Naar de inhoud

BRASIL / impressies / reisverhalen

Op zoek naar de Ware Ziel van Brazilië - Het alternatief
akke.beakke.be

Archief

Fantastisch verhaal in 2 delen: SURREALISTISCHE DROOM VAN EUCLIDES Deel 1

Euclides loopt door 'Carioca straat', gelegen tussen het Largo de Carioca en Praça Tiradentes in het centrum van Rio.
De Rua carioca is een oude straat, die ooit de romantische sfeer uitstraalde van het oude Rio.
Nu is de straat aangetast door de tijd, maar de oude bovenpanden met hun blauwe of groene uitklapbare ramen zijn er nog steeds.
Net als in de tijd dat Machado de Assis, de schrijver, hier ronddwaalde en inspiratie opdeed voor zijn boeken.
In het midden van de straat bevindt zich een oud roseachtig gebouw met de naam 'Iris', dat nu omgetoverd is tot een scrabieus sekspaleis, waar striptease-voorstellingen en andere intieme aangelegeheden plaatsvinden. Een mooie ijzeren slingertrap leid de bewonderaar naar boven. Dit zijn veelal oudere mannen, die amper in staat zijn om hun vermoeide benen van de vloer te krijgen.
Doch ook Euclides bestijgd de opgang, meer uit nieuwsgierigheid, want hij wilde al sinds lang het erotische-tabernakel bezoeken.
Nu had hij het lef.
Erotiek denkt hij en wordt warm van binnen.
Boven aan de trap loopt hij onverwachts tegen een oude vrouw aan. Ze glimlacht geil naar hem en vraagt hem haar te volgen.
Euclides twijfelt, maar zijn instinct laat hem voortgaan. Ze zegt dat ze Gloxinia heet en drieëntachtig jaar oud is.
Ze neemt hem mee naar een klein kamertje vol met geurige bloemen en planten, waar aan de muur oude foto's hangen uit een periode dat Rio in bloei was, in de jaren twintig van de vorige eeuw.
Verder enkele beeldjes van katholieke heiligen zoals Antonius van Padua, Pedro en Joâo of Ana, de onze lieve vrouw van het licht.
Verder zijn er enkele macumba-beeldjes, dat van Ogun, god van de oorlog, die analoog blijkt te zijn van de heilige Antonius. Maar ook Xanapan, de parallel van de heilige lazarus, de god van de pokken.
Gloxinia is negerin.
Mooi zwart met een lichtblauwe schijn over haar wangen, en ondanks haar leeftijd een schoonheid. Haar blauwe jurk siert haar iets voorovergebogen bovenlichaam.
Wat ze met dit sensuele gedoe van doen heeft blijft hem onduidelijk, ook daar hij het haar niet durft te vragen.
Ze geurt naar een sterk parfum, penetrant, zelfs iets muf, zoals een grote vogelspin in onbinding, maar dan met het tegenovergestelde oogmerk, om de man zijn prikkelende lust op te wekken.
Euclides is als versteend.
Zijn pik zwelt als een ruimtependel.
Zijn bloed stroomt als de onbedwingbare Amazonasrivier.
Zijn hersenen werken als miljoenen impulsen die een harmonie zoeken.
Dan zegt zij zacht maar helder: '... ben je hier voor de erotiek? Je wellust zou bij je vrouw moeten zijn. Je vrouw, versta je, je bent een gelukkig iemand, waarom kom je dan naar hier? Wil je bloot zien? Kijk...' en ze scheurt geil haar blouse open en twee kleine borsten ontspringen, wonderlijk als die van een vijftienjarige maagd.
'Wil je meer zien, kijk...' en ze ontdoet zich van haar verdere kleding, haar jarratels en zwarte zijde kousen en haar slip.
Ze blijft een schoonheid. Alleen haar iets gekromde rug doet vreemd aan. Ze steekt haar hand tussen zijn benen, streelt de gezwollen roede en fluistert in zijn oor: '... ik ben niet echt... ik ben een surrealistische droom...'
Euclides krijgt een hazenhart, wordt een schijtluis en zijn piemel stort als een spaceshuttle in elkaar als door een explosie.
Hij rent naar de deur, de kamer uit, trap af, straat op en loopt bijna pardoes onder een bus.
Hij wordt de onrust zelf.
Enkele blokken verder loopt hij een dranktent binnen en drinkt enkele pinga's. Zijn hart bonkt, verdomme! De oude vrouw blijft door zijn gedachten spoken.
Wie was ze?
Hij sloeg zich tegen ziijn kop, neen, hij droomde niet. Hij besteld nog een jenever en vind zijn moed weer.
Hij gaat terug.
Hij wil haar weerzien.
Hij zal haar liefhebben.
Wie was deze vrouw, zo oud en lief?
Waar is hij bang voor geweest?
Toch twijfelt hij bij de ingang.
Betaald opnieuw voor een strip-show terwijl de man achter het loket hem bizar aanstaart en zijn hoofd schud. Onzeker loopt Euclides de trap op. Maar de oude schoonheid is er niet meer.
Hij vraagt een bediende:'... ja... Gloxinia is haar naam...'
De man lacht en zegt dat dit zeker een vergissing moet zijn.
Misschien is hij wel bezopen?
Euclides zoekt het kamertje en vindt het.
Hij beukt op de deur en een jong hoertje opent.
Ze is misschien twintig.
Euclides kijkt haar aan. Ze lijkt verrekt veel op de oude vrouw, alleen de jaren spelen parten.
'Wat wil je... neuken?' vraagt ze geil.
'Neen... uh... ik zoek Gloxinia... ken je haar?'
De jonge vrouw glimlacht: 'Gloxinia? Neen, hier werkt niemand met die naam, maar...'
Ja... ik heb haar gezien... verdomme, een uurtje geleden, zij...' en hij voelt zich slap worden.
Het meisje kijkt hem verwonderd aan: ' Weet je dit zeker?'
'Ja, ik ontmoette haar hier in dit kamertje... een uur geleden... een bejaarde vrouw... ze ontdeed zich van haar kleren... verdomme waar is ze! Hou me niet voor de gek!'
Het meisje wordt bang.
Euclides begint harder te schreeuwen.
De macho, die als uitsmijter optreed pakt hem stevig aan, sleurt hem de trap af en smijt hem uit het gebouw.
Buiten rent hij de drukke carioca-straat over. Mensen kijken hem na en weer moet een autobus uit volle macht remmen.
Zijn ogen rollen als twee knikkers en hij voelt weer die angst.
Het zweet breek hem uit en het lijkt dat Euclides paranoia begint te worden.

