Sâo Paulo deel 3


BRASIL / impressies / reisverhalen
Sâo Paulo deel 3

SÂO PAULO - DEEL 2
DE WOESTENIJ VAN SÂO PAULO DEEL1
DE WOESTENIJ VAN SÂO PAULO - PROLOOG


BEGAAFD - Machado de Assis deel 2De eigenaar aarzelde, maakte tegenwerpingen, probeerde op de lange baan te schuiven, maar aanvaarde ten slotte het schilderij, op voorwaarde dat hij het niet langer dan drie dagen ten toon zou stellen. Joâo Maria stelde daarop, in ruil, een andere voorwaarde: dat het schilderij voorzien zou worden van een kaartje met zijn naam, en de vermelding van het feit dat hij niets wist. De eerste avond, nadat het schilderij was geaccepteerd, was als de avond voor een huwelijk. De volgende ochtend, meteen na het ontbijt, haastte hij zich naar de Rua deo Ouvidor, om te zien of er al veel mensen stonden te kijken. Op dat moment was er niemand; hij liep de straat op en neer, bleef voor de deur drentelen, kijken, tot hij uiteindelijk naar binnen ging en bij de winkelbediende informeerde.
'Zijn er veel mensen geweest?'
'Een paar.'
'En kijken ze? Zeggen ze wat?'
'Kijken doen ze. Of ze ook iets zeggen, daar heb ik niet zo op gelet; maar ze kijken wel.'
'Aandachtig?'
'Ja, ze kijken wel aandachtig.'
Joâo Maria boog zich naar het kaartje, en zei de winkelbediende dat de letters groter hadden moeten zijn; vanaf de straat was het onleesbaar. En hij ging naar buiten, om te zien of hij het lezen kon; hij concludeerde van niet, de letters hadden groter moeten zijn. Ookde lichtval leek hem niet goed. Het schilderij zou dichter bij de deur moeten staan; hier echter wierp de winkelbediende tegen dat hij zich moest houden aan de orders van zijn baas. Op dat moment kwam een wat oudere heer binnen, die recht op het schilderij afliep. Joâo Maria's hart bonste zó dat het bijna uit zijn borst sprong. De bezoeker bleef enkele ogenblikken staan, bekeek het schilderij, las het kaartje, bekeek het schilderij opnieuw, en verliet de zaak. Joâo Maria had niets op zijn gezicht kunnen lezen. Er kwam nog een bezoeker, er kwamen meerdere klanten, sommigen op andere redenen, en die keken slechts in het voorbijgaan naar het schilderij, anderen werden juist daardoor aangetrokken; er waren ook die meteen terugdeinsden, als in verlegenheid. En de arme jongen las niets, maar dan ook niets, op de onaangedane gezichten.
Tot dit onderwerp, de Heilige Maagd, keerde hij herhaalde malen terug. Het doek waaraan hij nu de laatste hand legt is het zesde of zevende. De andere heeft hij meteen weggegeven; een paar heeft hij zelfs ten toon gesteld, zonder méér resultaat dan de eerste keer, want de kranten schreven er niet over. Joâo Maria kon dergelijk stilzwijgen niet anders uitleggen dan als geïntrigeer van een vroeger vriendje van een meisje waarmee hij op het punt stond te trouwen.
Niets, geen regel, geen enkel woord. Ook de winkel in de Rua do Ouvidor, waar hij zijn schilderijen mocht ten toon stellen, weigerde op zekere dag daarmee door te gaan; hij ging naar een andere zaak, in de Rua do Hospício, toen naar een in de Rua da Imperatriz, en een op het Rocio Pequeno; uiteindelijk stelde hij helemaal niets meer ten toon. En zo werd de kring van zijn ambities steeds nauwer, steeds nauwer, om zich uiteindelijk te beperken tot familieleden en kennissen.Op zijn trouwdag bedekte hij de muren van de salon met zijn werken, en verbond aldus de twee grote doelstellingen die bezighielden in het leven. En inderdaad, de mening van de genodigden was dat hij 'een heel begaafde jongeman' was. Maar ook die horizon werd enger: de tijd ontrukte hem een antal familieleden en vrienden, sommige door de dood, andere door het leven zelf, en Joâo Maria's kunst zakte steeds verder weg in de schaduw.
