Naar de inhoud

't front 1940

seniorennet.beseniorennet.be

Archief

18e Linie Regiment 6

II - Aan het Albertkanaal te Kwaadmechelen

 

Kolonel SBH DUEZ geeft nu een algemeen zicht op de sector toegewezen aan het 18° Linie Regiment, de werken die zij er uitvoeren en de verdedigingsmogelijkheden van zijn sector.

Hij vervolgt :

De aankomst aan het Albertkanaal was een gebeurtenis : allen waren nieuwsgierig die veelbesproken vaart te zien, welke als hindernis tegen een eventuele aanval moest dienen.

In het westelijke gedeelte van de Regimentsondersector lopen de kanaaloevers gelijk met de aanpalende grond, terwijl ze in het oostelijke gedeelte merkelijk hoger reiken. Anderdeels ligt een uiterst gewichtig kunstwerk, de sluis van Kwaadmechelen, in het oostelijke gedeelte. De baan kruist het kanaal aan de sluis, waarvan zij de brug bereikt door middel van twee belangrijke opritten.

                De dijken bestaan uit ontzaglijke massa’s aangebracht zand waarin niet mag worden gegraven en die het naburig moerassige terrein overheersen.

Betonschuilplaatsen bieden mogelijkheid vuur af te geven ter hoogte van het watervlak. Om meester te zijn over het kanaal, moet men de dijken in zijn macht hebben en zich bijgevolg ongedekt opstellen, wat, zich onvermijdelijk blootgeven is aan de luchtwaarneming. Daar het terrein benoorden het kanaal anderdeels plat is, schijnt het voor de hand te liggen dat de aanval noodzakelijk zou gesteund worden door het vliegwezen dat zijn infanterie veel dichterbij kan beschermen dan de artillerie, die wegens de verspreiding van de schoten een betrekkelijk diepe veiligheidszone vereist. Daaruit volgt noodzakelijkheid “den eersten echelon”, die zich over 3500 meter ontwikkelt, van een voldoende bezetting te voorzien en een sterk verdedigden “tweeden echelon” te hebben, die beter kan worden gecamoufleerd. Bovendien blijft de baan, zelfs de vernielde brug, een aanvoerweg. De verweermiddelen moeten er dus in de diepte worden geëchelonneerd.

                Om zich tegen een inval te vrijwaren, bevindt zich het peloton Verkenners zich op de voorposten te Gestel, en terwijl er ten Oosten van de brugoprit een stuk land onder water wordt gezet, leggen wij ten Westen, met behulp van boomstammen, een tankhindernis aan. Een met mitrailleuses versterkt peloton vormt het bruggenhoofd en verdedigt door het vuur de tankhindernis en het blanke gebied (naderhand werd de hindernis nog versterkt door een mijnenveld).

                De zuidelijke invalswegen van de sluis worden door een convergerend vuur van drie pelotons bestreken. Achterwaarts, in «den tweeden bataljonsechelon» wordt de omgeving van het belangrijke kruispunt Genendijk tot een antitankcentrum ingericht. De compagnie die het verdedigt, ontvangt vier kanonnen 47 en vier secties Mi tot versterking.

                De actie van al de automatische wapens wordt samengeordend voor het verweer tegen laag trekkende vliegtuigen, terwijl de wederzijdse steun van de echelons verzekerd is.

                Nu de verdeling van de middelen door de commandant van de divisie goedgekeurd is, wordt het werk aangevat.

                Ieder bataljon is gestadig in zijn kwartier en zal de stelling verdedigen die het heeft ingericht.

                De commandoposten, de kanonnen 47 en de mitrailleuses zullen in bombardementsschuilplaatsen worden ondergebracht, de mitrailleurgeweren op de dijk zullen tegen de waarneming en de uitwerking van de lichte wapens worden beschermd. Het werk wordt onverdroten voortgezet : het is een zware taak omdat de lage grond noodzaakt boven het grondpeil aan te hogen, wat een ontzaglijk volume grondwerk betekent.

 

                Allen herinneren zich de inrichting van de arbeidsplaatsen : op het bruggenhoofd, ten Oosten, de versteviging van de dijk en de onderwaterzetting; ten Westen, de antitankhindernis. Om de boomstammen van 0,35 tot 0,50 m doorsnede te verleggen, werd hulp gevraagd en bekomen van de tractors der artillerie. Na enige dagen moesten de tractors echter terug : het materieel diende gespaard. De geestdrift en de armen onzer infanteristen volbrengen dan maar alleen het werk dat voor de tractors te aanzienlijk was.

 

Op de stelling : gevechtsplaatsen en verbindingsloopgraven duiken allengskens op. Er komen hoe langer hoe meer kunstmatige hindernissen en de permanente schuilplaatsen worden letterlijk met prikdraad omgeven en overdekt : ze zijn ongenaakbaar. Voor ieder kanon van 47 is een wachtschuilplaats en verschillende schietstellingen voorzien : de vlam van ’t schot is te lichtend dan dat er aan kan gedacht de stelling te camoufleren. Er dient bij verrassing gehandeld en dadelijk van plaats veranderd. De batterij van 7/6, in een laaggelegen terrein, kwijt zich aan een zware taak en brengt, na grote inspanning, modelstellingen tot stand.

Met het vellen, zagen en vervoeren van de boomstammen alsook het bouwen van de schuilplaatsen worden gespecialiseerde ploegen belast.

