Mademoiselle De Decker was de administratieve en financiele motor binnen de foyer. Zij was het die de uitbetalingen deed van leveranciers en personeel. Ze was een eerder kleine vrouw van rond de 40 met spierwit haar en een gouden brilletje, dat haar iets intellectueels gaf, ze zat in een burelencomplex dat zich bevond in een van de homes met een aparte ingang. En ze sprak vlaams. Af en toe moest er iemand eens iets gaan afgeven. Ook als we vragen hadden in verbend met thuis konden we bij haar terecht en voor fraiteur was ik de courrier van dienst. Ik diende daartoe een groot grasplein over te steken om er recht op recht te komen. Op dat grasplein liepen altijd 2 kleine hondjes, a la yorkshire van een of andere tante ? nu waren die hondjes niet mijn beste maatjes omdat die zo tegen je aan sprongen en blaften dus zette ik het op een lopen "wat ik beter niet gedaan had natuurlijk" en daarop beet het ene hondje mij in mijn enkel. mijn sok kapot en mijn enkel ook natuurlijk. Al wenend kwam ik binnen bij mademoiselle De Decker die direct de home belde. Er kwam iemand mijn wondje verzorgen voor ik terug ging. Later wilde ik niet meer gaan of ik maakte een grote boog rond het grasplein.
Claudine de coiffeur
Eens per maand kwam Claudine de coiffeur, zij was de dochter van Leon de tuinman. Dat was een blond meisje van een jaar of twintig. Die had altijd veel werk met ons. De meesten hadden immers moeite met stilzitten Ik zag haar niet graag komen want ik was nogal gesteld op mijn lange haar en telkens het weer een beetje fatsoenlijk in mijn hals was gegroeid kwam zij het weer millimeteren. Nu had ik vroeger haar tot aan mijn poep maar dat had af gemoeten omdat ik op internaat ging en het onmogelijk zelf kon kammen en de tantes hadden daar geen tijd voor. Net voor mijn comunie werd er gevraagd om mijn haar niet meer af te snijden en toen ik het de eerste keer tegen haar zei, geloofde ze mij niet en knipte het toch. Kwaad dat ik was !
Naast Sinterkaas kwam ook nog de kerstman, die bracht niks maar kwam met de gezelligheid onder de kerstboom mee. Kerstmis vierden we in de home, Nieuwjaar thuis. We versierden de living (feestzaal) met slingers en lampions en op de avond zelf zongen we: Petit Papa Noël Dat klonk altijd zo weemoedig :
Petit Papa Noël Quand tu descendras du ciel Avec des jouets par milliers N'oublie pas mon petit soulier
Mais, avant de partir, Il faudra bien te couvrir Dehors tu vas avoir si froid C'est un peu à cause de moi
Il me tarde tant que le jour se lève Pour voir si tu m'as apporté Tous les beaux joujoux que je vois en rêve Et que je t'ai commandés
Ik ga het nu eens hebben over mijn andere grootmoeder. De moeder van mijn moeder was métje Tille. Het was een klein vrouwtje die steeds op alles en overal haar kommentaar klaar had. Wat ik ook droeg; het was altijd te kort, te lang, te smal, te wijd, te veel kleur, te weinig ... enz.. Hetzelfde met mijn haar : te plat, te lang, te kort , niet gekamt ... enz. Ik noemde haar daarom wel eens gekscherend : métje zaag ! Ik ging er niet zo veel heen maar als ik er was, dan bakte ze biefstuk. of lever. Dat kon niemand beter dan zij, met heerlijke vleesjus Mmmmmmmm! Ze had zoals ik al zei op alles kommentaar, als we buiten zaten in dat piepkleine verandatje van haar dan mocht ik niks zeggen of ze deed teken van stttt. de buurvrouw ! Als we op straat liepen dan liep zij op de toppen van tenen mij constant in het oog houdend, of ik toch niks zou mispeuteren of verkeerd zou zeggen of zo, zodat zij niet in afronten zou vallen met mij; Soms bleef ik er ook eens slapen, bij haar in bed, en dan baden we samen de rozenkrans. Ik hield van haar, maar op een andere manier dan van mét Adrienne. Het was alsof er een zekere rivaliteit was tussen die twee. Zou kunnen, want je moet niet vergeten dat haar metekind : Marleen 1, overleden was en zij nooit geen herkansing kreeg, want Papa wou maar 1 kind.
Op de vooravond van 6 december werden wij verzameld in een van de slaapzalen en wachtten we op de komst van Piet die dan steevast op de ramen bonkte en toen we wilden kijken was er niks.Dan poogden de "tantes" ons bang te maken : wat is dat ! en stt stil blijven zitten hé ! ik ga eens kijken. Daarna kwam er een witte handschoen door het venster dat we net geopend hadden om te kijken "en niet goed dicht gedaan hadden" en gooide een handvol nicnacs door de kamer.