En daar zit hij nu tegenover zijn eeuwige Maagd; hij retoucheert de engeltjes wat, en de mantel. Het doek staat dicht bij de deur. Joâo Maria's vrouw is zojuist naar buiten gekomen, met hun zoontje; ze brengt de jongen naar een homeopatisch consulatiebereau, waar hij gratis medicijnen krijgt voor een paar wonden op zijn hoofd. Ze zegt wat tegen haar man, terwijl deze een penseelstreek op het doek aanbrengt.
'Heb je gehoord wat ik zei, Joâo Maria?'
'Wat?' vraagt hij afwezig, zijn hoofd naar achter buigend om het effect te beoordelen.
'De pan staat op het vuur; ga jij straks even kijken.'
Joâo Maria zegt 'ja', maar waarschijnlijk heeft hij nauwelijks geluisterd.
Terwijl hun zoon praat met de vier buurjongentjes die in de deuropening naar het schilderij staan te kijken, schikt de vrouw haar halsdoek. Haar gelaatstrekken tonen de sporen van veel werk en weinig eten; ze is mager en vermoeid. Ze draagt haar jurk van zwarte serge, haar uitgaansjurk, de enige die ze heeft, reeds vergeeld aan de mouwen en versleten bij de zoom. Haar stoffen schoenen hebben scheefgelopen zoolranden. Ze schikt haar halsdoek, geeft haar kind de hand, en daar gaat ze naar het consultatiebureau. Joâo Maria bijft schilderen; de jongentjes kijken stomverwonderd toe.
Letten wij eens goed op hem. Het zonlicht vult nu de steeg; de lucht is zuiver en het licht schitterend. De moeder van een van de kleintjes, die een eindje verderop woont, roept uit het raam dat hij thuis moet komen, niet te lang in de zon moet staan.
'Ik kom zo, mama! Even kijken!' En hij blijft kijken, naar het werk en van de maker. Hij gaat op de drempel zitten, de anderen gaan ook zitten, en allen blijven ze met open mond toekijken. Van tijd tot tijd zeggen ze elkaar iets in het oor, een opmerking, een vraag, welke van de engeltjes het Kindje Jezus is, of wat dat licht betekent onder de voeten van de Heilige Maagd, of alleen maar een kinderlijke uiting van bijval; maar dat alles gefluisterd, om niet de inspiratie van de kunstenaar te verstoren.
Ze praten ook over hem, maar minder, want de schepper van zo mooie en nieuwe dingen boezemt hun een bewondering in die vermengd is met verering, misschien moet ik wel zeggen met angst- in elk geval een groot gevoel van minderwaardigheid. Hij, de eeuwige Joâo Maria, wendt het gezicht niet naar de kleintjes, doet of hij ze niet ziet, maar hij voelt hun aanwezigheid, hij bespeurt hun bewondering en geniet ervan.
Een enkel woord, dat af en toe zijn oor bereikt, doet hem goed, veel goed. Hij laat het palet niet los. Wanneer hij zijn penseel niet over het doek beweegt, blijft hij stil zitten, buigt zijn hoofd naar achteren, bekijkt zijn werk een beetje van links, een beetje van rechts, met een geheimzinnige uitdrukking in zijn gespannen blik, voor de ogen van de verblufte jongetjes; dan bevochtigd hij de punt van het penseel in de verf, corrigeert een gelaatstrek of verlevend een kleur.
De pan op het vuur is hij vergeten, evenals zijn zieke zoon, die meeloopt met zijn moeder. Hij is dáár, met zijn hele wezen. Zonder nog iets te verlevendigen of te corrigeren te hebben, verlevendigt en corrigeert hij opnieuw, brengt verf op verf aan, wist uit en vult weer in, maakt hier een schouder wat ronder, of daar de stralen van een ster wat langer. Hij onderbreekt zijn werk om achterover te buigen en het te bekijken, hoofd rechts, hoofd links, hij trekt steeds vaker geheizinnige gezichten en laat ze steeds langer duren, tot steeds groter verbazing van het publiek. Want dit is de laatste, de allerlaatste horizon van zijn ambities: een steeg en vier jongetjes.
(6.9.1885)
BEGAAFD - MACHADO DE ASSIS kort verhaal in 2 delen

Machado de Assis is een van Brazilië bekentste novelisten. Hij werd geboren te Rio de Janeiro op 21 juni 1839 en stierf aldaar 29 september 1908.