wordt vervolgd....:evil:

Hoe vind je dit bericht? 6 stemmen
Geschreven door Storyteller om 18:05 Reageer op dit bericht

Padre Tum: Het zuiden van Brazilië - deel 4 PIRITUBA

Terug in Caçador werd besloten af te reizen naar het plaatsje Pirituba, 200 kilometer zuidelijk van Caçador. De pater zou naar een retraite van de orde gaan, die zou plaatsvinden in het klooster in de stad stad, en zou later afreizen naar Pirituba. Dit klooster was onderhevig aan een overdreven luxe. Er woonden negen paters/broeders in het complex waar men een hondertal families kon huisvesten. Ik hield mijn mond maar.
Dus ging in samen met Ofrir en zijn vrouw Anita in een oud volkswagentje op weg naar Pirituba, naar het boshuis van Ofrir, daar waar ik vijf dagen liep te dwalen tussen de bomen als een bioloog. Ik zag de reuzenhagedissen, slangen en vlinders en het leek of ik gesprekken aanging met kabouters, die mee aankeken als een van hun.
Ik zat  opgeloten en had enkele malen de neiging een bus te nemen en te vertrekken.
Doch de mensen bedoelden het goed en we gingen iedere dag wel even naar het thermisch bad in de buurt. Daar lagen witte lijven van de ooit-immigranten des zuidens in het warme water, dit goed was tegen de reumatiek.
Ik zag de Duitse stijlhuisjes tegen de heuvels en in de avond werd ik ik als ware overrompeld door een 'lederhosen' orkest, want het bleek carnaval wat ze daar 'kerp' noemden. Verdomme er gebeurde iets binnenin me en ik dacht aan Rio de Janeiro. Ik was gevuld met 'saudade', de weemoed naar het broeierige Rio, waar de mulatinnen je aankeken als vurige tijgerinnen.
Verdomme!

De derde dag regend het flink en ik zat nu helemaal opgesloten in de houten hut. Ik filosofeerde en speelde liedjes op een oude gitaar, meestal de blues.
Ik dacht aan de schittering van de bossen, de koude wintertijd rond juli als de mensen met hun 'carvâo' hun huisjes verwarmden, en in de avond aan tafel zaten en kaart speelden, als de temperatuur daalde naar het vriespunt.
De dag nadien ging ik met Ofrir, een rustige man, naar een soort 'brennerrei', het was een schuur waar illegale jenever werd gestookt door een derde generatie Duitser. In de schuur bevonden zich twee grote distileerketels en hij liet mij proeven van de zwarte en witte 'schnaps'. De jenever smaakte uitstekend, moet ik toegeven. Naast de schuur was een omvangrijke varkensfokkerij waar langwerperige varkens rondliepen. De ouwe man voor het huis sprak mij aan met de woorden: ' du häbben kaneten..., hij bedoelde, dat ik wel geld zou bezitten als blanke Hollander. Hij lachtte en zei verder dat het goed vertoeven was in Santa Catarina. Kon ik me voorstellen. Bij afscheid zei hij nog: ' Gruss Gott..' en ik dacht aan de lippen van mijn geliefde in een andere wereld dan die van de ellipsvormige gemanipuleerde varkens en Duitse heimat-orkesten.

Die nacht, gelegen op het boshuis-bed, scheten latend door de bruine bonensoep en spaghetti die Ofrir's vrouw ieder avond bereidde, vlogen de vleermuizen door de openstaande ramen langs me heen. Mijn oom kwam niet opdagen en ik werd enigzins onhandelbaar. Waar was Tum verdomme! Ik wist dat hij liever hier geweest zou zijn  tussen de dennen, pinheiros, zonnebloemen, limoenbomen en de duizenden kleurige vogels, het geluid van de rivier en een goede jenever. Neen, hij zat opgesloten tussen de muren van een klooster. Een priesterleven had lasten die hij soms moeilijk kon plaatsen, want diep in zijn hart was hij een natuurvorser, laat ik zeggen: een archeologische monnik. :evil:
Hij was vaak balsturig en zaken als 'de biecht afnemen' vond hij ook maar een 'must'. Hij deed zich vaak voor als een halve-heilige, maar het was spel, hij was niet dé 'padre', die de mensen dachten dat hij was.
Hij was een hulpverlener, ja, maar de mensen zagen dit niet zo. Daarom luisterde ik graag naar zijn verhalen en analyses, niet uit de mond van een geestelijke, maar des te meer uit het hart van een mens. Ik zie hem nog steeds, als was hij een zendeling der Noormannen schreeuwen bij de watervallen van Foz de Iguaçu, om boven het geweldig geluid van het vallend water uit te komen. Dan schreeuwde hij in mijn micro-cassette recorder: '... hier was de plaats waar de Vikingen zich verzamelden...op hun tochten door het land...! Hier bij de watervallen van Foz de Iguaçu!' En ze waren zeker in Santa Catarina geweest, getuigen zijn de stenen die hij vond in de buurt van Caçador, waar Noorse gezichten me aankeken. We zouden ten slotte de dag erop terugkeren naar Caçador en nogmaals dwaalde ik door de bossen, hier waar de geesten van de Xocleng en Kaingang stammen ronddwaalden. Het subtropisch paradijs van zuidelijk Brazilië met zijn ontelbare 'pinheiro's' en boomvarens, waar papegaaien, havikadelaars, reuzeotters, gordeldieren, pampa-herten, reuze-miereneters en zelf de Braziliaanse manenwolf nog rondzwierf, en ik dacht, net als Kon-Tiki, de zonnegod: Por favor! Laat een profeet opstaan die het uitsterven van dit alles kan verhoeden. En moge die 'profeet' Tum zijn, in zijn volgend leven.