Om de zenuwen een beetje te kalmeren begonnen wij te zingen: Oh grand Saint Nicolas patron des écoliers Apportez moi du sucre dans mon petit panier Je serai toujours sage comme un petit mouton Je dirai ma prière pour avoir des bonbons Venez, venez Saint Nicolas x2 Venez .. venez .. Venez .. Saint Nicolas tralala!
Op de dag zelf kwam de sint in vol ornaat met piet door de deur en mochten we een voor een bij hem komen. We zaten dan in de grote living en daar stond een troon (oude zetel) en werd onze naam afgeroepen daarop moesten bij hem komen en dan kregen wij een pakje, dat maar een voorproefje was van wat de sint thuis zou brengen want dààr woonde de echte Sinterklaas. Voor mij echter was er iets raars, wij vierden thuis Sint Maarten ipv Sinterklaas en dus had ik altijd al iets voor de anderen.want die wordt gevierd op 11 november.
Er werd bij ons aan cultuur gedaan ! Het was stillaan traditie, met Oudejaar thuis, met Kerstmis met het home naar de cinema. We gingen dan naar de namiddagvoorstelling in het centrum van Brussel . Het waren niet altijd mooie films, maar dat kon de pret niet drukken. Zo hebben we Mary Poppins gezien en 100 000 mijlen onder zee. Eenmaal zijn we naar de opvoering van de operette Hans en Grietje geweest in de koninklijke Muntschouwburg.
We moesten ook naar de kerk gaan op zondag, naar de 10 uur mis Eerst gingen we erheen met Pol in zijn camionette. Naar de kerk van Karreveld dat was zo'n 10 minuten rijden van bij ons. Eigenlijk ging ik niet graag naar de mis, we moesten dan stilzitten en op tijd van 1 half uur tot 3 keer toe de stoelen veranderen eerst op de knieen , dan weer zitten voor 10 minuten! voor ons was dat een marteling, er verliep altijd 3 minuten eer we weer goed en wel zaten zoals het moest. En het veranderen ging gepaard met veel kabaal doordat we telkens verstrikt raakten in elkaars stoelpoten. Er is ook zo weinig plaats hé. En zo hadden we steeds beziens in de kerk want al was het niet onze bedoeling aandacht trokken we wel. Later gingen zij die konden stappen te voet en kwam de rest met Pol.
"Tante" Ann (Anna Detobel) Als er iemand was waarmee ik nog lang contact zou houden was het Tante Ann (Anna Detobel) Tante Ann kwam in de instelling toen ik ongeveer 12 was. Eindelijk nog eens iemand die nederlands praatte, maar eigenlijk maaakte dat niet zoveel meer uit voor mij want frans was de voertaal van het internaat. Eerst als stagaire, daarna definitief. Ze was van Vlaams Brabant (Dworp) en was ongehuwd.
het eerste oorapparaat
Het was al langer bekend dat ik slecht hoorde, maar men wou toch eens testen of er ik baat zou bij hebben mocht ik een oorappareil dragen, eigenljk zou ik er twee nodig hebben maar men wilde proberen met 1. Men had allerhande testen gedaan, met toeters en bellen, en ja het was een feit, de wereld mocht vergaan, Marleen bougeerde niet. Ik kreeg zo'n ijzeren bakje (net een scheerapparaat) mee met aan een draadje van ongeveer 1 meter een oorstukje. Het was de bedoeling dat ik het bakje in de zak van mijn schort zou steken maar ik liep er constant mee in mijn handen, (ik was net een repporter) alleen zo had het nog een zeker nut, in mijn zakken hoorde ik alleen zbzzzzzzzzzz zzzzzbzzzz ! En dat was zo zenuwslopend dat geschuur tegen mijn kleding dat ik nog minder hoorde. Ik werd er gek van ! Ik heb altijd gezegd het is niet een kwestie van niet horen, maar een kwestie van verstaan. M.a.w. als ik mij omdraai en je spreekt hoor ik je wel iets zeggen maar ik hoor niet wàt je zegt. Het dringt als het ware niet door. Natuurlijk is ook de frequentie belangrijk fluisteren en zo, of gewoon maar de vogels die fluiten hoor ik niet zonder apparaat. Maar nu terug naar toen ! We speelden spion met mijn apparaat, net als in de films wanneer ze door microfoons praatten, en ik was altijd James Bond, die had ook altijd de laatste snufjes. Ik heb op een dag thuis het apparaat in het toilet laten vallen en het was over en out! Oeps !!
