18e Linie Regiment 6
II - Aan het Albertkanaal te Kwaadmechelen
Kolonel SBH DUEZ geeft nu een algemeen zicht op de sector toegewezen aan het 18° Linie Regiment, de werken die zij er uitvoeren en de verdedigingsmogelijkheden van zijn sector.
Hij vervolgt :
De aankomst aan het Albertkanaal was een gebeurtenis : allen waren nieuwsgierig die veelbesproken vaart te zien, welke als hindernis tegen een eventuele aanval moest dienen.
In het westelijke gedeelte van de Regimentsondersector lopen de kanaaloevers gelijk met de aanpalende grond, terwijl ze in het oostelijke gedeelte merkelijk hoger reiken. Anderdeels ligt een uiterst gewichtig kunstwerk, de sluis van Kwaadmechelen, in het oostelijke gedeelte. De baan kruist het kanaal aan de sluis, waarvan zij de brug bereikt door middel van twee belangrijke opritten.
De dijken bestaan uit ontzaglijke massa’s aangebracht zand waarin niet mag worden gegraven en die het naburig moerassige terrein overheersen.
Betonschuilplaatsen bieden mogelijkheid vuur af te geven ter hoogte van het watervlak. Om meester te zijn over het kanaal, moet men de dijken in zijn macht hebben en zich bijgevolg ongedekt opstellen, wat, zich onvermijdelijk blootgeven is aan de luchtwaarneming. Daar het terrein benoorden het kanaal anderdeels plat is, schijnt het voor de hand te liggen dat de aanval noodzakelijk zou gesteund worden door het vliegwezen dat zijn infanterie veel dichterbij kan beschermen dan de artillerie, die wegens de verspreiding van de schoten een betrekkelijk diepe veiligheidszone vereist. Daaruit volgt noodzakelijkheid “den eersten echelon”, die zich over 3500 meter ontwikkelt, van een voldoende bezetting te voorzien en een sterk verdedigden “tweeden echelon” te hebben, die beter kan worden gecamoufleerd. Bovendien blijft de baan, zelfs de vernielde brug, een aanvoerweg. De verweermiddelen moeten er dus in de diepte worden geëchelonneerd.
Om zich tegen een inval te vrijwaren, bevindt zich het peloton Verkenners zich op de voorposten te Gestel, en terwijl er ten Oosten van de brugoprit een stuk land onder water wordt gezet, leggen wij ten Westen, met behulp van boomstammen, een tankhindernis aan. Een met mitrailleuses versterkt peloton vormt het bruggenhoofd en verdedigt door het vuur de tankhindernis en het blanke gebied (naderhand werd de hindernis nog versterkt door een mijnenveld).
De zuidelijke invalswegen van de sluis worden door een convergerend vuur van drie pelotons bestreken. Achterwaarts, in «den tweeden bataljonsechelon» wordt de omgeving van het belangrijke kruispunt Genendijk tot een antitankcentrum ingericht. De compagnie die het verdedigt, ontvangt vier kanonnen 47 en vier secties Mi tot versterking.
De actie van al de automatische wapens wordt samengeordend voor het verweer tegen laag trekkende vliegtuigen, terwijl de wederzijdse steun van de echelons verzekerd is.
Nu de verdeling van de middelen door de commandant van de divisie goedgekeurd is, wordt het werk aangevat.
Ieder bataljon is gestadig in zijn kwartier en zal de stelling verdedigen die het heeft ingericht.
De commandoposten, de kanonnen 47 en de mitrailleuses zullen in bombardementsschuilplaatsen worden ondergebracht, de mitrailleurgeweren op de dijk zullen tegen de waarneming en de uitwerking van de lichte wapens worden beschermd. Het werk wordt onverdroten voortgezet : het is een zware taak omdat de lage grond noodzaakt boven het grondpeil aan te hogen, wat een ontzaglijk volume grondwerk betekent.
Allen herinneren zich de inrichting van de arbeidsplaatsen : op het bruggenhoofd, ten Oosten, de versteviging van de dijk en de onderwaterzetting; ten Westen, de antitankhindernis. Om de boomstammen van 0,35 tot 0,50 m doorsnede te verleggen, werd hulp gevraagd en bekomen van de tractors der artillerie. Na enige dagen moesten de tractors echter terug : het materieel diende gespaard. De geestdrift en de armen onzer infanteristen volbrengen dan maar alleen het werk dat voor de tractors te aanzienlijk was.
Op de stelling : gevechtsplaatsen en verbindingsloopgraven duiken allengskens op. Er komen hoe langer hoe meer kunstmatige hindernissen en de permanente schuilplaatsen worden letterlijk met prikdraad omgeven en overdekt : ze zijn ongenaakbaar. Voor ieder kanon van 47 is een wachtschuilplaats en verschillende schietstellingen voorzien : de vlam van ’t schot is te lichtend dan dat er aan kan gedacht de stelling te camoufleren. Er dient bij verrassing gehandeld en dadelijk van plaats veranderd. De batterij van 7/6, in een laaggelegen terrein, kwijt zich aan een zware taak en brengt, na grote inspanning, modelstellingen tot stand.
Met het vellen, zagen en vervoeren van de boomstammen alsook het bouwen van de schuilplaatsen worden gespecialiseerde ploegen belast.
Het regiment blijft van oktober tot einde maart in de sector. De inrichting van de stelling is niet zijn enige taak : het trekt de wacht op, houdt tactische oefeningen, beoefent de sport, vormt een muziekkapel, richt talrijke cursussen en feesten in. Deze veelvuldige bedrijvigheid kost zowel het kader als de troep geweldig veel moeite, en een vreselijk barre winter voert de spanning ten top.