 

                Het regiment blijft van oktober tot einde maart in de sector. De inrichting van de stelling is niet zijn enige taak : het trekt de wacht op, houdt tactische oefeningen, beoefent de sport, vormt een muziekkapel, richt talrijke cursussen en feesten in. Deze veelvuldige bedrijvigheid kost zowel het kader als de troep geweldig veel moeite, en een vreselijk barre winter voert de spanning ten top.

Geschreven door DP om 00:00

18e Linie Regiment 7

De winter van 1939 naar 1940 moet wel vreselijk geweest zijn voor onze soldaten aan het Albertkanaal.

 

                Beu gewacht op barakken, bouwde het regiment zelf stallen en bergplaatsen, zo niet waren paarden en wagens, bij het eerste vriesweer, verloren.

                Er valt te kampen om de barakken één voor één te krijgen, terwijl er in ’t begin van de winter nochtans vele manschappen onderdak vinden in schuren :

20 % in het I° en het IV° Bon;

50 % in het II°;

60 % in het III°.

 

In sommige schuren dringt een ijzige wind door de wanden. In ginds kantonnement, is men er bij 20° onder nul slechter aan toe dan op wacht aan ’t kanaal omdat er in de wachtpost een brasero staat en men tussen twee wachten in geen gevaar loopt te ontwaken met bevroren voeten.

De gezondheidstoestand blijft goed, beter dan in garnizoen, dank zij het leven in open lucht en het overvloedige voedsel dat de eenheden op ’t ogenblik van de grote koude, nog verbeteren door verdeling van spek, ’s ochtends, en van warme drank, ’s avonds.

                Op ’t einde van de winter boezemen de stevige inrichtingen van de Ondersector vertrouwen in. Maar de maanden in Gestel, te Genedijk of in de schuren te Klein-Vost en Tessenderloo zijn, ondanks het goede onthaal van de bevolking en de moeite om het “soldatenuurtje” in te richten, langdurig voorgekomen en velen wensen te veranderen van sector.

Te Leuven hadden we slechts lichte inrichtingen nagelaten. Hier, integendeel, verlaten we stevige inrichtingen die onder uiterst pijnlijke omstandigheden werden gebouwd.

 

Wat zal een verandering van sector ons aanbrengen ?

 

De machten die elkaar in ’t Westen waarnemen, zullen weldra handgemeen worden : de staten behouden zulke mensenmassa’s slechts onder de wapens om een beslissing door geweld af te dwingen. Daar een aanval door de linie Maginot te duur zou kosten, moeten we er ons aan verwachten dat ons land tot slagveld zal dienen. Dit is nochtans de mening van de meeste Belgen niet. De neutraliteitspolitiek, aangekleefd uit vrees en ook met de hoop ’s lands grondgebied andermaal aan een verwoesting te onttrekken, heeft de openbare mening in slaap gewiegd. Deze mening oordeelt dat hoe meer tijd er verloopt, hoe groter de kansen we hebben aan de oorlog te ontsnappen.

 

Men had dus niets geleerd uit de ervaring van 1914, wat ook blijkt uit zijn hieronder volgende uiteenzetting. Niet alles wat volgt heeft direct iets met de mobilisatie te maken, maar ik vind persoonlijk dat zijn beschouwingen zeer zinvol zijn en waard zijn hier volledig weer te geven.

 

De lange mobilisatieperiode drukt zwaar. Een gedeelte der opinie komt er zelfs toe, de mobilisatie als nutteloos te beschouwen. De gemobiliseerden klagen : velen lijden zware stoffelijke verliezen. De geringe soldij en de landbouwverloven geven bovendien aanleiding tot misnoegdheid. Maar door den band blijft de geest van de troep bevredigend, want ondanks de voortdurende wijzigingen aan het stelsel der permissies behoudt het gezonde verstand de bovenhand : het gevaar is klaarblijkend. De alarmtoestand in november en januari is in de geest der bedachtzaamsten geprent gebleven. Overal waar men is, dient men op zijn hoede te zijn en zich in te richten, op gevaar af de mobilisatie-inspanning te ontzenuwen. De noodzakelijkheid van het inrichten, het is te zeggen de handeling die er toe strekt door allerlei uit te voeren werken de waarde van de bezette positie te verhogen is des te gebiedender daar de aanvaller in het begin de overmacht van de middelen zal hebben, vermits hij zijn aanvalspunt kiest en dus dáár zijn geweldigste middelen kan samentrekken.

 

In dat opzicht is de neutraliteit een verzwakking, want de hoop die ze onderhoudt, niet meegesleept te worden in een conflict, spoort er toe aan niet al de gepaste voorzorgen te nemen. Zij die ze nemen “overdrijven” wordt er gezegd. Barst evenwel een aanval los, dan breekt hij door, en zij die de nodige voorzorgen hadden moeten nemen, worden als kortzichtig bestempeld en dragen de verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen. Diengaande is de oorlog van 1914-18 rijk aan lessen. Herinneren we aan het gemis van defensieve inrichtingen in 1916 te Verdun, welke streek te machtig georganiseerd werd geacht om een aanvalstoneel te worden. Kort voor de aanval nog, bestonden er plans in groten getale, maar weinig werken. Daar men, bij defensief, altijd middelen tekort komt, worden deze bezuinigd ten nadele van de sterk geoordeelde stellingsdelen, ten einde zwakke posities te verstevigen. Deze strekking de waarde van de stellingen gelijk te schakelen, vergroot nog de bezwaren van de zogenaamde opstelling “en cordon” en is een troef in ’t spel van de aanvaller. Wanneer deze een front doorbreekt dat de naam heeft machtig te zijn, baart hij de verrassing, die in een oorlog fundamenteel is.
Geschreven door DP om 00:00

18e Linie Regiment 8

Tegelijkertijd heef hij krachtig vat op het moreel van de verdediger. Wordt het een verplichting zeer uitgestrekte fronten te bezetten, dan dient er in berust op de minst belangrijke punten zwak te zijn, ten einde reserves voorhanden te hebben, die naar de aanvalspunten kunnen gezonden. Noodzakelijkerwijs volgt daaruit een eventuele afstanddoening van terrein op die punten, doch de gebeurtenissen in de lente en zomer van 1918 bewezen dat het stelsel doeltreffend is om de aanval te stuiten. De troepen in linie waren degelijk bewapend en beschikten over depots levensmiddelen en munitie evenals over een goede uitrusting van het slagveld.