In het jaar 1966 geloof ik was er zo'n dik pak sneeuw gevallen dat we al schuivend naar Brussel gingen. We moesten daarvoor zelfs 1 uur vroeger vertrekken dan normaal, om op tijd te zijn. Wij reden toen met van die dikke zwarte auto's ( het merk heb ik nooit geweten, maar type Londense taxi) Ter plaatse aangekomen konden we onmogelijk de oprit naar de foyer op, die lag immers op een helling. Dus liet mijn vader de auto op straat staan (die ook helde) groot was onze verbazing toen we uitgestapt waren en te voet met pak en zak de weg namen naar fraiteur. Er begon achter ons iemand te roepen op straat. We kijken achterom en zien de auto schuiven naar beneden. Gelukkig kon Pa nog hard lopen en kon hij hem tot stilstand brengen voor hij ergens tegen botste.
De grote vakantie brachten we meestal door in een huis gelegen in Villers-la-ville bekend als "La cité de la Croix Rouge" van het Rode kruis. Dat was een groot herenhuis dat gebruikt werd om kans arme jongeren te laten genieten van de natuur en het kampwezen. Er waren meestal een aantal groepen tegelijk aanwezig maar wel gescheiden. We sliepen in grote kamers in stapelbedden. Overdag hielden wij ons bezig met wandelen en spelen per groep. De kampvuren deden we dan samen. Dan werden er grote blokken hout gesprokkeld en na het avondeten en de afruim moesten we naar de slaapkamers een grote dikke trui aanpassen met dito broek. Daar werden dan liedjes gezongen en spelletjes gespeeld. In een ronde rond het kampvuur gezeten zongen we arm in arm al wiegend van links naar rechts:
Chante et dance la boheme Faria, faria oh! Vole et champe où Dieu te mène Faria faria oh! Sans souci au grand soleil Coule des jours sans pareils
(ref)Faria,faria faria,faria,faria faria oh 2x
Quand a faim se fait tenace, Faria,faria oh Dans le bois se met en chasse, Faria, faria oh Tendre biche en prompt chamois Lui feront un festin de roi
(ref)Faria.....
Sur la mouse ou dans la paile, faria,faria oh trouve un lit fait à sa taille, faria, faria oh Coeur leger, boheme dort qui n' eveille aucun remords
(ref)Faria....
Et si mince est son bagage Faria,faria oh que sans peine démenage,Faria,faria oh Dans le ciel quand Dieu voudra En chantant s' envolera
(ref) Faria......
Wanneer we uitgezongen waren kwamen de spelletjes: Dan werd er iemand aangeduid die "le pauvre petit chat" werd die moest dan bij de anderen gekke bekken trekkend miauwen, waaop de uitgekozen persoon 3 x "pauvre petit chat" moest zeggen terwijl de persoon aankijkend zonder te proberen lachen, lachte hij wel dan werd hij de "kleine arme kat" en moest hij op zijn beurt iemand aan 't lachen brengen. Voor we gingen slapen zongen we bij wijze van begroeting: Bonsoir ! Met 3 stemmen dwz. De eerste stem begon met zingen van de eenvoudige woorden en bij het begin van het 2 couplet voegde de andere groep in zodat we een soort van echo creeerden.
Bonsoir, bonsoir, La brume monte du sol, On entend le rossignol.
Bonsoir, bonsoir, La brume monte du sol On entend le rossignol
Bonsoir, bonsoir !
En telkens er een groep uitgezongen was stonden die op en gingen naar binnen.
Het is daar dat ik mijn totemnaam kreeg; Mits een aantal proeven qua doorzetting en volharding werden we behoordeeld en zocht de leiding naar een gepaste naam waar al je gebreken of je kwaliteiten uit spraken. soms ook een gelijkenis met iets of iemand. De mijne werd: "Gretel-Espiegle" Grietje - Uilenspiegel dus. Grietje omwille van mijn blonde haar en Uilenspiegel omwille van de fratsen die ik uithaalde.
