Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
De St- Martinuskerk voor de verbouwing 1903
DE SINT MARTINUSKERK.TESSENDERLO.
Over het allerprilste begin van de kerk weten we eingenlijk weinig. Waarschijnlijk werd ze opgericht door een leek- grondbezitter, een Karolingische of na Karolingische heer of gouwgraaf en voozaat van de graven van Loon, dit ten behoefte van zijn lijfeigenen en horigen. De eerste kerk werd ingeplant waar nu de Gotische kerk staat.
In 1135 begiftigde Arnold II , graaf van van Loon, de abdij van Averbode met tal van zijn gronden en tienden. De kerk is dus ouder dan 1135, aangezien ze toen al bestond, en belangrijk genoeg was op vermeld te worden in een grafelijke akte.
Van de Romaanse kerk uit de begintijd weten we dat ze omstreeks 1400, naast het hoogaltaar nog drie andere altaren had, respectievelijk toegewijd aan Onze Lieve Vrouw, St Catharina en St Niklaas.
De oude doopvont, in blauwe hardsteen, vermoedelijk uit de XII e eeuw, is nog steeds in gebruik.
Hoekkop.Fragment van de doopvont, in blauwe hardsteen, vermoedelijk uit de XII e eeuw.
Fotoarchief; LAD.
DE HEILIGE ST. MARTINUS patroonheilige van Tessenderlo.2
Hij verliet het hem toegewezen bisschoppelijk paleis en betrok met enkele monniken enige armzalige houten hutten buiten de stadspoort. Hieruit ontwikkelde zich later de abdij van Marmoutier, die een middelpunt werd van ascetisch en cultureel leven. Gedurende de 30 volgende jaren bestuurde Martinus zijn bisdom met rechtvaardigheid en grote geesteskracht.
Zijn missionaire reizen voerden Martinus door heel zijn diocees en overal was hij erg bekommerd over de wantoestanden en de tuchteloosheid van de clerus. Hij verwierf de liefde en de achting van het volk en bijzonder van de armen. Hij richte als eerste landelijke parochies op en was befaamd als biechtvader en weldoener. Op één van zijn reizen, op 4 November 397 ( ongeveer 80 jaar oud )stierf Martinus in Candes, een dorpje zuidwestelijk van Tours. De overbrenging naarTours, van de Bischop der armen, lokte een reusachtige mensenmassa. Zijn begrafenis te Tours op 11 November werd een triomftoch en zijn graf werd een waar bedevaartsoord.
Martinus was de eerste niet- martelaar die als heilige werd aangezien. Daarbij was hij nog een zeer populaire heilige wiens verering zich weldra over heel West- Europa verspreide.
Louis Alaerts.
Bijgaande foto.
Graf van St. Martinus (Tours)
FOTOARCHIEF; Julien Hermans.
DE HEILIGE MARTINUS, patroonheilige van Tessenderlo.
Als we over de Heilige Martinus spreken, moeten we rekening houden met het feit dat er meer dan één Martinusfiguur is. Zo kennen we de Heilige Martinus van Porres ( Peru) De Heilge Martinus 1 ( paus 649-- 655 )De Heilige Martinus van Tongeren, de Heilige Martinus Braga ( bisschop 515-- 580) en de Heilige Martinus van Tours. Wanneer we het hebben over Martinus, de patroonheilige van Tessenderlo, hebben we het in feite over de Heilige Martinus van Tours..
Levensloop van Martinus van Tours.
Martinus van Tours was de zoon van Romeinse ouders. Hij werd geboren ca. 315 te Sabaria in Pannonië, het huidige Szombathely in Hongarije. Zijn vader, een Romeins tribuun, had zich daar gevestigd na zijn pensionering uit het leger.
De vader van Martinus, die niets anders had gekend dan het soldatenleven, zorgde ervoor dat zijn zoon reeds op vijftienjarige leeftijd dienst nam bij het Romeinse leger in Gallië. Alhoewel hij niet van ganser harte, vervulde Martinus toch trouw en moedig zijn soldatenplicht en werd hij vlug tot officier bevorderd. Uit die tijd dateerd ook het " MANTELWONDER" dat hem voor eeuwig beroemd zou maken. Toen Martinus 18 jaar ous was, liet hij zich dopen. Kort daarop nam hij ontslag uit de militaire dienst omdat hij meende dat christendom en krijgsdienst niet met mekaar verenigbaar waren. Hij ging dan naar Potiers om daar bij Hilarius, de latere bisschop van Potiers meer over het christendom te leren. Hilarius werd zijn leeraar en voorbeeld.
Martinus raakte ook meer en meer bezeten van de idee missionaris te worden en in eigenstreek het heiligdom en het Arianisme tn bestrijden. Hij ging terug naar Pannonië en bekeerde daar als eerste zijn moeder. Daarmee was het liedje echter, want woedende Arianische bisschoppen verdreven hem uit het land. Ontgoocheld trok Martinus zich terug op het eiland Gallinara aan de Italiaanse rivièra. Hier leefde hij gedurende enkele jaren als kluizenaar. In 360 riep Hilarius, die sinds 356 bisschop van Potiers was, hem terug en wijdde hem tot priester. Een jaar later stichte Martinus een eerste klooster in Gallië. Spoedig kreeg hij een groot aanal volgelingen. Martinu werd abt van zijn klooster en kreeg een grote bekendheid in het hele land. Hij was zo geliefd dat het volk en de clerus hem rond 371 verkozen als nieuwe bisschop van Tours, een diocees ten noorden van Potiers. Ook in dit hoge ambt bleef Martinus erg bescheiden en leefde hij zeer ascetisch.