In het verloop van dit blog zal ik enkele van zijn korte verhalen publiceren, die een indruk geven van Rio in deze tijdspanne. Het eerste is "Begaafd'', 1885.
De vertaling is van August Willemse.
BEGAAFD
Blijven we in deze steeg even staan. Er is hier een uitdragerij, en een stuk of twintig huisjes, die, alle te zamen, een soort geïsoleerd wereldje vormen. Vannacht heeft het geregent, en de zon heeft nog niet de modder op straat kunnen drogen, noch de lange broek die daar, pas ingezeept, uit een raam hangt. Even voorbij de broek zien we, in een vensteropening, het hoofd van een jong meisje verschijnen, dat juist haar kapsel heeft voltooid en het nu hier buiten komt laten zien; maar hier buiten zijn alleen de lezer en ik, en een jongentje dat schrijlings op de vensterbank van een ander raam zit, met zijn hakken tegen de muur slaand alsof hij een paard de sporen geeft, en nog vier jongentjes, verderop, die, in de deur van de uitdragerij, naar binnen kijken.
De winkel is klein, en heeft niet veel te koop, maar dat is van weinig belang voor de eigenaar, Joâo Maria, die zaken weet te verenigen met kunst, en zich wijdt aan het schilderen in de vrije uren die zijn andere bezigheid hem laat-en dat zijn er niet weinige. Nu, op dit moment, zit hij voor een klein doek, zo helemaal in zichzelf en in zijn werk, dat wij hem rustig kunnen gadeslaan, voordat hij ons opmerkt.
Hij is zesendertig jaar, en men kan niet zeggen dat hij lelijk is; zijn gelaatstrekken, alhoewel niet bijzonder, zijn ook niet onaantrekkelijk. Maar het leven heeft het werk van de natuur te niet gedaan. Zijn huid, zo glad als die in de eerste jaren was, is nu ruw, zijn baard warrig en onverzorgd; onder de kin, waar hij zich pleegt te scheren, is al meer dan veertien dagen geen scheermes geweest. De boord van zijn hemd staat open en laat zijn borst zien; hij draagt geen vest of colbert, en uit de opgerolde hemdsmouwen steken gespierde en behaarde armen. Zijn broek is van bruin katoen, pas gewassen en erg versteld bij de knieën: de oude stoplappen, die niet bestand zijn tegen de wasvrouw, die ze lostrekt in het water, noch tegen de naaister, die ze weer aanzet. Beiden zijn Joâo Maria's eigen vrouw, die naast deze twee beroepen ook nog de kokkin van het huisgezin is. Er zijn geen bedienden; hun zoon tussen de zes en zeven jaar, doet de boodschappen.
Joâo Maria is zo'n veertien dagen geleden in deze steeg komen wonen. Hij rekent erop dat de zaken hier wel zullen lukken, ofschoon er weinig mensen voorbijkomen; maar er is in de buurt geen andere uitdragerij, en hij hoopt dat het nieuwtje de klanten zal trekken. Trouwens hij had geen tijd om te kiezen; hij had hals over kop moeten verhuizen, vluchtend voor de dreigementen van zijn vroegere huisbaas. Hier is de huur althans redelijk. Tot nu toe echter heeft hij niet meer verkocht dan een buffet en een vogelkooi van ijzerdraad. Het doet er niet toe; de eerste tijden zijn altijd het moeilijkst. Joâo Maria wacht af, en ondertussen schildert hij.
Wat schildert hij, en waarvoor? Joâo Maria weet absoluut niets van de rudimenten van de tekenkunst, maar reeds op jeugdige leeftijd vatte hij de gewoonte op alles na te tekenen wat hem in handen viel, krantevignetten, speelkaarten, patronen van stoffen en behangselpapier, van alles. Ook maakte hij poppen uit klei, of hij sneed ze met een mes uit het hout van planken en kisten. Op een dag geviel het dat hij naar de jaarlijkse tentoonstelling ging van de Academie van Schone Kunsten, en daar kwam hij vandaan vol plannen en ambities. Hij zette meteen een moordtafareel in elkaar, een graaf die een andere graaf doodde; objectief gezien leek het of de een de ander een dolk aanbood. Hij verbeeldde nog andere scénes, overdekte muren thuis met neuzen, ogen en oren; toen hij in de Rua da Quitanda een schilderij zag dat een bord met groente voorstelde, wierp hij zich op groenten; daarna zag hij een zeegezicht en werden het zeegezichten.