Ze waren in de strijd verhard. Toch werden ze overrompeld, omdat ze uitgerekt waren. Hun weerstand vertraagde echter de vijandelijke opmars en verschafte de nodige tijd om belangrijke reserves aan te voeren en de vijandelijke vooruitgang te beperken.

Op grond van die les wisten we dus welk het allerminste was waaraan we ons moesten verwachten, en, gelet op de ontwikkeling sinds 1918 van de motorisering en het vliegwezen, was het wel werkelijk een minimum.

De ervaring toonde ook aan dat een bijvulling van krachtsmiddelen diende nagestreefd door de inrichting van het terrein, wat een groot verbruik aan kostbare materialen betekent. De chef, die tot plicht heeft zijn troep in de beste condities het gevecht te zien aanbinden, kan de factor kosten niet in overweging brengen.

 

Maar wordt er altijd naar hem geluisterd ?

 

Wie is er dan verantwoordelijk voor de misrekeningen?

 

Te recht werd gezegd dat een stelling, hoe stevig ze ook zij, als waarde slechts die van haar verdedigers heeft. Deze waarde hangt af van vele elementen : inrichting, bewapening, opleiding, morele macht. De eerste twee werden vroeger onderzocht (de mobilisatie). De opleiding was niet verwaarloosd geworden. In een geteisterde wijk werden de gevechtsoefeningen gehouden en de volledige cyclus er van was doorlopen. Maar het schieten was niet voldoende beoefend.

Behoudens een periode om te vuren met het kanon 47, met de Mi tegen laagtrekkende vliegtuigen en om de werking van de automatische wapens na te gaan, was er, ondanks herhaald aandringen, geen onderricht in het schieten gegeven. Zo werden, bij voorbeeld, geen schietoefeningen met de mortier 7,6 A, met het geweer of met het pistool gehouden.

Gelet op het getal gemobiliseerde manschappen was het munitieverbruik dat diende voorzien, misschien niet verenigbaar met de bestaande voorraden en de beschikbare schietinstallaties.

Het was een jammerlijke leemte.

Schietoefeningen zijn van hoog belang voor de soldaat te voet. Hij moet voldoende kunnen schieten om een knappe schutter te worden en vertrouwen in zijn wapens te verwerven. Om stevig in ’t gevecht te staan, moet de infanterist ervaren zijn in het schieten en granaatslingeren. Is zij het niet, dan verzwakt haar moreel, naarmate de tegenstander veld wint.

 

Onze munitieverdeling in vredestijd was al onvoldoende om zelfbewuste schutters te vormen. Het jaarlijkse verbruik aan patronen stemde overeen met de voorraad die in de loop van het jaar moest worden afgekeurd wegens transformatie van het buskruit.

Deze bedeling was merkelijk geringer dan die in de naburige landen, bovendien was en groot gedeelte onzer schietinstallaties ver van modern. Het onderricht in het schieten en in het gevecht op korte afstand was onvoldoende. Het slingeren met scherpe granaten was in vredestijd afgeschaft geworden wegens de ongevallen .

 

De aflossing – April 1940

 

Tegenover het Zuiden, in April 1940.

Einde maart, verneemt het regiment dat het weldra zal afgelost worden. De divisie gaat met rust, heel betrekkelijke rust, omdat de periode zal worden te baat genomen om de eenheden weer op dreef te brengen.

Enige ouderen uit de oorlog van 1914-18 herinneren zich de toenmalige rustperioden en steken de draak met de illusies van hun jongere makkers. Zeer lieftallig had de commandant der divisie, als beloning voor de inspanningen van het regiment om de ondersector KWAADMECHELEN in te richten, ons de keuze van de kantonnementen gelaten : de kust of Waterloo. De kust werd gekozen, immers de meeste manschappen waren uit Vlaanderen, maar ten slotte moesten wij, om ons onbekende redenen, naar WATERLOO.

 

Dat komt mij zeer bekend voor, dat heb ik zelf meermaals in den huidige ABL ook nog meegemaakt.

 

                De aflossing geschiedde bij heerlijk weer, in kleine groepen trokken de bataljons naar de zone van Diest, vanwaar zij naar de streek van HALLE-WATERLOO spoorden.

Geschreven door DP om 00:00

18e Linie Regiment 9

Het 2° bataljon, dat in onze oude sector het slechtst gelegerd was, ligt thans te HALLE, het 1° te ’s GRAVENBRAKEL en het 3° en 4° te WATERLOO.

                Nauwelijks is het regiment geïnstalleerd of de bezettingsverkenningen van de stelling tegenover het Zuiden, in tweede linie, namen een aanvang. Er vielen bovendien veel zaken te doen : een herziening van de uitrusting en de voertuigen was noodzakelijk.

 

Zoals je verder zult lezen, het was helemaal niet rooskleurig gesteld met de uitrusting, maar laten we de

kolonel SBH DUEZ verder vertellen.