Er was daar aanpalend een bos waar we wilde aardbeien en bramen gingen plukken en die we dan als avonddesert serveerden. en er was een feestzaal met zowaar een piano! Daar leerde de leider ons dan "Broeder Jacob" op spelen. Er liep ook een beekje met nogal fel stromend water en dat heb ik aan de lijve ondervonden. We zaten soms met onze voeten in het water en ik weet niet meer hoe het kwam maar plots viel mijn schoen "van mijn enige paar" in het water en was binnen de kortste keren meegesleurd. Daar zat ik nu met nog enkel sandalen. Ze hebben dan het home verwittigd en die hebben op hun beurt mijn ouders gecontacteerd en 2 dagen later kwamen zij mij mijn andere schoenen brengen. Wat ik daar ook geleerd heb is dat Zwanen stoute dieren zijn; er kwam daar soms een zwaan met kroost in het beekje zwemmen. Zo'n 6 kuikentjes achter haar aan, ik wilde het laatste eens vast nemen om te strelen maar het beestje zette het op een piepen en dat was buiten de mama gerekend, zij vloog op mij af en sloeg mij met haar vleugels. Het was al bij al een zalige tijd. En wanneer we afscheid moesten nemen vloeiden er steeds weer tranen bij het liedje:
Faut-il nous quitter sans espoir sans espoir de retour ? Faut-il nous quitter sans espoir de nous revoir un jour?
Ce n'est qu'un au revoir, mes frères ce n'est qu'un au revoir oui, nous nous reverons, mes frères Ce n'est qu'un au revoir !
Tournons de nos mains qui enlacent au déclin de ce jour tournons de nos mains qui enlacent Une chaine d' amour!
Terwijl we elkaar de hand gaven met gekruiste armen tot het liedje uit was. Dat gaf een gevoel van samenhorigheid en deed tevens zoveel pijn ! Het luidde het einde in van een mooie tijd.
Vanaf de eerste dag dat ik er was werd ik opgevolgd door de huisarts van dienst: Dokter Daelemans (wij allemaal trouwens) die trouwens ook de arts ws van de bond van spastische kinderen, om de vorderingen te kunnen bespreken en de remedies aan te passen daar waar nodig. Nu was de eerste keer ook weer zo'n hilarisch moment om aan terug te denken, dat ik u dit niet kan onthouden. Toen ik al een poosje in het internaat verbleef begon ik een aardig mondje frans te kennen maar dan wel de allernoodzakelijkste dingen zoals bol, assiette, fourchette, couteau, froid, chaud, en toen de dokter mij vroeg : ou tu as mal ? begon ik aan mijn franse woordenschat. De dokter lag dubbel. Hij heeft daarna de vraag in t nederands gesteld.
Naast Tante Josee, kregen wij ook nog les van Mevrouw Hublou, (Ik hoop dat ik haar naam goed schrijf ) Meer bepaald godsdienstles. Wij mochten haar Tante Fienje noemen, Het was een klein madammeke dat een beetje leek op mijn oma langs moeders zijde. Tante Fientje gaf dus godsdienst, een van mijn favoriete vakken om dat zij prachtig vertellen kon over allerhande zaken en omdat we dan niks anders moesten doen dan luisteren, maar ook omdat ik dat kon gaan vertellen aan mijn mèt Adrienne. Zij kwam 1 of 2 maal per week bij ons. De rest van de dagen doceerde zij elders. Iedereen volgde gosdienst behalve Renee, die ging dan mee met tante Josee naar een ander lokaaltje waar zij zedenleer kreeg. Ik heb nog steeds mijn oude catechese boekje van toen met alle gebeden, en alle aktes: Van liefde tot berouw . Waar is God ? - God is overal, in de hemel, op de aarde en op alle plaatsen ! Dat wou zij horen en niks anders en... wee diegene die durfde afwijken van deze zin. Vreemd maar ik heb haar later nooit meer gezien.
Er was bij ons ook nog een Rita, die had een speciale handicap; nl.: ze kon haar ogen niet openhouden, figuurlijk dan. Zo waren er geen 2 bij ons in fraiteur. Ze had een verlamming van haar oogleden, die bleven dus dicht. Rita kon wel zien hé maar enkel door haar wimpers heen en moest daarbij haar hoofd zodanig achteruit houden dat het niet confortabel was om zo een ganse dag rond te lopen . Ze liep overal tegenaan. De tantes kleefden dan met tape haar oogleden aan haar wenkbrauwen maar dat was maar kortstondig, immers er is weinig plaats hé om daar te kleven, bovendien ook een gevoelige plek en door de zwaarte van haar oogleden kwam de tape na een tijdje los. Bovendien werden haar ogen daar droog van, immers knipperen met de ogen dient om de vochtigheid in de ogen te behouden en stofjes te weren. Het was ook geen kind om zonder handschoenen aan te pakken, ze schopte en sloeg waar ze kon in het wilde weg als haar iets in de weg werd gelegd.