Uit het boek " DE LOOISE MARKT " overgenomen.
Loois Archief- en documentatiecentrum vzw.
TOVERIJ.
DINGEN FLARIJE, een zielig vrouwtje, dat blijkbaar een ' kwint kwijt is", kijkt even doorheen een openstaande staldeur, en 's anderendaags stuikt het paard ineen........
Wat is er meer nodig om verdacht te worden van geheime praktijk en omgang met de baarlijke duivel??Heyn Cornelis, de eigenaar van het paard dient een klacht in bij de schepenbank. Getuigen ten laste; "HUN IS KUNDICH ENDE KENNELYK DAT DINGEN EENE QUADE FAEME VAN TOOVERYE GEHADT HEEFT " Ten onlaste; Abelaert getuigt op 3 juli 1517; wie bij Dingen om raad ging bekende " DAT HET HOM DEUGD GEDAEN HADDE EN DE ANDERE DAT DINGEN ALTIJT IN GOEDE NAME ENDE FAEME GESTAEN HEEFT.
Een netelige kwestie voor scout Merten Loyen en zijn schepenen. Door Vliermaal wordt het vonnis geveld. Met drie brandende kaarsen in de hand moet ze ter kerke gaan, een kaars dient geofferd voor het H. Sacrament, een tweede voor O.L.V., en een derde voor Sint Martinus. Bovendien moet zij op "beeweg" naar Rome of naar Sint Jacob in Galicië
Averbode; groot grondbezitter te Tessenderlo
Het nieuwe convent staat van bij de aanvang zeer in de gunst. In 1160 wordt het domein Gorth, in 1178 Voroth eigendom van de abdij. Op 25 December 1200 schenkt Arnoldus, Heer van Diest, 7 1/2 mansus of hoeve aan de abdij.( plus-minus 100 buder) vermoedelijk leeg liggende gronden die Arnold in Tessenderlo bezat en die hij wil te nutte maken door een overdracht aan Averbode. In ruil daarvoor vraagt hij 26 stuivers 's jaars.
Op 30 Maart 1284 schenkt Lambertus de Busco een stuk Looise grond, Belot geheten, groote onbepaald,aan de abdij, en een half bunder land nabij de wijngaard gelegen. Op Januari 1290 staat de abdij 3 morgen grond af aan Walter van Ginderneder voor 10 stuivers Leuven 's jaars. Nog krijgt Walter van Ginderneder 5 1/2 bunder grond en 2 bunder weide in Hulst gelegen voor 37 schellingen Leuvense munt en 3 mud koren 's jaars. Op Maandag na St- Barnabas 1301 schenkt Beatrix van Vorst, begijn, een bunder land geheten ' DE HEZEN" aan Averbode. Ze kocht dit goed destijds van ridder Arnold van Halbeke. Clarrisia, huisvrouw van schildknaap Gerardus van Versen, doet op 30 Augustus 1329 afstand van " HOUT EN TAKKEN " van 3 bunder land te Engsbergen tot afbetaling van haar schulden. En zo, langzaam maar zeker, wordt Averbode grootgrondbezitter in Tessenderlo.
Had Averbode zijn profijten van Tessenderlo waarop het in de aanvang bijna uitsluitend teerde, dan had Tessenderlo ook zijn voordeel; de prelaat benoemde de pastoor die instond voor het geestelijk welzijn van de parochie: celebreren van de goddelijke diensten, toedienen van de H. Sacramenten, catechisatie van de jeugd... Ons dorp had zijn deel in de vlammende ijver der eerste Norbertijnen. Zelfs op stoffelijk plan was er waarschijnlijk invloed ten goede; wijze van beakkering, nieuwe teelten enz., enz...
De Merovingische en Karolingische tijd.
Eburonen in Tessenderlo, daarna de Toxandri die na het midden van de III e eeuw de streek hebben verlaten en dan de Franken die van 388 af tot 446 inval op inval beproefden in onze contrijnen, telkens weer tevergeefs. Pas in 454 na de dood van de Romeinse veldheer Aëtius kregen ze hier vaste voet.
De landsname van de Ripuaarfranken strekte zich uit over de landen tussen Rijn en Maas, Limburgs en Luiks Haspengouw en, ten Noorden, aan de Peelmoerassen in Brabant, leunen zij aan bij de Saalfranken. Deze laatste namen bezit van de valleien van Demer en Dijle, van Zenne, Schelde en Leie. Hun nederzetting reikte tot aan Kolenwoud.
Gildeleven.
GILDE VAN DEN EDELEN ROER SINT BARBARA.