 

De tenues waren versleten : ze hadden in vredestijd gediend, werkelijke dienst en wederoproeping, en werden sinds 1 september 1939 voortdurend gedragen, zo in ’t kantonnement als bij oefeningen en de grondwerken op de stelling. Of het er droevig mee gesteld was ! Uit de depots kwamen ons sommige versterkingen toe in ... burgerkledij ! Het enige kledingsstuk dat ze hadden was een pet !

 

De wederopgeroepenen van SEPTEMBER 1939 voor wie er klederen op maat dienden gemaakt – ze konden niet meer in hun tenue van vredestijd – hadden in MEI 1940 die klederen nog niet ontvangen.

                De schoenen bleven drie weken in herstelling ! Natuurlijk was het tweede paar snel afgelopen, ten gevolge van de voortdurende marsen.

 

                Sommige voertuigen waren over de twintig jaar oud en daar ze in de parken bleven staan, had de verrotting ze aangegrepen : geval van de munitiewagens de 1/6 mortieren.

                Er waren pakwagens aan de eenheden toebedeeld, doch wijl het reisgoed ten gevolge van de nieuwe voorschriften (soldatenuurtje, avondcursussen) hoe langer hoe omvangrijk werd, was het de eenheden niet mogelijk drie achtereenvolgende etappen af te leggen, zonder een groot deel van hun bagages in de verschillende betrokken kantonnementen achter te laten.

 

                De uitrusting was disparaat. Er bestonden drie modellen : twee dagtekenden uit de oorlog van 1914-1918. Bezuinigingshalve, stellig ! Maar hoe kon de gewapend aantredende troep het vereiste streng eenvormige en onberispelijke uitzicht bieden ?

                Machtiging werd verleend een regimentskapel samen te stellen, maar het mocht de staat niets kosten. Vanwaar moest het geld komen ?

                Zelfde toestand op sportgebied.

 

                Al die luttele onaangenaamheden volgden uit de mobilisatie van een te grote getalsterkte ten aanzien van de begrotingsmogelijkheden. De eenheidscommandanten werkten ze weg voor de behoeften van de Zaak, daar zij wel wisten dat hoe uitgebreider ons militair apparaat was, hoe meer kansen we hadden de tegenstrever in bedwang te houden.

 

                Edoch, verre van de moeite te erkennen die het kader zich op gebied van vindingrijkheid en onbaatzuchtigheid getroostte, werden er aan hogerhand onverpoosd nieuwe eisen gesteld : de bureelratten heersten. Ze deden zich zelfs de vergoedingen toekennen ten koste van diegenen die op stelling waren !

               

Wij ontvingen geen kaarten op voldoende schaal voor de terreininrichtingswerken. Om het nodige te hebben, moest een vergroting op het 5000° worden getekend, gefotokopieerd en ... de rekening met eigen geld betaald !

                Toch deed dit alles geen afbreuk aan een onuitputtelijke goedwilligheid; vrolijk werd alles ’t onderste boven gezet bij de tijding dat het regiment zou deelnemen aan de revue op 8 april te Brussel.

                Onze kapel blonk er wonderbaar uit. Niemand kon geloven dat het een muziekkorps van en reserve-eenheid was.

                Onze paarden waren in puike staat. Zowel onze paarden- als autovoertuigen maakten een goede indruk, dank zij de miserie overdekkende opschildering.

                En de troep, blakend gezond, zielsgelukkig in de lente en tevens Brussel weer te zien, was uitstekend geluimd. We waren gewaarschuwd dat er aan hogerhand en groot belang aan de revue werd gehecht : een mooie prestatie van de troepen kon een heilzame invloed op de gebeurtenissen uitoefenen !

                Daar we naamloos aan de revue deelnamen, werden we, zodra de wapenplechtigheid geëindigd was, terug naar onze kantonnementen vervoerd.
Geschreven door DP om 00:00

18de Linie Regiment 10

Maar het regiment had geenszins de tijd zich aan zijn nieuwe legerplaats te wennen. Tot versterking van de dekking tegenover het Zuiden wordt het I° bataljon naar Pepingen, het III° naar Broedhout-Alsput, het IV naar Rukelingen gezonden, terwijl het II° te Halle blijft. Voor dit laatste bataljon heft de zaak ditmaal en schaduwzijde : zijn mitrailleurs trekken voortdurend de wacht op. Verkenningen, bezettingswerken en – oefeningen worden van lieverlede hervat. De troep, en zelfs de kaders vragen zich af wat dit alles betekent. We moeten allerwegen het hoofd kunnen bieden, akkoord ! Maar tegenover her Zuiden ? Een zo ver IN het land !

 

                Door maar steeds hier en overal het hoofd te willen bieden, draait men ten slotte “zot”.

 

                Ook zijn de liefhebbers van de rustperiode heel gelukkig te vernemen dat wij wederom een sector gaan bezetten. Waar ? De voornaamste belanghebbenden weten het altijd het laatst. De regimentsstaf weet het, maar mag niets zeggen. Het regiment krijgt de toelating zijn ondersector te kiezen : hij kiest dien ten Zuiden (Kanne), doch deze keuze valt al zo even min mee, als die ter zake van de rustzone (kust).

Hogere bevelen beslissen er over.

 

                Er wordt niet voorgeschreven verkenningen uit te voeren. De plaats is nochtans blootgesteld. Het regiment vraagt verkenningen te doen. Het dringt er op aan en wordt er ten slotte toe gemachtigd, maar slechts tot de bataljonsechelon. En het feit dat de verkenningen bescheiden moeten zijn, bevestigt de mening dat het oord is blootgesteld.