Elke kunst heeft haar techniek; hij verafschuwde techniek, had een hekel aan scholing, aan de elementaire kennis der dingen. Een koe zien, die weergeven op het doek, dat was alles wat men, naar zijn mening, mocht eisen van de kunstenaar. De juiste kleur vinden was een kwestie van de ogen, die God aan alle mensen heeft gegeven; en zo hing ook de nauwkeurigheid van omtrekken en houdingen af van aandachtig kijken, en verder niets. De rest moest men overlaten aan het genie van de kunstenaar, en Joâo Maria veronderstelde dit te bezitten. Hij zei niet 'genie', omdat hij dat woord in die betekenis niet kende, maar herhaalde bij zichzelf het woord dat hij van kinsbeen af familieleden en vrienden had horen zeggen: 'Joâo Maria is heel begaafd.'
Zo wordt verklaard dat, toen iemand zijn vader op een dag aanried hem naar de academie te sturen, en zijn vader erin toestemde hem uit huis te laten gaan, Joâo Maria halsstarrig weigerde. En zo ook kwam het dat hij, na diverse ambachten te hebben beproeft en zich geen enkel te hebben eigen gemaakt, een uitdragerij opende, wat geen voorafgaande studie eiste.
Hij leerde niets, noch bezat hij het talent dat doorziet en dwingt tot leren en creëren. Had hij dan althans zoiets als de goddelijke vonk? Niets dat erop leek. Hij had slechts doorzettingsvermogen, vrucht van een verlangen dat niet overeenkwam met zijn vermogens. Hij was er voor de aardigheid mee begonnen, kreeg het etiket 'begaafd' opgeplakt, en kon toen niet meer terug. Hij hoefde maar een schilderij te zien of zijn ogen begonnen te vonken, hij trommelde de ambities uit zijn jeugd op, en ze kwamen, allemaal tegelijk, door elkaar, grepen hem en tilden hem naar een roem waarvan de voorstelling alleen al hem verblindde. En dan volgde er een nieuwe poging, gestimuleerd door het lof van vroegere pogingen, zoals zich bij de natuurlijke onstuimigheid van het paard de prikkel van de sporen voegt.
Zie het doek dat hij nu schildert, in de deuropening; het is een Heilige Maagd, gekopieerd van een andere, die hij een keer gezien heeft, en dit is de zesde of de zevende waaraan hij werkt.
Op bezoek bij zijn peetmoeder, weduwe van een kapitein die gesneuveld is bij Monte Caseros (veldslag in 1852 waarbij de Argentijnse dictator Rosas werd verslagen door een alliantie van Braziliaanse en Uruguayaanse troepen en Argentijnse opstandelingen. noot Wayn), zag hij op zekere dag een Maagd, in olieverf. Tot dan toe kende hij heiligen slechts als bidprent in de kerk of, bij hem thuis, als gravure in een lijstje. Hij was verrukt: zo mooi! zulke heldere kleuren! Hij wilde de afbeelding in zijn geheugen prenten, maar zijn peetmoeder leende hem het schilderij. De eerste kopie die hij maakte was niet helemaal naar wens; maar de tweede leek hem minstens zo goed als het origineel. Zijn moeder echter vroeg hem deze voor haar bidschrijn, en Joâo Maria, die het meer ging om de bijval van de mensen dan om de zegen uit de hemel, kreeg een lange en smartelijke tweestrijd te verwerken; uiteindelijk zwichtte hij. En dit zij gezegd ter ere van zijn moederliefde, want dona Ináncia dos Anjos had zo weinig benul van kunst dat ze hem nooit had toegestaan in de salon een bepaalde gravure te hangen, kopie van Hamon, die hij voor iets meer dan drie milreis (in die tijd gerekend 30 gulden, noot Wayn) gekocht had in de Rua de Carioca. Daarop was een oud Grieks gezin afgebeeld, een jongen die thuiskomt met een vogel die hij heeft gevangen, en een meisje dat met haar hemd haar oudere zusje verbergt, om te zeggen dat ze niet thuis is. De mooie Griekse benen van de nog baardeloze jongeman zijn bloot.