De deken van de " gul " was belast met alle besruurszaken. Hij regelde bovendien de " schietingen ", riep de confreers samen, zat de vergaderingen voor, beboette de overtredingen van " de kaerte " of reglement, in de boetegelden en gaf rekening bij zijn aftreden. Het bestuur werd van jaar tot jaar vernieuwd, meestal omstreeks H. Sacramentsdag.
Koning was hij die de vogel schoot, de koning " die de leste reyse den vogel hadt geschoten" was deken. Bovendien werden twee raadsleden of gezworenen gekozen onder de confreers. Zij beheeste de gildegelden en panden. In 1667 heet het " den 30 mey, is op den ordinairen schietdag koninck geweest GEERT VRANCKEN, ende sijn gesworenen gekozen ADRIAEN REYNDERS endecJAN BROECKMANS, ende hebben alsdan HENDRICK van BALENE ende FRANS AERTS overgetelt ende overgelaten in die cassa ontrend 14 gl."
't Jaar daarop is HENDRIK AERTNEYS. koning; zijn gezworenen zijn Sebastiaan Rutten en Merten Goris. Geert Vrancken is vanzelfsprekend deken.
Breuk van de Sint- Barbaragilde.
J. Renders, Tessenderlo.
Zegel van St- Martinuskerk..
Na de beroerde jaren einde XVI e eeuw werden de kerkrekeningen nauwkeuriger nagezien dan voorheen. De kerkmeester nam hiertoe gewoonlijk de secretaris in de arm.
In 1596, 1597, 1598, echter belaste Jan Paulin " notaris en schultetus de Tessenderlo", zich met die karwei. Aanvang XVII e eeuw belast de pastoor zich daarmee; zijn schrijversloon bedroeg 20 stuivers in 1600; 30 stuivers in 1604 ; 20 in 1618.
Zegel van het cijnshof van Averbode in Tessenderlo.
Averbode hield er een eigen zegel op na voor zijn cijnshof in Tessenderlo; een streng- lineaire voorstelling van St- Jan De Doper afgebeeld ten voeten uit, in de armen een lam dragend op borst hoogte. De figuur staat opgesteld voor een stuntelig
" metselrye " Het randschrift draagt " HOF VAN LATEN VAN AVERBODE TOT TESSENDERLOE.
Garth- Oorkonde.
Koenraad van Dalehem bezat een "mansus of hoeve " genoemd Garyh ( later Gerhagen ) te Tessenderlo als allodium of eigengoed d.i. vrij van om het even welke verplichting. Zulke " mansus " was doorgaans 10 à 12 bunder groot, ruim voldoende om in de behoeften van een gezin te voorzien. Dit was de gebruikelijke uitgestrektheid van een hoeve als landbouweenheid. Garth is vrij van cijns en militaire diest ten opzichte van Graaf Van Loon. Koenraad heeft Garth in leen gegeven aan Theodorus van Brusthem, ridder. Deze laatste krijgt de " mansus " in vruchtgebruik of leen doch staat, als krijgsman in dienst van zijn " leenheer " Koenraad van Dalehem, d.w.z. in principe is hij buiten de verheffingsrechten nog een of andere dienst van militaire aard verschuldigd, dienst die hij desnoods op de pachter kan afwentelen en die later geheel zal vervallen. Theodorus, in beslag genomen door militaire verrichtingen, draagd de " mansus " over aan Robertus.
Zegel van de schepenbank.
Hogere justitie en creminale rechtspraak waren de heer van de plaats, hier de graaf, voorbehouden. De instantie waardoor hij de jurisdictie uitoefende was de schepenbank bestaande uit een schout en zeven schepenen.
De Looise schout wordt voor het eerst genoemd in 1263. En wie schout zegt, zegt schepenbank.
In Augustus 1294 worden de Looiseschepenen, zes van de zeven althans genoemd, Het zijn HENDRICUS DE MEIER--
STESSEN VAN RODE-- GOSSE-- GERUNGEN VAN SCONE HESE-- HENDRICUS PORTERE--en JOHANNES FABER.
Pastoorszegel 1293.
Nog wordt dezefde Robertus genoemd in de oorkonde van Augustus 1294. die handelt over Arnold van Ae, stuk waar hij eens te meer zijn zegel aanhecht samen met zijn colega's uit Testelt en Blerik. Godefridus is nog steeds kapelaan. Het zegeltje in kwestie stelt op ovale grond een visje ( ? ) voor. Het randschrift " INVENTITUS DE LOE "
Nog een foto binnen in de Oude Molen.
Foto genomen binnen in de Oude Molen voor de vernieuwing.
Voor dat de werken zouden beginnen had ik graag nog een reeks gemaakt van het binnen-werk. Ik had bij de verantwoordelijke de sleutel gekregen, en ik kon beginnen.
Tussen de spinnenwebben door had ik wel een mooi reekske bijeen gekregen, spijtig genoeg heb ik momenteel alleen maar deze twee.
De Oude Molen, jaren 1989, dus voor de vernieuwing.
Nog een ouder foto van de Oude Molen (jaren 30- 40 ?)
Onderstaande foto heb ik afgefotografeerd van een bruine postkaart in zwart- wit, daarna ingekleurd.