 

                Geen betere aanvalsgelegenheid voor de goed ingelichte vijand dan een aflossing op een blootgestelde plaats. Zulks was het geval met de aflossing van de Fransen door de Britten te Nieuwpoort in 1917 : de Duitse aanval sloot alle mogelijkheid uit nog een offensief in te zetten, dat het bruggenhoofd Nieuwpoort als uitgangspunt zou gehad hebben.

 

                Maar is in een onzijdig land, in een streek vol vijandige agenten, de hoop gewettigd dat een aanstaande aflossing niet zou geweten zijn ? Is het dan niet beter dat de voor de verdediging aansprakelijke chefs al op de hoogte zijn van de getroffen schikkingen, en het terrein kennen wanneer de troepen tot de aflossing overgaan?

               

Wat ware er gebeurt zo de vijand daags na onze aankomst in de sector had aangevallen, terwijl wij geen verkenning zouden verricht hebben ?

 

Het scheelde maar ACHT dagen.

 

Mogen wij, de uitvoerders, die zo vaak werden gehekeld door lieden wier dienst te velde hen tot bescheidenheid zou moeten aansporen, mogen wij ons verstouten deze vraag te stellen : was de aflossing van de 5° divisie door de 7° divisie wel noodzakelijk op dat ogenblik ?

               

Was de overrompeling van Denemarken en Noorwegen geen teken dat de beslissing weldra in het Westen zou worden gezocht ?

 

                Was de divisie die de sector had ingericht niet helemaal aangewezen om hem te verdedigen?

 

Ik dacht dat het nuttig en ook nodig was in de voorgaande tekst het relaas van de regimentscommandant Kolonel SBH DUEZ volledig weer te geven, in zijn eigen bewoordingen. Wat volgt is de beschrijving van de sector waarin het regiment terecht is gekomen alsook de gebeurtenissen op 10 en 11 mei 1940.

 

Door allerlei omstandigheden en onbegrijpelijke beslissingen van het opperbevel enz... zullen we zien dat het daar niet goed kon aflopen.

 

Maar laten we opnieuw  de Kolonel aan het woord voor “de Stelling en de Slag aan het Albertkanaal”.

 

Geschreven door DP om 00:00

18e Linie Regiment 11

III - 10 en 11 mei 1940  -  DE SLAG

 

Door Kol SBH DUEZ, commandant 18° Linieregiment

 

Den 10n en 11n MEI 1940, op de stelling aan het Albertkanaal, tegenover Maastricht.

 

STAAT VAN DE ONDERSECTOR.

 

Eenparig verbaasd en teleurgesteld waren de kaders en de troep van het 18° toen ze in de ondersector van Vlijtingen aankwamen.

Zo het Regiment in de Ondersector van Kwaadmechelen een moeizame en stevige ingerichte stelling had verlaten, vindt het in zijn nieuwe Ondersector slechts onbeklede grondwerken, geen enkele schietstelling die tegen de waarneming uit de lucht en de aanvallen van de lichte wapens van het vliegwezen is beschermd, geen verbindingsloopgraven.

De ganse en enige waarde van de stelling bestaat in de hindernis welke door de diepe kanaalgracht wordt gevormd.

Het commando heeft aan de hindernis zulk een belang gehecht, dat er in de sector een grote bezuiniging van middelen werd doorgevoerd : de divisie is over een front van twintig kilometer uitgerekt en, afgezien van enige schuilplaatsen voor het wachtpersoneel, werden er praktisch geen materialen op de stelling verwerkt.

De wachtdienst (één dag op drie), bij prangende koude, is zeer hard gebleken : tussen het af- en optrekken van de wacht, is feitelijk slechts één dag verpozing, heel betrekkelijke verpozing.

Bovendien loopt het front van de ondersector over 4 Km 600.

De werken die konden worden uitgevoerd boezemen dus maar weinig ontzag in. Op ’t einde van de winter zijn de onbeklede grondwerken ingestort. Het afgeloste regiment had er voor gezorgd de glooiingen weer te vlakken en de ingestorte aarde ter zijde te werpen, waardoor brede grachten openbleven.

Ik kan mij goed de teleurstelling voorstellen, een uiterst goed ingerichte stelling zoals ze hadden opgebouwd in Kwaadmechelen niet terug mogen innemen en deze onmogelijke toestand waarin ze nu terechtkwamen moeten aanvaarden.

De gevechtsplaatsen werden stelselmatig van de woonhuizen verwijderd, om het personeel aan de uitwerking van het artillerievuur te onttrekken en zoveel mogelijk de schade aan private eigendom te beperken : het vliegwezen kan ze dus gemakkelijk ontdekken.

De telefoonlijnen zijn geen grondlijnen maar luchtlijnen, vaak aan de eerste de beste paal vastgehecht. De ganse winter door waren de lijnen aan weer en wind blootgesteld, en de draden zijn in slechte staat. De telefonistenseiners hebben hun handen vol met het onderhoud van het permanente net.

Het fort van Eben-Emaal heeft op de heuvel van Montenaken een waarnemerpost. Het is een eenvoudige planken schuilplaats met een luchtdraad verbonden aan een betonschuilplaats in de naburige sector !