"O nee! Niks van die schaamteloze Françaises hier! " kreet dona Ináncia; en haar zoon was niet zo goed of hij moest de gravure meenemen naar zijn slaapkamertje, waar geen licht was.
Joâo Maria stond de Maagd af, en schilderde een andere; het was de derde, binnen luttele dagen voltooid. Het kwam hem voor zijn beste werkstuk te zijn: hij besloot het ten toon te stellen en ging ermme naar een spiegel- en prentenhandel in de Rua do Ouvidor....
wordt vervolgd....
DE OUWE HUILT ALS EN KIND -SLOT
De Ouwe huilt als een kind - kort verhaal Wayn
FOTO'S VAN LEVI-STRAUSS BRAZIL 1938









Aanval op Makuxi Indianen in RORAIMA

KOSMOS, HET VUILNISBAKKENRAS deel 3

KOSMOS, HET VUILNISBAKKENRAS deel 2

Hondenleven: KOSMOS, HET VUILNISBAKKENRAS deel 1

IMANJÁ MINHA MAI (Imanjá mijn moeder-mother)


XANGÔ - MEU PAI ( Xangô mijn vader-father)


KUNST?


VARGAS RAPOSO'S ZELFZUCHTIGE BESCHOUWING TEGEN JOURNALIST PEDRO JUCA SLOTJournalist Pedro Juca: 'Maar zou verdeling van het kapitaal niet een betere manier zijn om de ellende in de wereld op te lossen? In Brazilië zowel als in de hele wereld? Verdeling van kapitaal dat de corrupte regering in verhandeld en in aandelen weet te stoppen, het grootgondbezit! Weet u senhor Raposo dat er miljoenen creperen in ons land?'
Raposo: '... amigo, mijn beste reportervriend... oplossen is een onsmakelijk woord! De wereld wordt nu eenmaal bestuurd door de sterkste, de heerschappij, mensen met hersenen, anderen, laat ik stellen de simpele, waar jij kennelijk ook onder valt... zal moeten zwoegen of bedelen! Het zal mij trouwens een worst wezen! Ik moet verdienen en ik zál verdienen! Nu en morgen!'
Raposo schreeuwt op iemand, een zekere Taylor, een dikke vierkante Aziaat, die uit een nis tevoorschijn komt met één hand hand op zijn heup, op de kolf van zijn revolver. "Taylor doe mij een plezier en gooit die idioot eruit!' zegt hij tegen de vleesklomp.
Journalist Juca staat traag op en maant de Chinees tot kalmte, hij zou wel op eigen kracht het pompeuze huis verlaten van de despoot en zijn verhaal zal binnenkort verschijnen. Kort en krachtig. De wereld was rot. Zo rot als een stinkend kreng! Buiten kijkt Juca naar het grote gebouw waar de reuzelachtige plutocraat woont, ver weg van de warme bossen van Amazonas, ver weg van de de halfIndiaan, die hij laat zwoegen en de bomen omhalen voor een hongerloon en als het moet de daar levende Indiaan laat doden. Neen, zijn huis ligt hier in de aangename bergen van het pijpengebergte nabij Rio de Janeiro, daar waar meer als een eeuw geleden, toen Brazilië nog een keizerrijk was, de keizer en zijn hele hof in de hete zomers naar toe trok, om de ziektes in het moerassige Rio te vermijden, weg van de armzalige negers, die zieltoogden in hun hutten.
Blaffende bloedhonden begeleiden Juca naar de poort waar de 'enter' is. Het heeft iets weg van 'Graceland' in Memphis, maar met dit verschil dat de bewoner daar een wegkwijnende zanger was geweest, die de mensheid goed bedeelde. Rijkdom? Wat is gerechtigheid? Hoe, in godsnaam is het mogelijk dat dit kan blijven vestaan? Doch ligt het alles wel alléén bij de grootkapitalist? En Juca denkt na: Neen, er is meer. De afnemers van het hout zijn misschien nog grotere kapitalisten. En de rijke Europeese landen hebben koeienstront in hun ogen en kwallen in hun hersenen. Ja dat denkt Juca. Zij die hun product verkopen zonder schaamte, gedrengt in het bloed van de arme sloeber. En de consument? Die koop gewoon door. De regeringen? Een en al corruptie! Het zal nooit stoppen, de wouden gaan kapot! Hoe lang nog? 50 jaar? En wat is er met Chico of Zé, die voor een karig maal de woudreuzen moet doden? Huilen zijn kinderen niet? ja! Zij huilen amazonetranen, die doorschijnen in het mooie hout, die als meubelstukken terecht komen in den kamers van de rijken. Kan het misschien toch iemand schelen? ja, Juca weet dat er humane mensen zijn. 'Klote wereld! verdomde rot wereld!' denkt Juca en spuugt nogmaals tegen de muur van het paleis in Teresópolis.