Ik heb al verteld dat er een 10 tal kinderen extern waren bij ons in fraiteur. Zij bleven echter wel 4 dagen per week middagmalen bij ons in de home. Er was daartoe een speciale tafel enkel en alleen voor hen gedekt. Vanaf een zekere leeftijd mochten sommigen van ons daar de plak zwaaien, dwz. wij hielpen dan met opdienen, vlees snijden, de kleinsten helpen om te eten, opruimen bij gemors enz. enz. Ik deed dat graag, temeer omdat ik dan zelf niet onder toezicht stond, niet direct tenminste, en omdat ik gaag hielp. Vivianne Reniers, en Eduard Van Zwol waren de externen die bij mij in de klas zaten, dan was er nog Genevieve en nog een paar kleinere kinderen van wie ik de namen niet meer weet. De woensdagmiddag gingen allen direct naar huis.
We gingen ook eens per jaar op schoolreis. Zo gingen we eens naar zee, naar een of andere zeehaven en brachten we ongepelde garnalen mee om er 's anderendaags over te leren en ook met de bedoeling om het te leren eten want dat was in die tijd toch een beetje rijkemans eten. Ik wist wat garnalen waren en luste dat ook graag maar thuis kochten we gepelde garnaal en deze was ongepeld. Nu was dat niet evident voor ons, dat gepel, we prutsten maar wat en trokken de beestjes vaneen. en zo hielden we nog minder over om te eten. Tot ik een ganse ongepelde garnaal in mijn mond stak en dat ook lekker vond, wel wat meer te bijten maar dat ging nog, de smaak bleef hetzelfde. Zo ging het vlugger vooruit natuurlijk. Ik had onderling zo'n gevoel van beikes! maar zette dat opzij, het moest maar zo lekker niet zijn ! en bovendien maar niet zo moeilijk om die schalen er af te krijgen. ! Tot een paar uur later de garnalen met kop en staart begonnen te zwemmen in mijn maag en alles op de muur van de klas terecht kwam. Tante Josée heeft dat voorval meer dan eens verteld later. Jaja, Marleen die lustte garnalen. Met kop en staart wel te verstaan !
Af en toe, maakte Tante Josée dat we eens verwend werden en bracht ze haar wafelijzer mee. dan mochten we helpen "het had ook een beetje een educatief karacter" bloem en suiker en boter afwegen. Zij bakte heel andere wafels dan mijn meter Adrienne. Zij bakte suikerwafels en die konden we een tijdje bewaren in een goed afgesloten blikken doos. Daar waar het deeg van meter lopend was en met de pollepel tot in het het ijzer moest geschept worden, was dit deeg vast en stijf. Wanneer het deeg klaar was moest het even rusten om te rijzen maar eens we konden met bakken beginnen moesten we stil zitten om ongelukken te vermijden. Ze liet ons ook eens proeven van het deeg en ik at dit zo graag dat bakken voor mij niet eens hoefde; ik at mijn part zo op, terwijl we met lepels stukjes deeg schepten die we in bolletjes rolden. Die bolletjes werden dan gebakken in het wafelijzer. Wanneer de wafels dan afgekoeld waren mochten we er een paar van opeten en de rest ging in de kast. Ik heb het later, véél later, zelf eens geprobeerd en het lukte niet. Ik heb er Tante Josée nog eens over geschreven om haar het juiste recept te vragen, wat ze me dan ook gegeven heeft maar ze zei er bij dat ze het best lukten met Plantaboter. En er is nauurlijk ook veel gelegen aan het ijzer en de baktijd.
Gelukkig lust ik het deeg zo , dus telkens het mislukt eet ik het deeg zonder het te bakken.
Ik weet niet hoe hij er gekomen is (ik denk dat wij hem gewonnen hadden met zaken te sparen" maar plots was er een fiets en die ging de kelder in. Er was immers niemand die er kon op rijden. Telkens als ik in de kelder moest zijn zag ik hem staan en probeerde ik even. En als ge iets maar hard genoeg wilt, dan lukt het wel ! Ik kon een of andere "tante" er op een zondag toe overhalen om de fiets uit de kelder te halen en er mij te leren op rijden. Nu was dat geen sinecure want de fiets had geen remmen, geen gewone altans, maar torpedo "een terugtraprem". In het begin wst ik dat niet en liet mij uitbollen tot een of andere boom of struik zodat ik wel tot stilstand kwam maar mijn benen bont en blauw werden van het vallen. Maar met vallen en opstaan leert ge en ik gaf niet op, eerst moest ik op de grasmat blijven, onder toezicht maar omdat fietsen op gras nogal moeilijk is kreeg ik later de toelating om de paden te gebruiken die de homes onderling verbonden en dat was toch een kilometer of 3, 4. Oefening baart kunst en ik was mijn grenzen aan 't verleggen , want binnen de 4 maanden kon ik fietsen en zo kwam het dat ik later een grotere fiets kreeg van thuis en hem mocht meenemen naar Brussel. Er kwam zelfs een "tante" af met een antieke fiets, met een heel groot wiel en een heel klein wiel. Wij hebben daar nogal wat mee afgelachen toen.