Fim
Later zal ik op het 'blog' terugkomen over de Vikingen-stelling van de pater.


Pinheiros van Santa Catarina  foto geleend van Br.archief
20004-86474bb8c767b39620e70676b0cc8a3c.jpg

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Storyteller om 00:00 Reageer op dit bericht

FOTO toevoeging aan HET MESSIANISME

:cry: Strijders van de 'Guerra Contestado' 1912-1916 SANTA CATARINA    foto Braziliaans archief
19265-77dd30e7b3658924f16709e5c6bbb46e.jpg

(Messias) Joâo Maria en drie nonnen  foto geleend van Braz. archief
19265-fb85079e2a22de35832a8b008a2c033a.jpg

VIVA Padre Thomas! :!:
Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door Storyteller om 18:45 Reageer op dit bericht

Padre Tum: Het zuiden van Brazilië 3 HET MESSIANISME

de profeet Joâo Maria   foto archief














De bossen van Santa Catarina waren, nu in de zomer, een kalmeringsmiddel, en ik dacht weer aan de verhalen van mijn oom over de kracht van de profeten die hier ronddwaalden. Het was één van zijn geliefde onderwerpen: het Messianisme, waar de mens, gedreven door armoede en verlichting op zoek ging naar zijn ziel.
Ze volgen iemand die hen voortdraagt op spirituele vleugels, die hen zal leiden naar een utopisch land.
In 1895 was het Joâo Maria, die als leek werd gezonden van uit de hemel. Toen hij 60 was had deze man een droom waarin hij zijn bestemming zag: hij moest 14 jaar ronddwalen, zonder huis om te slapen, en zonder vlees te eten op woensdag, vrijdag en zaterdag. Zo ging de profeet als een tweede Methusalem door de bossen van St. Catarina, werd geëerd waar hij voorbij kwam, vond  eten, doopte kinden, maakte zieken beter door gebed en kruiden en zegende het water.
Bovendien kondigde hij aan dat de wereld op het einde was en de mensheid moest boeten.
Hij stierf echter voor zijn 14 zwerfjaren ten einde waren.
Niemand weet waar hij begraven is of waar hij vandaan  kwam, doch men ziet zijn beeltenis aan de vele houten kamerwanden in Santa Catarina, en er is geen inlander die op reis ging of een koop afsloot, zonder eerst tot de profeet gebeden te hebben.

Dan kwam in 1910 een nieuwe profeet uit het niets: José Maria.
Hij was een fanaticus met een grimmigere aanpak dan zijn voorganger en een hardere visie. Hij zei een broer te zijn van Joâo Maria, hoewel zijn huidskleur dit niet deed vermoeden.
Hij was een deserteur van de militaire politie van Paraná en leefde in de dichte bossen waar hij zijn gemoedstoestand uitleefde op de nieuwe stichting van een keizerrijk.
Dit was nog niet zolang verdwenen in Brazilië en de bevolking scheen er naar te verlangen, want was het niet veel beter in de tijd van de keizer?
Hij verzamelde een leger en vertelde zijn manschappen met trots en dynamiek uit het boek 'Karel de Grote en de 12 paren'. De mannen luisterden gretig naar de avonturen van de ridders van de graal, hun heldendaden en roem, dat allemaal kwam vanuit een 'oude wereld'.
Was dat alles niet vreemd?
Men ging leven in navolging van het leger van Karel de Grote, bouwde een legerkamp met kruisen en een kapel in het midden.
De monnik José Maria had hun in zijn macht, de mannen waren gemanipuleerd, een magistrale kracht. Toen viel hij met zijn leger aan: de steden Lages en Curitiba. Maar hij vond zo veel tegenstand dat hij met zijn 'zogenaamde ridders' uitweek naar Paraná.
Daar dacht men van doen te hebben met een aanval op Paraná vanuit Santa Catarina en stuurde 400 soldaten er op af.
Hier vond een slagveld plaatst, de idioterie van oorlog en gemanipuleerde geesten, van beide zijden.
Er sneuvelden velen soldaten, maar ook freaks waaronder José Maria.

Hij werd opgevolgd door andere 'predikers' en het duurde tot 1916 ( guerra Contestado) voor er een einde kwam aan de opstanden toen het leger een gigantische troepenmacht zond en de rebellen insloten, velen vochten als maanwolven, doch stierven, anderen vluchten de bossen in. Hun lot was onzeker en bizar.
Maar de oorzaak had een dieper reden als het puur volgen van een'psyche-monnik'.
Het was de armoede, de ongerechtigheid, het grootgrondbezit en de regering, die hun ultiem van hun grond dreef ten bate van b.v de Amerikaanse houtkapmagnaat 'Lumber co.', en de 'Brazili railway', die van de regering grote concessies hadden gekregen.
De kapitalistische vlag stond voorop en hierdoor was de sociale onrust onverbloemd. Het volk stond in haar recht, want zij waren de verstotenen van hun land, verjaagd en bandeloos. Dan werd de 'messias' even vergeten en vochten zij als outlaws tegen een corrpt systeem, en hun witte vlag was getekend met een kruis op een groen veld, het symbool voor vrijheid, geloof en grond voor het volk.
In Santa Catarina wordt nog steeds gesproken over die periode en de kracht en denkwijze van de 'diehards' zal voortgaan.
Duidelijk is dat een arm, onderdrukt volk, verlangt naar een Messias, goed of kwaad wils, buiten dit is een 'arm' volk snel te manipuleren.
Het moet een leer wezen voor de onderdrukkers, doch ook binnen het 'heiland-volgers-systeem' moet men er in geloven, in een revolutie met een toekomst.

wordt vevolgd...