fim
VARGAS RAPOSO'S ZELFZUCHTIGE BESCHOUWING CONTRA JOURNALIST PEDRO JUCA deel 2'corruptie,' zegt Juca: '...is het sleutelwoord en wie is corrupt als het om macht gaat? U weet senhor Raposo, dat wat hier verdwijnt, gebeurt met toestemming van de regering. Ik weet uit betrouwbare bron dat er bedrijven zijn die bommen geld krijgen om te herplanten. Dat geld verdwijnt in eigen zakken en het braziliaans instituut van milieu controleert niets! Het zijn zakkenvullers... u hoort hier niet bij senhor?' De grootgrondbezitter wordt pisnijdig: 'Nondesju! U wilt mij beschuldigen van zaken die nog deel, nog part hebben op mijn handelen!' en zijn stierennek begint te zwellen. 'Het is maar een vraag,' en Juca bijt zich op zijn onderlip. 'Een ander onderwerp senhor... u verklaarde onlangs dat u stevig in de veehandel zit. Dat het vlees van deze runderen ook naar de u.s.a wordt geéxporteerd?' 'Kan zo zijn!,' en de man lacht opnieuw balorig. Juca: 'Ik weet ook senhor dat de veeteelt in Amazonia zo goed als niets opbrengt in verhouding met bijvoorbeeld voedselgewassen?' Raposo: 'En hoe komt u daarbij? Waar haalt u die onzin vandaan?' Juca:'Het is geen onzin! Ik heb gegevens, dat het grasland waar de runderen op staan maar 7% van het jaarinkomen bedraagt van wat de grond zou hebben opgebrecht door het planten van paranotenbomen of maniok, ben u hiervan op de hoogte?' Raposo lacht nerveus en voelt dat hij in de tang zit:'Ik weet wat mijn cijfers zijn en wat het de regering opbrengt, en Brazilië! Het is in het belang van het land! en hij probeert zijn geagiteerdheid te verbergen. Juca: 'Verder vernam ik dat men tegenwoordig zelfs rundvlees importeerd naar het Amazonegebied, daar er voor het amazonevlees zelf een angst is ontstaan voor ziektes en mede hierdoor zo goed als geen export meer is naar de Verenigde Staten... is dit correct senhor?' 'Merda (shit) Senhor... ons gesprek loopt ten einde,' antwoord de nu nijdige Raposo. Maar Juca hakt door als met een zeis der door in een onkruidveld. 'Tevens weet u ook dat ú draait op regeringssubsidie? En dat de stijgende waarde van kaalgeslagen grond goed is voor de verkoop? Is het niet senhor Raposo?' 'U zit er flink naast,' zegt de dikke man met een moordenaarstrilling in zijn stem. 'U lult maar wat uit u nek! Schrijf dit ook maar in uw artikel, het is niets anders dan communistengelul, kletskoek vanuit Cuba of Costa Rica!' Juca: 'Maar u hebt toch wel enig begripvoor de situatie? De vernietiging van de bossen, de bevolking? En hoe ziet de toekomst van uw kleinkinderen er uit senhor?' Raposo:' Naar de verdoemenis met je vragen... je bent een communistische hoerenloper! Een rode teek! Krijg de vlektyfus! Mijn kleinkinderen? Die zullen het wel uitpluizen. Ik leef vandaag en wie morgen leeft, die morgen zorgt! Basta! De kinderen zullen trouwens alles erven, zie je, het is een spel Juca, een spel! Brazilië is een land van uitersten en corruptie... je moet vechten om te overleven! Er bestaat geen andere weg! Diegene die te idioot is om zijn eigen bonenpot te bereiden moet maar zien hoe hij aan zout komt! Ik bekijk het van mijn kant, en dat is de goede!'
wordt vervolgd...