De rol schaatsen.
Omdat het mij gelukt was om te leren fietsen, wat toch met evenwicht te maken had, besloot men mij te leren roschaatsen. Dat was een ander paar mouwen ! Maar durf-al die ik was probeerde ik het toch. Ik kon mij echter niet recht en stil houden en het werd gauw afgeblazen voor ik iets zou breken. De vrienden van mijn ouders
Henry en Fabienne waren een koppel waar mijn ouders mee bevriend waren en zij kwamen soms mee de zondag avond wanneer ik terug moest naar de Fraiteur. We moesten om 18 uur binnen zijn. Dan begon ik later altijd te fantaseren dat ze nog uit geweest waren nadat ik weg was. Zij verzekerden mij van niet, maar ik geloofde dat niet. Ik dacht altijd dat zij plezier maakten terwijl ik op school zat. Mijn vader zei nochtans altijd : dat hij 2 bleiters had, ééntje in het vertrek en ééntje bij het naar huis terug keren.
Nog een bevriend koppel waren Robert Van Suyt en Simonne Dobbelaere uit Maldegem-Donk. Robert kende mijn vader van in 't leger en ze zijn met elkaar in kontact gebleven. En gezien de grote afstand bleven ze als ze kwamen soms slapen. Dan was het altijd grote pret. Ik had dat graag, dat bracht leven in brouwerij. Ze kwamen met kermis en soms eens tussendoor. Ook zij hebben het ganse groeiproces doorgemaakt van mijn eerstestapjes tot en met het grote Brusselse avontuur en nog later mijn trouwen. Robert was een legermakker van Pa, en ze staken mekaar soms de loef af. Zo was afgesproken dat ze allebei hun dochters Marleen gingen noemen. En bij Robert was 't van moetens dus was hij de eerste die een Marleen had. Pa volgde 2 jaar later met het bekende gevolg: Marleen n° 1 stierf na 3 maand en daarna kwam ik.
Op het einde van ons speelterrein ging het plots heel stijl naar beneden (immers; ik heb al verteld dat wij op een heuvel zaten ) en kwamen we in een ravijn, dat was een grote diepe kloof die bestond uit kleizand en waar wij soms (met de tantes) mochten gaan spelen, dan lieten wij ons glijden van boven naar beneden langs die natuurlijk uitgesleten groeven. En dan weer gauw naar boven klauteren om opnieuw naar beneden te kunnen glijden. Voor ons was dat als het strand, maar dan zonder zee. Soms bleven al eens hangen aan de stukken takken en pampagras dat daar groeide. En onze kleren, die zagen er niet uit natuurlijk !
Toen we een maand of twee in de nieuwe home zaten, kwam er een juffrouw met verf en penselen om de witte smetloze muur van de hall te beschilderen. Ze begon met een potloodtekening van een kermispaardenmolen waarop een aantal kinderen zaten op de paardjes. Ze tekende ook vogels in de lucht en wolkjes en een eetkraampje. Daarna kleurde ze het geheel in een soort fletse kleuren zoals fresco's in de oudheid. De paardenmolen intrigeerde mij omdat er een fout in staat. Ik weet niet meer precies wàt maar ik geloof dat hij niet goed bevestigd is. Er is iets wat niet kan ! Hij zweeft in de lucht of zoiets. Ik kon mij daar heel ambetant bij voelen ! Het liet mij niet los. Van in de hall keek je recht in het bureau van de directrice, Er stond een divan in de hall tegen de muur om de directrice te spreken. of om in alle rust afscheid te nemen.
Mijn plechtige comunie
Als 11 jarge keek ik uitteraard uit naar mijn plechtige communie. Ik had neefjes en nichtjes die het al megemaakt hadden. Die dan bij ons cadeautjes kregen en die zich dan lieten bewonderen door de rest van de familie. Nu was het bij mij de vraag wààr moet zij die doen ? In Brussel waar ik school liep of thuis ? maar ik kon niet naar de catechese gaan omdat ik er niet echt woonde. En ze in Brussel doen ging ook niet want dat was in t frans. en mijn ouders verstonden dat niet; Het scheelde niet veel of ik had ze niet gedaan; Ik had immers door 'omstandigheden' mijn kleine communie niet gedaan. En er moest aan gewerkt worden en wel zo vlug mogelijk. Dus in het paas verlof werden er een 2 tal meisjes bij wie ik normaal in de klas zou gezeten hebben als ik in de plaatselijke school gebleven was, afgevaardigd om bij mij thuis te komen repeteren. Hoe, wat en wanneer, er iets moest gedaan worden in de kerk. Marie-Claire Van Lokeren. en Bernadette Verbelen. Met de kerkboek en de liedjesboek. Terwijl mijn ouders werken waren, gingen wij in de living zitten zingen.