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Storyteller om 17:44 Reageer op dit bericht

Padre Tum: SANTA CATARINA het zuiden van Brazilië deel 2

We reisden af naar Matos Costa. Voordien werden we nog door een kennis van Tum, een zekere Borba, van Duitse komaf, door de stad gereden in een afgedankte ziekenwagen.
De man was fotograaf, maar in de vestibule van zijn huis stond het vol met doodskisten, daar hij  tevens begrafenisondernemer was.
Zijn vrouw was een dikke blanke vrouw van Slavische komaf, die me erop wees, toen ik haar zei dat de mulata's in Rio me wel aanspraken, dat ik beter een blanke vrouw kon zoeken.
Ze had twee dochters waarvan eentje helblond.
Aha!
"... die zwarte vrouwen zijn niet goed voor je Antonio, zo noemen sommige me in Brazil, ze werken niet graag en vooral die van Rio... die liever dansen... en..."
Verdomme... discriminatie?
In deze regionen zag men ook verdomd weinig negers en die er waren, waren overgeleverd aan de moderne slavenarbeid.
De man, Borba zei: "... drinke bier Antonio? Gut.. gut, drinke bier!"
Ja, dat moet hij geleerd hebben van zijn voorouders en gaf ons grote flessen bier met namen als 'Kaiser', 'Antartica' of 'Skol' en zette op een oude draaitafel tirolermuziek op. Mijn hoofd begon te draaien, want ik moest wel verdwaald zijn.
Nondesju, ik was toch in Brazilië?

In Matos Costa werd Tum door de mensen omhelst, een teruggekeerde verloren filantroop. Hier in dit 1000 meter hoog gelegen plaatsje werkte hij velen jaren. Hij vertelde me eens dat tijdens de mis een familieruzie werd beslecht en de kogels letterlijk langs de wijnkelk  en tabernakel vlogen en dit alles onder God' s ogen.
Of die keer dat hij me vol ironie, zoals hij was, vertelde dat bij een begrafenis een famililid, die zo dronken was van zelfgestookte jenever, mede in de kuil donderde, en hij hem óók maar de zegen gaf.
Hier reisde hij teinduizenden kilometers met zijn oude jeep om de ver uit elkaar gelegen parochies te bezoeken, in het land waar de zon onder gaat als een parel en de reuk der bossen hem deden duizelen.
Hier waar de winters rond juli/augustus koud waren, en de temperatuur rond het vriespunt geen uitzondering was, terwijl het op de hoogvlaktes nog kouder werd. Soms werden de onverharde wegen veranderd in modderpoelen, hier in het land van Santa Catarina waar overpeinzingen hem deden stil staan bij zijn verleden. Zijn geboorteland, jeugd, ver van hier, de oude gevelstenen van Maastricht, de holle wegen van het Limburgse land, de Maas, mergelgrotten en de reuzekerken.
Toch raakte dit alles schijnbaar niet de waanzinsvolle natuur van Santa Catarina, het reukaltaar waar hij van hield, als ware een vrouw in het nirwana.
Overal zie ik de mensen met hun sierlijke potjes waarin de 'cimarâo, zit.
Mate Erva, de drank bij uitstek, afstammend van de Indianen en afkomstig van de 'Ilex Paraguayensis', een boomsoort die in Paraquai zich in het wild voortplantte, maar over heel Santa Catarina wordt gekweekt.
De Portugese benaming is 'herva', kruid, maar hier in het zuiden is 'cimarâo' gangbaar.
Het blad wordt verpulverd en in de mooie bewerkte kleine kalebas gestopt. Daarin wordt een pijpje gestoken met zilver mondstuk, waarna men heet water er op giet. Door het pijpje wordt het groene sap opgeslurpt.
De kalebas gaat van hand tot hand, een traditie van de 'Gaucho's' (algemene benaming voor een Braziliaan die uit het zuiden komt, Santa Catarina of  Rio Grande do Sul).
Men zegt dat 'mate' een opwekkend effect heeft en urine afdrijvend is, en vele malen zat ik dan ook te zuigen aan het hete pijpje. Doch mijn oom zei dat hij toch een bier of 'dröpke' (Maastrichts voor borrel) prefereerde, maar hij hield zich aan de traditie van de zuiderlingen en zoog dan dapper mee alsof hij een Gaucho was.

wordt vervolgd....




Tum met gitaar en jeugd van Oekraiënse komaf in Matos Costa, Santa Catarina,  1994  foto Wayn
17903-816e3520ee30cfdeaab711a778eedd8c.jpg


:lol:
Hoe vind je dit bericht? 5 stemmen
Geschreven door Storyteller om 17:26 Reageer op dit bericht

Padre Tum deel 2: SANTA CATARINA, het zuiden van Brasil 1

Na een zware tijd in Sâo Paulo wordt hij overgeplaatst naar het zuiden van Brazilië, de deelstaat Santa Catarina. Daar bestuurt hij een parochie in de plaats Caçador later in het 40 kilometer noordelijk gelegen gehucht Matos Costa.
Deze parochies liggen in vogelvlucht oostelijk zo'n 250 kilometer van de Atlatische zee en westelijk dezelfde afstand van de Argentijnse grens.
Ooit reisde ik met hem naar deze regio en naar zijn oude parochie 'Sâo Joâo de Matos Costa', waar het pioniersleven voelbaar is en waar de bewoners nakomelingen zijn van geëmigreerde Italianen, Duitsers, Polen en Oekraïeners.