 

De waarde van de stelling berust dus :

  1. Op de belangrijke hindernis uitgemaakt door de kanaalgracht waarvan het watervlak is verdedigd door drie betonschuilplaatsen met twee verdiepingen, voorzien van de mitralleuses, zoeklichten, voorraden munitie en verbanden. Maar de schuilplaatsen zijn van boven, noch er omheen beschermd door prikkeldraad.
  2. Op de vuursteun van het fort Eben–Emaal waarvan de kazematten Ma 1 en Ma 2 de ondersector van het regiment flankerend bestrijken.
  3. Op de verdedigers, wier tegenwoordigheid in deze op een hachelijk ogenblik blootgestelde ondersector in zich sluit, dat zij het vertrouwen van het commando bezaten.

Doch de waarde der hindernis kan maar ten volle gelden voor zover de brug te Vroenhoven vernietigd is. Een post Grenswielrijders die schuilplaats M (bewapend met een kanon 47 – zie kaart) bezet, is belast met de ontbranding op bevel van het V.I.C. (1) of van het legerkorps of op initiatief van de postcommandant (zo pantserwagens willen doorbreken).

 

                Die post hoort onder het commando van de Grenswielrijderscompagnie te Lanaken, en niemand van het regiment dat de ondersector bezet, is er toe gemachtigd de postcommandant bevelen te geven. Eerst NA de vernietiging van de brug, komt de post der Grenswielrijders onder het bevel van de commandant van de ondersector.

 

Een nog al ingewikkelde situatie daar te Vroenhoven lijkt mij zo.       

 

(1)     V.I.C. : vooruitgeschoven inlichtingscentrum afhankelijk van het Groot Hoofdkwartier.

Geschreven door DP om 00:00

18e Linie Regiment 12

Gelet op de belangrijkheid der hindernis, hoeft het geen betoog dat een aanval op de stelling slechts onder begunstiging van een verrassing mogelijk is. Ook wordt aan de wachttroepen stipt vereist dat ze waakzaam zouden zijn. De korpscommandant, die de overval op de schuilplaats M vreest, waarschuwt dat de verrassing goed mogelijk uit achterwaartse richting kan komen, en legt ten strengste op wacht- en naderingswoorden te eisen van om ’t even wie ’s nachts en uit welke richting ook de schildwacht nadert.

Het commando doet talrijke oefeningen houden. Daar het verkeer op de stelling – zelfs voor de vreemdelingen – open is, worden de aanwijzingen betreffende de verweermaatregelen, welke door de werken zelf al versterkt werden, jammer genoeg bevestigd door de bezetting van de gevechtsplaatsen. Waarlijk, de vijandige spionage heeft het gemakkelijk ! Later zal blijken dat er wel degelijk verraad en spionage gebeurd is op die plaats.

Ondanks verscheidene aanvragen ontving het regiment zijn voorraad munitie niet. Daaruit volgt dat, onder meer, ieder fuselier slechts over 60 patronen beschikt. Wegens de landbouwverloven zijn de getalsterkten met 15 % geslonken.

Tot gevolgtrekking mag gezegd worden dat, zo het verdedigingsplan het verweer ter plaatse tot het uiterste voorziet, de vereisten waaraan een goede definitieve stelling moet voldoen, op verre na niet vervuld zijn. Het grote nadeel voor ons ligt hierin, dat onze schikkingen niet alleen bekend en gekend zijn doch tevens duidelijk zichtbaar zijn voor het vliegwezen, vooral de plaatsen der kanonnen 47.

Bij vergelijking van onze steunpunten met die van 1918, welke verdedigd werden door in de strijd geharde soldaten, is de gevolgtrekking formeel : onze terreininrichting is in den dop, is rudimentair, terwijl de orders, zij, dezelfde zijn, als die welke voor de verdediging van gestabiliseerde fronten werden gegeven.

 

BEZETTINGSOPSTELLING

 

                De ondersector heeft 4 Km 600 breedte. Het Noordkwartier – zonder brug – strekt zich over 2 Km 400 uit. Het Zuidkwartier – met de brug te Vroenhoven – is 2 Km 200 breed. De linkerflank bestaat uit de heuvel van HEES, ontzaglijke massa die een hoogvlakte van 800 x 500 m. vormt; de rechterflank, uit de driekantige 600 m langen heuvel van Montenaken, wiens bovendeel eveneens vlak en naakt is. Tussen beide hoogvlakten liggen de dorpen Kesselt en Vroenhoven. Als noordrand van Vroenhoven hebben we de weg en de brug. Ten zuidoosten van Kesselt, voortreffelijke natuurlijke dekkingen en uitstekende vuuractie op 1000 m in de richting van de brug.

                In tweede echelon zijn de dorpen Hees, Lafeld en de Lafelderberg, welke langs de weg naar Tongeren ligt en deze beheerst, de natuurlijke steunpunten waartegen de verdediging aanleunt.

                De bij het verdedigingsplan vastgestelde opstelling mag geen enkele wijziging ondergaan zonder de voorafgaande instemming van het legerkorpscommando. Er bestaat een wacht- en bezettingsopstelling. Deze laatste wordt dadelijk tot stand gebracht bij wezenlijken alarm, al dan niet de brug te Vroenhoven vernietigd is. In dit laatste geval dient een voorbereid artillerievuur aangevraagd.

                De opstelling, die niet lenig is, steunt op de vernietiging van de brug. Er zijn, zoals elders, slechts twee echelons achter de brug, en er zijn geen voorposten vermits we tegen de grens liggen (de enige gevechtsgroep ten Oosten van ’t kanaal is slechts een eenvoudige alarmpost).

De dosering van het vuren naar de brug rust op de aan de steunpunten gegeven versterkingen in Mi en kanonnen 47 : de zuidoostelijke flank van Kesselt versterkt met vier secties Mi en twee kanonnen van 47, bevuurt de toegangswegen en uitwegen der brug.