Uw boodschap dragen wij, O Heer door de wereld wijd! Uw woorden zeggen wij, Opdat allen U looo ...ooven ! Hallelouyaaaa !!
En...
God is mijn Herder, die waakt over mij Die mij geleid langs de groenende weiden God is mijn herder .....
We hebben natuurlijk ook nog wat over andere zaken gepraat toen. Maar het opzet was geslaagd, Ik mocht mijn communie doen in Zele Een maand later ! was het zover Nu ben ik altijd al een zotte doos geweest en toen mijn neef die 1 jaar ouder is, mij vertelde dat de bisschop mij een klets in mijn gezicht zou geven bij het vormsel lag ik plat! Ik zei dat hij dan een klets terug kon verwachten ! Natuurlijk dacht ik daaraan toen het zover was en ik proestte het uit, toen ik in de kerk aan de beurt was, liep bijna moeder overste omver omdat ik niet gauw genoeg terug op mijn plaats kon zitten om te bekomen van "de klets" !
Mijn vader was enig kind net als ik, maar zijn vader "pét Jef" die waren met velen. 10of 11. Er was een nonkel René, een nonkel Henry, een tante Tille, een nonkel Georges, dat zijn zowat de enigen die ik ken. Nonkel René had een café in het dorp en ook Tante Tille had een café, Nonkel Henry die was uitgeweken naar Antwerpen en kwam zo af en toe, meestal met kermis en oudjaar of trouwfeesten en begrafenissen. Nonkel René was de jongste geloof ik en was getrouwd met Elvire Clemminck Ze hadden 2 dochters, Liliane en Diane. Tante Mathilde zoals ze officieel heette had geen kinderen. En van Nonkel Henry weet ik niet of hij getrouwd en of hij kinderen had.. Wanneer hij kwam was 't meestal alleen. Nonkel Georges was gehuwd met Tante Margriet en woonde naast de spoorweg, zij hadden 1 dochter Christiane.
Ik had, zoals ik al zei, een heel goede band met mijn Grootouders, Grootmoeder Adrienne was de 2de vrouw van mijn Grootvader Jozef (langs vaders zijde) Zijn eerste vrouw en dus de moeder van mijn vader was vroeg gestorven (toen mijn vader 7 jaar was) en hij was nadien hertrouwd. Pet Jef zoals ik hem noemde was meubelmaker - schrijnwerker en wanneer ik thuis was dan verbleef ik meestal bij hen. Zij namen de tijd voor mij; met meter ging ik naar de markt, bakte ik wafels, zong ik liedjes en nog zo veel meer. Met Pet mocht ik nagels in het hout kloppen en ging ik vliegeren in de weide met zelfgemaakte vliegers. Mèt kon zingen als de beste (was in haar tijd naar de bloemenschool geweest) een soort van artistieke school avant la lettre. kon kantklossen en vertellen. Zij had haar ganse leven op fabriek gewerkt als stopster(juttezakken stoppen waar gaten in zaten) Pet Jef, had maar 1 long meer(en hoe dat gekomen is weet ik niet) en had zich een snorfiets aangeschaft om niet meer te moeten trappen op de fiets, ik mocht dan achterop zitten en dan gingen we door de velden en bij vrienden en familie op bezoek. We lachten wat af samen en er bestond toen een plaatje van Janneman: Bonpapa heette dat en dat omschreef precies mijn gevoel voor hem. "Ik heb een Pa en een Mama Maar daarbij heb ik nog een Bonpapa Hij is mijn beste kameraad, Hij weet steeds op alles weer raad. Ik ga zo graag naar mijn Bonpapa, Bonpapa. Ik ga zo graag naar mijn Bonpapa, Bonpapa Bonpapa doet alsof hij niet ziet wat mijn Papa mij altijd verbiedt Ik reis op de knie van mijn Bonpapa, Bonpapa Hij vertelt sprookjes mijn Bonpapa, Bonpapa Wij zijn de béste vrienden, ja! ik en mijn Bonpapa, Bonpapa, Bonpapa, Mijn Bonpapa"
Met oudejaar dat altijd gevierd werd bij ons thuis, dan kwamen de grootouders vieren en dan kwam ik mee met mét en pét . Ze deden het omdat ik nooit mee kon met de andere kinderen uit het dorp die het deden. Dan gingen we voor de lol zingen aan de deuren van de buren en bij ons thuis: "'t Was in die koude winterse dagen dat wij hier zijn al op onzen toer Wij komen binnen zonder te vragen Wij gaan bij burger en bij boer en wij komen maar eens in 't jaar 't Is met die dagen van 't nieuw jaar en wij wensen U al te gààr Een gelukzalig nieuwe jaar" --------------- het overlijden van mijn grootvader
