar enkele keren in ons leven mogen hopen te ontmoeten. Want hoeveel mensen zijn er met wie het ook maar enigszins kan klikken? Elk van ons is best eigenaardig, met een stel heel persoonlijke kenmerken, eigenschappen en tekortkomingen. Dat twee mensen elkaar echt en diep aantrekkelijk vinden is op zich al behoorlijk zeldzaam. Dat ze in elkaar voldoende reden zien om ermee door te gaan, om een deel van hun leven samen door te brengen op een meer dan oppervlakkige, indringende manier, dat is waarlijk uitzonderlijk.
Voor ons mensen hier op aarde is al wat voortreffelijk is, ook uitzonderlijk. Het goud ligt niet voor onze voeten gestrooid, diamanten vallen niet uit de hemel. Een goede, stevige, gerieflijke, zuinige en aantrekkelijke woning is een schat op aarde. Een auto die ons vele jaren trouwe dienst bewijst, een vulpen die nooit lekt, een grasmaaimachine die ons nooit in de steek laat, een muziekinstallatie die het beste haalt uit de muziek, een polshorloge dat slechts enkele seconden per jaar afwijkt… Wij zoeken steeds naar datgene wat het beste is in zijn soort, al moeten we ons meestal noodgedwongen tevreden stellen met heel wat minder. Er zijn maar weinig dingen die zowel uitstekend zijn als goedkoop en gemakkelijk te vinden. Het is precies hun uitzonderlijke kwaliteit die ze zeldzaam maakt en hun zeldzaamheid die de hoge prijs bepaalt die we ervoor moeten betalen. De perfectie is niet van deze wereld, zeggen we, maar we streven haar wel voortdurend na, tot op ongekende en zelfs absurde hoogten. Er zijn luxewagens die op alle gebied de hoogste toppen scheren; er zijn mensen die ze ontwerpen en bouwen en er zijn altijd mensen die de enorme, ja obscene bedragen willen neertellen die hun onmiskenbaar uitzonderlijke kwaliteit vereist.
Wij noemen iets goed, wanneer het zijn functie optimaal vervult en wanneer het op alle gebied het beste is in zijn soort. Dat is onze maatstaf.
In onze omgang met mensen is het dan weer vaak zo dat wij iemand ‘goed’ noemen, wanneer wij enig nut of voordeel kunnen halen uit onze omgang met die persoon. Je kent iemand die je vrijkaarten kan bezorgen voor een concert, of je kan binnenloodsen in de Viplounge; je weet een garage waar je een stevige korting krijgt als je een nieuwe wagen koopt of nieuwe banden; een kennis kan je dochter aan een baan helpen; een andere heeft een chalet in het zuiden waar je enkele weken kan verblijven; je buurman heeft een grote moestuin en deelt graag van zijn overvloed; je collega neemt je elke dag een eind mee in zijn wagen op weg naar het werk; je baas steunt je in een conflict. We zijn van nature geneigd om die mensen het hoogst te schatten die ons de meeste of de beste diensten kunnen bewijzen. Niet dat daar noodzakelijkerwijze veel berekening bij te pas komt van de ene of de andere kant. Je kan nu eenmaal niet anders dan dankbaar zijn voor wat je toevalt en de mensen die je een plezier doen, zie je nu eenmaal liever dan anderen die dat nalaten.
Maar ziet een boer ook zijn beste melkkoe niet het liefst? En is dat niet normaal, is er daarmee iets verkeerd?
Mensen zijn geen dieren en vrienden behandelen we niet als vee. Een boer ziet zijn vetste slachtdier het liefst, hij is trots op zijn meest succesvolle fokstier, omdat zij optimaal zijn in hun soort en hem bovendien het grootste materieel voordeel brengen en dat is best goed. Maar als we zo met onze medemensen omgaan, als dat de basis is van onze vriendschap, dan missen we iets essentieels. Echte, diepmenselijke vriendschap heeft niets te maken met berekening, met materieel of zelfs emotioneel voordeel. Zolang we ons op dat standpunt plaatsen, missen we de essentie en de diepgang van de ware vriendschap. Die streven we na omwille van haarzelf, niet omwille van het profijt. En de enige manier om dat te doen is de vriendschap zelf. Want vriendschap kan je niet kopen, die wordt vrij gegeven en gekregen, ongevraagd en onvoorwaardelijk, belangeloos en zonder verlies noch gewin. Wie dat niet inziet, heeft geen besef van wat vriendschap is, tot wat ze in staat is, hoe ver vriendschap kan gaan, hoe diep ze kan reiken, hoe fel ze kan raken.