Met weemoed denk ik terug aan mijn reizen met mijn oom, de vreugdevolle naïve man, wat hem af en toe in penibele situaties deed belanden. Het impulsievisme betoverde zijn gemoed, hij was ook een 'vreemdeling' en ooit zei hij mij: '... naar 40 jaar in de mooie land ben ik nog steeds een vreemdeling, ook in de ogen van veel Brazilianen...'
Doch het land was zijn liefde en hij stierf met een glimlach.
Net zoals zijn leven een voldoenig was geweest, zoals hij graag een bier, wijn of cachaça dronk en droomde van een vrouw, de liefde, ergens ver weg, die zich nimmer voordeed, of... mocht voordoen?
Hij bestreedt de stelling van Rome dat een priester uitgesloten moest blijven van een vrouw. Hij vond dat het celibaat aan een danige verandering toe was.
Hij was een man die door velen geacht werd, doch door weinige begrepen, zij die hem zelfs ondermijnden in zijn goedheid, dit waren de parasieten, de woekeraars van de hel.
Hij zal nu wel ergens rondzwerven over de hoogvlaktes van Bolivia, daar ergens bij de Titacaca-zee, rondom de bossen van Santa Catarina, langs de baai van Sepitiba en rotsen van Angra dos Reis nabij Rio de Janeiro, of in een museum érgens in de wereld, want zijn liefde voor de natuur en geschiedenis was glorieus.

"... we komen aan in Caçador, in een regio waar hij lange tijd werkte, gelegen aan de Rio Peixe, de vissenrivier. Hier is het goed vertoeven, en vruchtbaar gebied vol met groene vlaktes, waar runderen grazen en de Pinheiros bloeien. Hier wordt de 'mate erva', een soort thee, geslurpt en de druiven zijn talrijk en kolen in overvloed.
Dit is het zuiden van Brazilië waar een Portugeese expeditie leider over schreef:  <... voorbij de rivier is het land begroeit met gras, hoger dan de mens. Er zijn daar wilde dieren en vogels. Het is het mooiste land dat bestaat, daarover waren de Duitsers, Italianen en mensen die in Indië geweest waren het over eens. Er is zoveel vis dat men alleen daarvan al kan leven... De lucht is hier zo zuiver dat niets bederft, want we schoten een hert en droegen het vlees 10 a 12 dagen ongezouten met ons mee, het bedierf niet.
De rijkdom van dit land is onbeschrijfelijk...>

Ja, dit lijkt op een paradijs, maar was het inderdaad zo fraai?
Het land waar de velen immigranten uit Europa zich vestigden. Hier waar de zuid-Braziliaanse cowboy leefde en waar iedere 'gaucho' per dag wel één kilo vlees naar binnen slokte.
Ooit bezochten we een fazend (ranch) van een rijke boer van Duitse oorsprong, die het voor de wind ging, maar zijn schoonzonen, van Poolse oorsprong, waren fel gekant omtrent de Braziliaanse politiek. Hun stelling was dat zij zich de pleuris moesten werken voor de rest van het land en het zou beter zijn als Brazilië gesplitst zou worden.
Dit is gelul, want het land boven het zuiden is onderhevig aan armoede. Het noordoosten, Amazonas en vele delen van Brazilië. Voor mij was discussiëren hierover uit den boze, men zou deze goed gevoede cowboys maar een een tijdje naar de sertâo, de droge halfwildernis van Brasil moeten sturen.
Trouwens er waren meedere mensen die een egoïstische kijk hadden op het investeren in de toekomst. Zo zei ooit een groothouthandelaar tegen me dat de Europeaan hier een toekomst heeft, daar hij meer zakelijk is en met mijn Hollandse achtergrond zou ik, met geld natuurlijk, iets groots kunnen opbouwen.
Bullshit, dacht ik.
Nou ja ik weet dat velen meer noordelijker een ander leven hebben, cultuur zowel bezinning, zoals de dansende Carioca, inwoner van Rio bevoorbeeld.
ja, zakenmensen zijn gewiekst, het is een drang naar macht.
Dus geef mij maar een dansende Bahiaanse!
Een tegenpool van blanke hovardij?
Hoe dan ook, vele mensen hebben een overeenkomst met Kaïn, balken voor hun hoofd, alleen getallen in hun kop en dansen op de rand van een leeuwenkuil, dacht ik maar.

Hier in deze buurt langs de rivier, bij een waterval vond mijn oom zijn bewerkte stenen met o.a afbeeldingen van de 'goede herder', 'Zonnegod' en de 'maangodin'.
Bij die rivier leefden nog caboclo's, mensen die waren blijven steken in de tijd.
Ze hielpen hem met het zoeken naar de stenen, die ooit door Tupi-Guarani waren gemaakt, Indianen die hun angst schijnbaar hadden overwonnen, want zij maakten nooit afbeeldingen van zichzelf. Zij moeten de blanke Noormannen ontmoet hebben, die hun leerde hoe te beitelen op de stenen. De uitdrukkingen op de stenen zijn Noors gelijkend, dat is zeker, en voor de pater waren deze stenen heilig en van meer betekenis dan het hle sacardote religieuze institut.
Wel, dat is mijn denkwijze.
Hij kon uren vertellen over deze stenen,  de geschiedenis van de blanken, die hier waren lang voor er maar één Portugees het land van het 'heilige kruis' betradt. Hij had duizenden verhalen, die alle vlakken raakten van de mensheid.
Maar wie geloofde hem?
We bezochten zijn klein museum in Caçador vol met stenen, speerpunten, pijlen en bijlen. Het was als een hemel voor hem, ja, eentje op aarde.