De laatste keer dat ik Pet Jef gezien heb lag hij in bed, dat was ik niet gewoon van hem. Ik mocht er maar een paar tellen bij. Ik probeerde grapjes te maken maar voor het eerst in mijn leven ging hij er niet op in. Ik wist mij geen houding te geven. Ik wist intuitief dat het de laatste keer zou zijn dat ik hem zou zien. En jawel de volgende 2 weken waren om en net voordat we de kerk van Asse passeerden zei mijn moeder mij: "Er is iemand naar de hemel gegaan." Ik antwoordde Pet Jef zeker? Ja zei ze Hij was ziek. Hij was 54 jaar. en had een longontsteking opgedaan op zijn brommertje. Als we van Brussel kwamen was het de gewoonte om te gaan eten bij Met en Pet omdat het dan rond 13 uur was. En dat was nu niet anders. Pet was er niet meer en dat was even wennen. Hij maakte altijd grapjes met mij toen we aan 't eten waren zei hij soms kijk! daar! en wees naar het venster en had intussen iets van mijn bord gepikt. Hij leerde mij kaarten en kienen. Hij leerde mij vliegers plakken. Maar hij leerde mij vooral van het leven genieten. En de volgende stap was kruiswoordraadsels invullen. Dat zou hij mij nog leren, het heeft niet mogen zijn, maar ik heb het mijzelf geleerd en hij zou fier geweest zijn. En hoewel hij niet gelovig was liet hij mijn meter in haar waarde, want zij was het wèl. Hij zei altijd: Als er iets is hierboven, dat de moeite is, dan kom ik het zeggen ! Dan geef ik een teken ! ..Maaaa....aaar, we hebben hem niet meer gezien en op een teken wachten we nog!
Ach, konden we toch maar één keer opnieuw contact hebben en weten dat het hierboven goed is, dat ze daar allemaal samen zitten te wachten op ons, we zouden zoveel schrik niet hebben als onze tijd gekomen is !
In de zomer gingen we na het eten buiten zitten op een stoel om de mensen te groeten die op straat passeerden ( er was nog niet zoveel op TV te zien als nu) en de mensen praatten nog met elkaar ! Pet Jef zat dan wat hij "scarlabeen " noemde op de stoel, dat is achterste voren met zijn armen op de rugleuning en ik deed hem na natuurlijk. Het was een tijd dat iedereen een bijnaam had: de rosten, de neus, de langen, de beuze, den bok, den bïer, de krommen, de fijnen ... en zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Zo was Jeanne beirmoa (te vertalen als Jeanne mestrups) een boerin op een vuil boeren hof. De meeste mensen kenden elkaar soms enkel maar met hun bijnaam, dat was de normaalste zaak van de wereld. En het was Djeur van hier en Hoi Jef ! van ginder.
Dat was ons tijdsverdrijf toen. Met Pa en Ma ging ik soms naar de Donk (Het Donkmeer in Overmere) op zaterdagavond, dat was altijd de uitgaansdag bij ons. Dan mocht ik zondagse kleren aan. Ook wanneer Robert en Simonne langs kwamen met hun kinderen. Soms gingen we naar de "Riva" in Deurle, "De Pigalle" in Berlare, "Den Dierentuin" in Lokeren, maar eindigden soms ook wel eens met een bezoek aan de het café "het acht uren huis" in Zele zelf. Het werd uitgebaat door de zus van mijn Peter Piere. Ester en Rudolf en hun 2 grote dochters die mee de dienst uitmaakten. De 3 andere kinderen van het gezin, waarvan de middelste even oud was als ik,waren ook altijd in de buurt. Ik weet nog dat in het super vond, dat ik mee naar achter mocht, als familie zijnde, terwijl de gewone klanten in het café bleven. Het was er steeds ambiance doordat de jukebox altijd volle bak stond te spelen. En hoewel er eigenlijk niet mocht gedanst worden werd er af en toe wel eens gehuppeld op de tonen van: Jai pleuré..., Tom Pillibi..., Moustapha... Dat was de goede oude tijd nog ! En het zal wel geen toeval zijn dat het net 3 franse liedjes zijn die als eerste in mij opkomen.