VARGAS RAPOSO'S ZELFZUCHTIGE BESCHOUWING TEGEN JOURNALIST PEDRO JUCA kort verhaal van STORYTELLER DEEL 1'Wat kan mij het verdomme"!' schreeuwt de kortzichtige grootgrondbezitter Varga Raposo. Hij is eigenaar van grote stukken grond in het Amazonegebied, dat bestemd is voor veetelt en houtkap. Hij verdiend er miljoenen dollars mee en heeft goede contacten met buitenlandse firma's en laat er lustig op los kappen. Hout is geld. Andere stukken grond steekt hij in de fik en moet dienen voor de niet rendabele veeteelt. De journalist van een milieublad Pedro Juca, die bij uitzondering hem mag interviewen, is vol met vragen en goed voorbereid op zijn taak. Zijn schrijftrantplicht vervullend valt hij aan: 'Senhor, ik wil het eerst met u hebben over het geweldige houttransport, speciaal over mahoniehout. U handelt met een Deense firma, die het hout weer doorverkoopt aan Frankrijk, Amerika en Engeland... dat wel de grootste afnemer blijkt te zijn van hardhout, of zie ik dit verkeerd?' 'U bent goed ingelicht senhor Juca, maar deze bewering klopt niet, het is een hersenschim en ik bevestig niets.' De corpulente Raposo lacht cynisch zodat zijn ogen lijken te glunderen als die van een hagedis: 'Ziet u, ik heb niks te verbergen. Ik ben nota bene op uw verzoek om een gesprek ingegaan, en het moet een eer voor u zijn mij te mógen ondervragen, dus moet u mij wel christelijke vragen stellen, begrijpt u?' 'Dus de cijfers kloppen niet? Net zoals men de bomen kapt of uit de grond trekt met kettingen en bulldozers, zodat er in een omtrek van één hectare meer dan de helft van het bladerdak wordt vernietigd en andere boomsoorten vernietigd worden door diezelfde kettingen? Bomen die gewoon worden achtergelaten om te verotten, omdat er alleen maar oog is voor het mahonie? Is dat een leugen? En de gebieden waar Indianen en caboclos leven, wat gebeurd er met deze mensen?' Er verschijnt een galns rond de ogen van Juca. Raposo:'Wat krijgen we nou! Zou ík dit moeten verantwoorden! Mijn mensen werken degelijk! Er is vraag naar hout vanuit het buitenland, dat zijn de dealers! Zij ontrekken Brazilië aan alle grondstoffen, die overzee verfijnd worden! Alleen een klein gedeelte van de grondstoffen stroomt terug naar Brazilië tegen afwijkende prijzen! Nondesju! U zult wel ooit gehoord hebben van 'Calha Norte'', is het niet! (betekend 'noordelijk kanaal' en is van toepassing op een gebied in noord- Amazonas vanwaar ruwe ijzererts naar Europa wordt getransporteerd) In Europa stellen de milieubeschermers, de luizenpoten, dat Brazilié de vervuiler is, de verwoester, maar ze moeten hun eigen kloten wassen! De gringo's lopen met hun neus in de lucht! Maar wat deert het hun? De zakken van de kapitalisten zijn goed gevuld! Breek me mijn bek niet open senhor Juca! En wat de mensen in bepaalde gebieden aangaat, die... komen wij tegemoet!' Nu had reporter Juca hier op gespeculeerd, gegokt dat Vargas Raposo zich te buiten ging, zichzelf zou blootleggen, maar denkt de eerzuchtige journalist: in het zojuist gestelde had Raposo gelijk. Verdomme! De Braziliaanse regering zou dit gemakzuchtkapitaal van de gringolanden aan banden moeten leggen en controleren. Het imperialisme is als een rotte houtworm voor ons land en niet alleen Brazilié, nee, voor heel zuid-Amerika. En de regering? Maar zo naïef was journalist Juca nu ook weer niet. De importeur dan, neen, er is teveel geld mee bemoeid. Ze zouden moeten luisteren naar de stelling van de indiaan, rubbertapper, mensen met ervaring in het duurzaam beheren van de natuur.
wordt vervolgd....
PROVÉRBIO de Storyteller (Spreekwoord van Storyteller)A dúvida é a corrente da Alma -
Doubt is the chain of the soul -
Zweifel ist der kette der seele -
Tvivel ärr kedja av soulen -
Twijfel is de keten van de ziel -
WAYN 