Wordt vervolgd

Beeldje van de 'Goede Herder met lam'
17200-1743058dae518d1c524c3b12fdfc2b90.jpg

Tum met 2 van zijn 'Vikingstenen'
17200-c0def407da63d38d0eab53d1b03aa5f0.jpg
Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Storyteller om 13:08 Reageer op dit bericht

PADRE TUM deel 1: In Sâo Paulo

TUM met jeugd in Sâo Paulo 1958  :lol:





'D'n Tum', zoals zijn vrienden hem nog steeds noemden was nu in Sâo Paulo.
Toen in, 1958, een stad met 2.5 miljoen inwoners. Hij werkte in de parochie "Santa Tereza do Bosque da Saude' met 20.000 mensen. Hij heeft het vooral in het begin moeilijk, ook met de taal.
Ik geeft een indruk van een artikel uit het dagblad 'De Limburger' van donderdag 13 juli 1958:

"...Brazilië is het grootste katholieke natie ter wereld, heeft zo'n 50 miljoen inwoners waarvan 90% katholiek, de kleinste meerderheid protestant, spiritist of niks.
(Ik moet stellen dat toen 70% van het volk betrokken was bij een Candomblé, Afrikaans georiënteerd spiritisme, noot storyteller).
Vooral bij het biechthoren was de taal een groot handicap, maar langzaam overwon de pater de moeilijkheid. Nu komen de mensen biechten en profiteren niet meer van deze 'padre' die de taal niet nog niet geheel machtig was. (met andere woorden, de mensen hadden de dwang te moeten biechten, maar vertelde niet hun grootste zonden, als die al bestonden,  noot storyteller).
De Braziliaanse koffie was een ander euvel, hoewel de Limburger wel gewend was aan een kopje koffie, was dit niets vergeleken met de Braziliaanse. De koffie die je daar te drinken krijgt is pikzwart en na een bezoek aan tien families krijg je hartkloppingen.
De mensen zijn vriendelijk en in de negerhutten was hij steeds welkom.
... velen zijn spiritisten, maar toch blij met een vereerd bezoek. Vooral de kinderen genieten van het patersbezoek, een waar feest.
De parochie is een van de armste van de stad. Een huis met vier kamers heeft in regel evenveel gezinnen met talrijke kinderen. De mensen gaan bijna niet naar de kerk, howel zij hun muren hebben volhangen met heiligebeeldjes en prentjes.
Onlangs hield hij een soort 'fancy-fair', en had  zijn projectie-apparaat voorzien van een 1000 watt lamp en vertoonde lichtbeelden op een doek van 10 bij 10 meter. Hij had veel opnamen gemaakt van de kinderen en het was een wonderbaarlijke attractie voor de jeugd zichzelf levensgroot op het witte doek te zien. Bij het vertonen mist hij nog het geluid, een bandrecorder... zo'n bandrecorder is voor dit werk onmisbaar... en enkele personen willen nu pater Pieters aan die bandrecorder helpen..."

Dit verhaal moet gelezen worden in de sfeer van de jaren '50 toenmaals, toen de wereld nog klein scheen, en de katholieke geest een op hol geslagen paard, en de 'missie-pater' een engel van God, met in zijn schoot een klein 'ja-knik-negertje', waar men geld kon in stoppen.
Die tijd van katholieke overmachts-ijver is gelukkig voorbij.
(noot schrijver)

Ik wil een aperter beeld scheppen van Tum door zijn bezoek aan het FEBEM, een zoals hij het toen noemde 'huis voor verlaten jeugd'.
Vandaag de dag is het een jeugdgevangenis, met harde en wrede richtlijnen.
Begin 1960:

'... Dezer dagen kreeg ik een uitnodiging van mijn vrienden om eens mee te gaan naar het FEBEM. Mijn vrienden gaan er elke zaterdag heen en brengen de dag door temidden van de kinderen. Het bezoek boeide mij, omdat ik iedere dag van doen had met deze verlaten en verwaarloosde jeugd. Ze zwerven rond in het centrum van de stad, poetsen schoenen of bedelen een stuk brood of wat geld bijeen om cigaretten te kunnen kopen.
Aan mijn deur klopte zo eentje aan en vroeg om geld voor de bus te betalen, hij wilde terug naar zijn moeder en die woonde ver weg.
Ik keek hem eens goed aan en vroeg: 'Spreek je de waarheid?'
Hij twijfelde met zijn antwoord.
Ik zei: 'Ik denk, dat het is om cigaretten te kopen, als je de waarheid spreekt krijg je van mij het geld.'
Hij dacht een ogenblik na en zei toen: 'Ja, het is om cigaretten te kopen, ik weet zelfs niet waar mijn moeder woont.'
Ik gaf hem het geld, dit tot grote ergernis van mijn keukenmeid, die het gesprek stond af te luisteren. Het was trouwens niet de eerste keer, dat ze mij erop betrapte geld te schenken voor niet 'liefdadige doeleinden'.
Iedereen zijn meug, ik trok me er niets van aan, maar kreeg aangebrand eten te slikken...

Dus ik ging naat het FEBEM, een oud gebouw waar geen venster en ruit meer aan heel was. We passeerden de controle, want niemand komt erin of uit zonder zijn naam en adres op te geven. Ik denk dat het vanwege de drugssmokkel is, die ook hier tiert.
Er waren in het 'patio' een tiental kinderen, die maar wat rondliepen of speelden en kwamen ons dadelijk groeten en vroegen om snoepjes of cigaretten.
Het was tegen 7 uur s'avond dat de grote groep arriveerde. De gemeente heeft bussen ter beschikking stan voord eze jeugd, ze worden tegen het avonduur opgehaald in de parken en pleinen en naar het FEBEM gebracht. Daar wordt hun naam genoteerd, krijgen te eten en kunnen een bad nemen, slapen daar en worden de volgende morgen weer teruggebracht naar het centrum waar ze de dag doorbrengen.
Deze jeugd is niet crimineel, enkel verlaten van de ouders. Er waren kinderen van 5 á 6 jaar, die weggelopen zijn uit het gezin, ze willen niet terug.
'Het is nutteloos dit teproberen,' zei de leidster van het instituut tegen me.
Ik dacht: 'Nou ieder huis heeft zijn eigen problemen, en ieder land lost die op volgens zijn eigen manier van doen.'

wordt vervolgd...


Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door Storyteller om 17:31 Reageer op dit bericht

Para os Brasileiros 'Carta para o Padre Thomas Pieters'

 Dit is een wekelijkse column voor de Braziliaanse bezoekers van dit blog


'O ALTERNATIVO', TANGUÁ 8-8-1998

Minha saudade nâo me deixa em paz, e para acabar com ela voltei para o Brasil, a terra que meu tio adorava. Eu lembro bem das conversas com ele sobre os projectos dele, cheio de amor para os pobres de Tanguá, que foi uma 'chamada' do seu sentimento.
Eu também lembro-me do sua tristeza quando algumas pessoas abusar do seu coraçâo.
Padre Thomas era uma pessoa correta, ben disposto, crédulo en bondoso. Ele adorava também a cultura, a historia dos homens brancos, chamada 'Os Vikings' que, segundo ele, estiveram no Brasil antes de Cabral.
Ele gostava de música, fazendo canções, escrevendo com inteligência sobre o passado de seu pais natal.
Frio como Holanda, veio para o Brasil para ajadar os pobres, que nâo foi varidade, mai sim uma força grande de sua alma.
Eu me perguntei: como existem pessoas que abusam deste homen, com coraçâo tâo grande?
Existem? Sim.
Ele foi uma pessoa democrática, contra o capitalismo, que considerava uma praga para a humanidade.
A praga para o mundo inteiro.
Sabe, o capitalismo fica sempre insatisfeito e ganancioso: que gera uma situaçâo instável para o mundo.
Eu lembro das palavras do pedagogo Pastalozzi: "Nâo há um Deus en nâo há fé em Deus, até o sofrer por causa da injustiça nâo acaba."
Essas palavras sâo muito importantes para mim, porque me fazem pensar algumas vezes: haveria um Deus para os ricos en para os pobres?
Como aprenderemos isso?
Quero finalizar, deixando um bonito pedaço de poesia do meu tio:
"Vez em quando, eu fecho meus olhos,
vez em quando,
eu ouço,
em meu sonho,
uma cançâo bonita,
e nâo sei de quem é ela,
de qual lugar vem,
a cançâo que,
vez em quando,
toma minha respiraçâo".

Obrigado Thomas, do seu sobrinho Antonio (Wayn) Pieters :twisted:




Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Storyteller om 00:00 Reageer op dit bericht

DE ONZELFZUCHTIGE PATER TUM PIETERS IN BRAZILIË

In 1999 maakte ik dit portret van mijn oom
olie op karton











Hij werd in 1921 geboren te Maastricht, als zoon van een fabrieksarbeider Twain Pieters, die werkzaam was op de zinkwit fabriek te Eijsden. Zijn moeder Cornelia stierf op jonge leeftijd aan vemoedelijk kanker en zo bleef hij met zijn 1 jaar ouder broer Pie over, en werden veelal opgevoed bij 'grameer' Luisa. 
Tum (Thomás) stierf in 1998 te Brazilië waar hij 40 jaar werkte onder het volk.
O ja, Tum was mijn oom, of zoals men toen zei, heeroom. Nou ja... ook een aanvechtbare uitdrukking.
Ik wil het niet hebben zijn jeugd, maar over zijn werk in Brazilië en zijn passies voor het Messianisme en de stelling dat  Vikingen reeds in Brazilië waren rond het jaar 1000, lang voor Pero Cabral 'het land van het Heilige kruis' zogenaamd ontdekte.
Na zijn dood heb ik dit laatste item opgepakt, daar het mij daarmate boeide, zodat het bijna een eigen leven is gaan leiden.
Tum was ook een fevent dichter en schrijver van liedjes over het Limburgse land, waar hij nooit afscheid van heeft genomen. In zijn ziel was hij een, alhoewel van zeer Katholieke komaf, socialist, maar dat was in die tijd uit den boze dit te aanvaarden. Hij prees vaak de socialistische pers, ook als het ging om het uitbrengen van gedichten, waar de katholieke hem niet veel steun in gaf.
Hij had eigenlijk zoals men noemde een 'late roeping', waarover hijzelf zei: 'Roeping? Ik had helemaal geen roeping... ik hield van studeren, reizen en behoeftige mensen steun geven...'
In 1956 werd hij tot priester gewijd en was 'gedetacheerd' in de orde van 'Franciscus van Sales' uit Frankrijk. De bedoeling was dat hij naar Pakistan zou worden uitgezonden, maar wegens politieke redenen mochten in die periode kwansuis geen missionarissen het land in.
Onvoorbereid werd hij naar Brazilië uitgezonden, in een parochie te Sâo Paulo, waar ik het verhaal zal oppakken.
Ik kan nog niet zeggen hoeveel delen ik aan 'De pater en zijn passies' zal wijden,  dit is het voorwoord, opgedragen aan de capricieuse hardhoofdige, doch mens,- en natuurlievend man, die hij was.
'VEUR UUCH PAOTER!'

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Storyteller om 00:00 Reageer op dit bericht

VERHAAL: IK BEN ZWART

Antonio Gilberto Silva:
'Silva, is de naam die mijn voorouders kregen van de blanke slavenbazen.
Mijn slavennaam?
Papa Tro-Tro.
Ik ben zwart en woon al 45 jaar in Belo Horizonte. Hier kwamen we in de jaren '70 naar toe, mijn moeder, vader, drie broertjes en ik. Daarvoor woonden wij in Tres Coraçoês, tussen de heuvels van Minas Gerais.
Mijn vader, een goeie man José Natan Silva werkte als een paard op de koffieplantage van de tiran Pedro Debret. Toen werd hij ziek, kanker noemde men het en enkele maanden later stierf hij.
Ik werkte toen ook op de plantage, maar was niet zo gedwee als mijn arme vader. Dus werd ik er snel uitgesmeten.
Mijn moeder en broertjes leden honger en we besloten te vertrekken naar de grote stad, waar ik als straatveger aan de slag kwam.
Zeker, beter dan niets was mijn stelling.
Het waren de jaren '70, de jaren van de millitaire-dictatuur. Brazilië lag onder het commando van de millitairen, de strepenkloppers, de gore zakkenwassers!
Ik sloot me aan bij het verzet, nou ja, een kleine beweging radicalen die de gezindheid van Carlos Marighela volgde, een revolutionair en puur communist, die werd vermoord door de junta in Sâo Paulo.
Ik was zwart, guerrilla voor de revolutie, voor een vrij Brazilië. Doch enkele van ons werden verraden door een blanke, die ons verafschuwde.
Toen kwamen de de mensen van het DOPS, het departement voor sociale en politieke orde.
Hoor het woord!