Te Vroenhoven zelf versterken drie kanonnen van 47 en twee secties Mi de actie in de richting van de toegang tot de brug. Er dient echter opgemerkt dat de weg bij de brug gezoomd is met huizen; uit dien hoofde zijn alleen frontale acties mogelijk. Op de vier sectie M. 7c8 van de Zuidsector zijn er drie in ’t kwartier Vroenhoven.

 

De uitgestrektheid van het front eensdeels, het bestaan van vier lokaliteiten in de ondersector anderdeels, verplichten er toe de lokaliteiten slechts op de rand aan de meest blootgestelde zijde te verdedigen : geval voor Kesselt, Hees, Lafeld, waarvan de keel, onbezet, openligt voor de ondernemingen van de vijfde kolom en de parachutisten.

Alleen te Vroenhoven legt een achterpeloton vuur op de rand. De compagnies te Kesselt en te Hees zijn ieder over zes steunpunten verdeeld. Deze verbrokkeling, onvermijdelijk wegens de uitrekking van het front, begunstigt de niet-rechtstreekse bescherming tegen de aanvallen, maar maakt het de commandanten van de kleine eenheden zeer moeilijk en geeft de verdedigers de indruk afgezonderd te zijn.

De C.P. van ondersector (2) ligt 1400 m achter den tweeden echelon op een stuk der dwarsstelling Rosmeer-Vlijtingen-Vroenhoven.

Geschreven door DP om 00:00

18e Linie Regiment 13

(2) C.P. van ondersector : Commandopost van de Ondersector. Het is de plaats van de regimentscommandant die niet alleen over het 18° het bevel voert : hij is verantwoordelijk voor het inzetten van al de verdedigingsmiddelen in de Ondersector.

De C.P. is geen steunpunt, doch een schuilplaats onder metaalplaten, op de binnenkoer ener bakkerij, onder tegenaan een tuin.

De rechtstreekse-steungroep ligt naar RIEMST op, en de commandant van die groep is niet bij de commandant van de Ondersector : hij is er vertegenwoordigd door een verbindingsofficier.

 

 “In 1918 is de defensieve opstelling, te Merkem bijvoorbeeld, wat genoemd wordt de «vierkante divisie», het is te zeggen de drie regimenten naast elkaar en, bij ieder regiment, de drie bataljons het één achter het ander”.

Er bestaat een voorpostenzone, waarvan de verdedigingswaarde reëel is. Wanneer de stormloop vóór den tweeden echelon van Langewade komt uitsterven, zal het derde bataljon (het piket) dat in de diepte beschikbaar is, kunnen overgaan tot de tegenaanval welke de artillerie heeft voorbereid.”

 

 

Het commando, de lessen bij Riga indachtig, had de leiding van de verdediging gewijzigd, en onze artillerie was, als gevolg van de nieuwe schikkingen daags vóór de aanval verplaatst geworden.

Het was nog een geluk voor ons. De Duitse artillerievoorbereiding woelt dus onbezette stellingen om : de ongedeerde verbindingen en batterijen zullen voor de tegenaanval beschikbaar zijn.

 

Nog enkele bedenkingen van Kol SBH DUEZ alvorens dit deel af te sluiten.

 

                In 1940 , ’t is te zeggen na twee en twintig jaar, heeft de verdedigingstactiek geen wijzigingen ondergaan. Er werd weliswaar geen gevecht geleverd, maar de vorderingen van het vliegwezen en de motorisering mogen niet onbekend zijn.

                Zij die streden in 1914-1918, weten dat onze verdedigingsdoctrine te stram is, dat bovendien de middelen in ’t begin van een conflict noodzakelijk geringer zullen zijn dan die op ’t einde van de eerste wereldoorlog : niet aan de strijd gewende soldaten en ontoereikende uitrusting van het slagveld.

                De chefs weten dat de eerste stoot uiterst geweldig zal zijn, dat onze minderwaardigheid zal worden goedgemaakt door de onverwoestbare wil, “Te zijn of niet te zijn” heeft de commandant van de divisie gezegd.

 

 

In bijlage :

-          enkele foto’s van de brug te Vroenhoven en de bunker “schuilplaats M”

-          Een uittreksel uit de geografische kaart van het IGN/NGI met Vroenhoven en omgeving.

 

 

Volgend deel :

 

De aanval op 10 mei 1940, aanval van zweefvliegtuigen op het kwartier te Vroenhoven

 

Kaart van de verdedigingsopstelling van het 18° Linieregiment in de ondersector Vroenhoven.

 

Geschreven door DP om 00:00

Bijlage 18de linie

 Bijlage 18de linie

576297-6492678ae191d7df98bb0529e54eba66.jpg

576297-c97e6adec66d20a75c33aa815402bf85.jpg

576297-a581ead630cfac780deb02179792f689.jpg
Geschreven door DP om 00:00

18e Linie Regiment 14

IV   -   10 & 11 Mei 1940 – De Slag

 

10 Mei 1940 – De aanval door zweefvliegtuigen op het kwartier te VROENHOVEN.

 

Het bevel tot wezenlijk alarm de 10° mei te 0 uur 16 bij de regimentsstaf ontvangen, wordt dadelijk aan de bataljons en aan de geneeskundige en administratieve compagnies medegedeeld. Door de divisie te 0 uur 50 per telefoon bevestigd, bevestigt het regiment dit bevel op zijn beurt, schriftelijk, aan de onderhorige eenheden. (Noodzakelijke voorzorg omdat een alarmoefening sinds verscheidene dagen was aangekondigd).