Alles begint hiermee, dat wij in de eerste plaats voor onszelf zorgen. Wie zichzelf niet liefheeft, is niet in staat om iemand anders lief te hebben. Wij kunnen maar om anderen geven omdat ons eigen overleven en ons eigen welzijn voor ons van levensbelang zijn. Dat is onze natuur, zo zijn we nu eenmaal, zo heeft de natuur ons gemaakt, zo zijn we geëvolueerd. De eigenliefde, in de beste betekenis van het woord, staat in onze genen geschreven. Het moet al goed fout gaan eer we die fundamentele menselijke wet kunnen overtreden.
Maar de liefde voor onszelf is niet zoals de voorliefde die we hebben voor de mensen uit onze omgeving die ons de meeste of de grootste diensten bewijzen. We beminnen onszelf niet omdat we er een voordeel zouden kunnen uit putten, of omdat we verwachten dat we voor onze eigenliefde zullen beloond worden, zoals we voordeel halen uit onze welwillende omgang met de anderen en niet ten onrechte rekenen op een vergoeding, een beloning of een wederdienstvoor wat we voor anderen doen. De eigenliefde heeft dat allemaal niet nodig, ze is onvoorwaardelijk en absoluut: wij mensen kunnen niet anders dan in de eerste plaats en tot het uiterste begaan zijn om ons eigen lijfsbehoud.
Die basisinstelling van de mens, die zijn persoonlijke instandhouding moet garanderen zonder dewelke niets mogelijk of zinvol is, is echter ook de mogelijkheidsvoorwaarde voor de vriendschap. Zoals onze eigenliefde onvoorwaardelijke en absoluut is, zo moet ook onze vriendschap zijn, zonder berekening, spontaan, zonder nadenken, zonder enige reserve of terughoudendheid, zonder aarzeling of twijfel, volkomen natuurlijk. Wie daartoe niet in staat is, kan geen ware vriend vinden, kan geen echte vriend zijn. Wie zijn vrienden niet kan liefhebben zoals hij zijn eigen leven liefheeft, zal nooit echt dierbare vrienden hebben. Want een ware vriend is als een alter ego, een tweede ik.
Een alter ego is echter geen kopie van jezelf. Wie in de spiegel of in het water kijkt en zijn eigen reflecterend evenbeeld liefheeft, die is door narcistische eigenwaan verteerd en zal zichzelf verliezen waar hij zichzelf tevergeefs zoekt. De echte vriend is geen kopie van jezelf, maar een eigen, zelfstandige oorspronkelijke persoonlijkheid met een onvermoede rijkdom aan eigenschappen die je misschien pas na een leven lang samenzijn ontdekt. Het is een alter idem, twee woorden die elkaar lijken uit te sluiten, elkaar tegenspreken, een oxymoron, want alter betekent ‘anders, de andere’ en idem betekent vanzelfsprekend ‘het of dezelfde’. De andere is echter als vriend niet iemand die dezelfde is als ik, die identiek is met mij, maar iemand die zoals ik op zijn beurt een ik is, iemand die in alles en zonder enige uitzondering volledig mijn gelijke is. Het is precies dat wat het mogelijk maakt dat ik die andere, die gelijke, kan liefhebben zoals ik mezelf liefheb, omdat hij een andere zelfde is als ik.
De echte vriendschap, de echte liefde bestaat hierin, dat we de andere liefhebben zoals wij onszelf liefhebben omwille van wie die andere zelf is.





_-_De_volkstelling_te_Bethlehem_(1610)_-_KMSK_Brussel_25-02-2011_12-17-45.jpg)