De aardwormen van generaal Medici. Hun mond vol met rattenstront, de ettergezwellen van de totale overheid. Zij die miljoenen lieten folteren. De beulen pakte mij op en pijnigde me met elektroschocks, brandende sigarettenpeuken onder mijn scrotum. Ik zag de verschrikkingen, huilende mensen en die met blauwe gezichten, gefolterd tot de dood.
Ook ik schreeuwde, huilde, maar noemde geen namen.
Ik ben zwart. Mijn aderen vol Afrikaans bloed. Ik was guerrilla en dat was te duivels voor de beulen.
Discriminatie?
In Brazilië?
Kijk om je heen man!
Kijk naar de favela's, arbeidsmarkt, straatkinderen.
Kijk naar de armste!
Nu ben ik gehandicapt, ja, mijn spieren functioneren niet meer zoals ze moeten. Een erfenis van de marteljaren.

... de naam van de leider der beulen van toen heb ik nu in mijn bezit.
Ik weet dat hij nog leeft en in een sjieke buurt woont in de stad.
Ik, PapaTro-Tro weet dat hij morgen dood zal zijn. Hij woont afgezonderd en zijn naam is Duarte, een vetzak, en zonder mededogen.
Zijn vrouw is een opgemaakte brij van verf, lakmiddel en dikke zweren.
Ik zie hem naar buiten komen zwaaiend als een eend. Hij stapt in zijn dure auto en rijdt weg.
Ik volg hem en rijdt hem klem op mijn uitgestippelde plek. Ik beveel hem uit te stappen. Duarte begint te zweten als een os tijdens de liefdesdaad.
De duvel krijgt het warm want vandaag is het opruimdag.
Hij kent mij niet.
De luizenpoot!
Ik ken hem, het zwijn van de stikkende bossen.
Ik noem hem mijn blanke naam: Silva en hij slikt iets weg.
Nooit van gehoord. Ik vraag hem of hij zich niet een kleine kille kamer herinnert in het centrum van Belo Horizonte?
Het apparaat waarmee hij lachend mensen onder stroom zette?
Herinnert hij zich dat niet?
De ijzeren staven, die diende om botten te breken?
Hoort hij niet meer de afschuwelijke de angstkreten van vrouwen en mannen? De vrouwen die hij eerst neukte en vernederde voor de ogen van hun kinderen en mannen?
Waarna zij stroom kregen toegediend in hun teerste deel. De mannen die vlammen onder hun ballen werden gehouden?
De schreeuwende vrouwen die zagen dat hun kinderen werden gefolterd al 'zij' niet zouden praten?
Ja, nu begint het ondier harder te zweten.
Ik neem een touw en bind hem vast aan een dikke boom. Hij lacht nerveus en begint te stinken. Ik zeg hem dat ik zijn ballen er af zal snijden.
'Ik ken je niet, je... je moet de verkeerde voor hebben. Ik ben een waardig staatsburger, een Braziliaan!''
'Je heet nu Rocha... is het niet Rocha, de goede ex-politieman!Maar toen heette je Duarte, Pablo Duarte! Ik heb je gevonden, je zult sterven! Sterven voor alle mannen en vrouwen die je liet doodmartelen! Ja, nu huil je angst, is het niet? Wat was het folteren waard geweest? De macht van de sterkste?
Was je wel de sterkste, toen je nog jong was en meeliep met de dictator? Neen, nu ben je een lor, slapjanus, die een goed pensioen krijgt van het corrupte apparaat. Brazilië voor de macht, het kapitaal regeerde en de Amerikanen waren de tongsmakkende tirannen van de dictators.
De Kerk?
Aha, die fluimde met de beulen.
Niet allen, oh neen!
De meest rechtvaardige priesters werden eveneens gefoltert, verbannen en gedood! En het arme volk, vriend Duarte?
Ja, daar was God voor, die zou wel rechtspreken voor diegene die wisten te loven en op hun zere knieën lagen. De arme die moest zoeken naar rijstkorrels!'

Flash-back van Duarte:
Hij ziet zijn jeugd voorbijschieten, de heuvels van het mooie Minas Gerais. Het kleine dertienjarige negerinnetje dat hij neukte toen hijn veertien was onder een sapucaiboom. De moord die hij beging op zijn zeventiende, daar hij beledigd werd door een boer, waarvan hij de vrouw had bevlekt.
Het leger waar hij in schitterde en zijn gedachtenwereld kon laten gaan. Mensen titanniseren, ja... dat was zijn grootse plezier geweest. En met de komst van de militaire macht was hij een leider geworden, een geprezen en gevreesde folteraar.
En nu?
Nu siddert hij de dood tegemoet. Er is geen uitweg meer.
Berouw?
Neen, dat heeft hij niet.
Spijt? Dat nooit!
Duarte begint te lachen.
Eerst een soort grimas, dan de kreet van een gek: 'Je bent een lul! Een zwarte teek!' schreeuwt hij.
Silva neemt zijn mes en geef hem een houw in zijn nek. Bloed spuit naar buiten. 
De dikke man lacht en lacht, de lach van een stervende waanzinnige. Hij zou al dood moeten zijn.
Dan geeft Silva hem een veeg in de onderbuik en het zwijn brult, een gorgel van bloed vervormt de schreeuw.
Silva richt zijn pistool op Duarte en schiet een kogel door zijn hangend hoofd en zwak kloppend hart.
Wraak?
Eerherstel?

Papa Tro-Tro is buitenzinnig en voldaan, als hij wegrijd.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Storyteller om 20:25 Reageer op dit bericht

Meer van BRASIL / impressies / reisverhalen

↑ Terug naar de berichten