                De eerste echelon te 2 u. 45 op zijn plaats. Het overige volgt, en te 3 u. 45 meldt de CP van de middelsector, die van 2 u. af op zijn plaats was – met gelegde verbindingen – dat de ganse opstelling gevechtsklaar is, verbindingen tot stand gebracht, die met de artillerie inbegrepen.

                Omstreeks 4 u. 20 wordt de stelling en de kantonnementen op geringe hoogte overvlogen door geruisloze grote vliegtuigen “die op vleermuizen gelijken”. Het is nog duister. Het zijn zweefvliegtuigen die het eerste daglicht afwachten om op hun objectieven neer te strijken.

                Bij het krieken van de dag komt een massa vliegtuigen de grens over. Ze vliegen in dichte formaties, de ene boven de andere, en een groep ervan vormt een hakenkruis. De ooggetuigen zeggen dat de hemel vol vliegtuigen was.

                De troepen van de stelling openen het vuur op de laag trekkende toestellen, de zweefvliegtuigen. Sommige eenheden melden dat ze er neergehaald hebben. Het is dus ongegrond te insinueren dat de troepen geaarzeld hebben het vuur te openen.

                De kantonnementen, de CP I en III, de kruispunten worden met bommen aangevallen en gemitrailleerd.

                De zweefvliegtuigen landen zodra zij hun objectieven kunnen bemerken, tussen 4u. 30 en 4 u. 45. Op dat ogenblik worden de kantonnementen te Vroenhoven, Kesselt, Hees, Vlijtingen, Lafeld met bommen verwoest. Had het commando niet tijdig gealarmeerd, dan zouden onze troepen uitgemoord geworden zijn, vooral die in de kantonnementen. Hoewel er niet veel bommen op de huizen zelf terechtkwamen, worden de dorpen vernield. Huizen staan in lichtelaaie, andere zijn ingestort en versperren de kruispunten waarop de vijand het vooral had gemunt. Barakken, voertuigen, stallen, magazijnen van de eenheden zijn getroffen.

                Reeds eer de dag is, zijn zweefvliegtuigen neergekomen op de gevechtsplaatsen van de 1° Cie en het linker voorpeloton van de 2°. Eén nabij de CP van de 1° Cie, twee op het achterpeloton, twee op het rechter voorpeloton, één achter de schuilplaats B, één achter de schuilplaats A, één op iedere uiterste groep van het Noord peloton der 2° Cie, één achter dit peloton, één op het kanon 47 nr 2, dat omver ligt, één juist ten Oosten van de brug, op de oostelijke oever aan het kanaal, verscheidene benoorden en bezuiden de brug, maar aan de overzijde (ten Noorden van de weg). Die nauwkeurige landingen bewijzen dat de grond zichtbaar was toen de toestellen daalden.

                Uit ieder zweefvliegtuig traden een vijftiental mannen, allen met mitrailletten en granaten gewapend.

Op enige ogenblikken tellen de twee gevechtsgroepen van het rechter voorpeloton der 1° Cie, die benoorden de brug liggen en over twee mitrailleurgeweren en geweren beschikken, negen doden en acht gekwetsten.

                De vijand, sluipend achter de dekkingen langs de weg, valt in de rug de schuilplaats M aan, waaruit de brug kan worden opgeblazen. Terwijl de sergeant, commandant van de schuilplaats (Sgt Crauwels, Postcomd van de Grenswachters), die door het kanonschietgat bemerkt heeft wat hij meent drie over de brug stappende officieren te zijn, beslist de brug te doen springen, gaat de soldaat F.M. (fuseliermitrailleur), gewaarschuwd door de schildwacht van de schuilplaats, de post uit om deze achterwaarts te verdedigen, doch wordt door de aanvaller neergeschoten. Binnen de schuilplaats legt de sergeant, met een aansteker, vuur aan de twee lonten Brickford der springinrichting. Daarna gaat het ganse personeel, zoals geordend, naar de benedenverdieping. Terstond daarop doet een geweldige ontploffing de schuilplaats daveren, die door de vlammen wordt vernietigd. De munitiekisten springen. Nadat de in de rug optredende vijand de F.M. had neergeschoten, brak hij de deur van de schuilplaats open en wierp een springlading in de doorgang waar de springinrichting zich bevindt. Deze wordt in gruizelementen gegooid door de ontploffing welke een kuil maakt, waarvan het ontsnapte personeel, wanneer het in de morgen de schuilplaats verlaat zich de oorzaak niet kan verklaren.

                In hun haast hebben de Duitsers verwaarloosd de uitslag van hun aanval op de benedenverdieping na te gaan (inderdaad, het personeel zat gevangen als ratten in een val, er was enkel een uitweg naar boven, dat de Duitsers niet verder doorgedrongen zijn heeft hun leven gered, de schuilplaats of beter bunker, moet wel heel stevig gebouwd zijn).

                De springinrichting en de brandende lonten worden verpulverd, eer de vlam de tussenlading heeft kunnen genaken. De brug zal dus niet springen. De sergeant postcommandant, één van beide korporaals en de F.M. zijn gedood. De aanval werd zo knap voorbereid, zo snel en krachtdadig doorgedreven dat de Duitsers niet meer dan een kwartier nodig hadden om hun aanval tot in de puntjes uit te voeren. De wanverhouding aan middelen verpletterde het verweerpersoneel op zijn gevechtsplaatsen. (zie later ook de “beschouwing genie”over de te vernielen brug).

Geschreven door DP om 00:00

Meer van 't front 1940

↑ Terug naar de berichten