|
Het is woensdag; ze hebben een mooie zonnige dag voorspeld met temperaturen die weleens het gemiddelde zouden kunnen overstijgen. Wanneer ik ’s morgens beneden de gordijnen opentrek, schuift de zon al laag naar binnen.
Haar stralen glijden de kamer binnen als dunne linten licht, en alles wat ze raken wordt plots zichtbaar. Het zonlicht confronteert mij genadeloos met hoe smerig mijn ramen eigenlijk zijn: de bleke afdruk van een handje, vermoedelijk van onze jongste, en de vertrouwde neusstoot van Cesar op de glazen keukendeur. Alsof ik de verwaarlozing van mijn ramen tot kunst heb verheven. In datzelfde licht tekenen zich twee spinnenwebben af op het raam, gelukkig zonder spinnen.
Want zoals mijn moeder en daarvoor mijn oma al zeiden: ”Spin in de morgen brengt kommer en zorgen”. Op de metalen sixtieslamp boven de eettafel ligt stof dat zich de winter heeft eigen gemaakt en met een theedoek (schoteldoek voor de Vlamingen) die straks toch in de wasmachine gaat, sla ik de stofdraden weg aan het plafond. Zo’n dag is het. De soort dag waarop iemand ooit dacht: Laat ons de lenteschoonmaak uitvinden.
|