Zondag 26 augustus 2007
voorheen
ik schuur een vinger over de grove steen kan niets zeggen jij bent weer koud als voorheen |
Geschreven door Julius Dreyfsandt zu Schlamm om 16:13
voorheenik schuur een vinger over de grove steen kan niets zeggen jij bent weer koud als voorheen |
één levenstraanslechts één traan ontsprongen uit een kale rots van dode steen verraadt mijn bestaan gepolijst door scherpe hoeken zoekt hij zijn weg naar buiten waar de zon hem neemt eer ik mezelf kon uiten |
het koningsdramaeen zoon een zoon is mijn zoon hij is in mij nog niet gestorven vecht nog immer laat niet los wat hij heeft verworven krampachtig bewaar ik zijn beeld maar zie niet dat mijn zoon is verworden tot illusie; mijn eigenbeeld in de arena van mijn geest strijd ik nog steeds als heerser terwijl mijn koningschap al lang is verweesd een zoon een zoon is mijn verloren zoon mijn vlees en bloed heerst over nieuw bevochten land hij strijdt alleen ik heb hem verstoten hij doet het, anders dan ik, nooit goed zo heb ik besloten een zoon een zoon is mijn zoon |
als de lans valteen lans doorsteekt mijn hoofd borst buik zo alles, het verwondt het splijt mij, mijn wereld; een vaste aarde het pint mij in de weke grond de storm schudt mij sterk als speelbal naar alle kanten warrig worden mijn gedachten wazig het zicht op gehavende restanten en jij jij stroopte de schellen van mijn ogen |
hijgende vlucht| als stilte overgaat in doelloos zwijgen en dagen zich van licht naar schaduw naar nacht aan elkander rijgen dan sterven bladeren aan de huid bevriest het levenssap rond de ziel stokt de adem in een wezenloos geluid zo beschrijft zich de uitgeholde lach nog slechts verkrampt waar te nemen naast diepe kassen een afdruk van voorbij verleden die vergeefs de vermeden gebeden van uitzichtloze hoop tracht af te tasten maar zwalkend door de ijle lucht gaat het kwetsbare, onweerhoudbaar, op de loop in een hijgende vlucht |
uitzien naar de horizoneen man van een enkel woord staart u aan beschermt zich achter stilte wil niet dat u hem hoort hij wacht geduldig op die ene vraag waarvan het antwoord is vervaagd adieu... |
ik, de manik verhaal u van de man schouw zijn diepste wezen, als dat al kan: naar binnengaan ofwel mijn ziel door eigen ogen lezen in mijn aard ben ik ziende blind niet dat ik dat zo wil of dat intimiteit mij ontgaat nee, het is de waarneming van de immer schone vrouw te paard en het jachtgedrag waarop ik mij verlaat het versmalt het zicht tot oerbeeld van de perfecte moeder en maagd zo zuigend en basaal ik zie daar voortdurend de engel galopperen, de gemalin van oppergod Baäl zo ben ik, is de man als u ons wilt begrijpen zult u uw verbeelding moeten rijpen tot het inzicht van een korrel zand pas dan raakt u de diepte van het mannelijk zielenland |
een woord (1)een woord al vaak een teveel vermoordt kwetsbare momenten het grijpt mij soms naar de keel het gevoel sterft dan al in de lente een woord vleesgeworden letters scheppen dan een nedergang met tranende spetters legt boeien aan waarvan ik mij niet bevrijden kan het woord, een teveel sluit genadeloos mijn keel |
de geboorte van de eenzaamheidgeboren uit het paradijs van warmte en overvloed teloorgang van de wezenlijke verbondenheid ben ik afhankelijk geworden en gebakerd mijn ziel is gescheiden, de Heelheid kwijt hier is mijn eenzaamheid geschapen de mens eigen en zo fundamenteel de onvermijdelijke sterfelijke verlatenheid ik zoek vaak doch ben niet altoos bij machte, verblindend onbewust, de weg te vinden naar de eeuwige liefde en door verleiding van al het aardse soms door dromen in slaap gesust mijn echtheid vertoevend nabij de ziel kan slechts bloeien in de tuin van onvoorwaardelijke genegenheid als ik naar de ander wil groeien, op mijzelf delen voorbereid, pas dan, ja dan word ik naar herstellende zuivere binding geleid |
de doodsteekspaar mij jouw woorden als vlammen slechts leiden tot as en de knoesten spetteren in ogen van steen waarin ik ooit nog zachtheid las uit een teder hart van veen scherpe messen trekken door merg en been en als schilden slechts dienen het onweer te kaatsen dan raakt de pijn gevoelloos en verdampt om zich naar de doodsteek te haasten |
ogen gedichtin de ogen van mijn kleine meis toont liefde haar gezicht zo wordt in stilte een ongeschreven vers gedicht |
een vergulde lansin het geweten is vaak het verleden van ijzige gedachten opgegeten het verschraalt de zachte milde wens maakt de huid tot afschermend schild ziet het verlangen door een ongeslepen lens toch straalt, soms heel even een gloed van zuivere glans door vermeende muren, als een vergulde lans het doet het gevoel een tel bestormend beven om dan als het ware afgericht te sterven als verloren kans |
Yin en Yang (Acrostichon)| juist nu overduidelijk uitersten zich alom gewaarworden langs krimpende ethervelden, zo lijkt, is de aarde een marktplein uit menigeen gevormd sterk met kleur en geur verrijkt dit zo zijnde en waargenomen razen wij naar alle hoeken en gaten Yang, onze Meester willen wij verlaten: fier ten strijde gaan om van Heer Yin te dromen slaafs slurpen wij de culturen aangemoedigd door holle vaten niet achterblijvend bij onze buren denderen wij aan ons zelf voorbij ter ere van de materiële uitbater |
femme fatale
strak strekt de sluier langs haar schrale lijf waar ruimte krimpt tot een smalle engte en bottenbenen een lange weergave zijn van een kwetsbare lengte ene vrouwe met ontspruitende borsten in een sobere gratie op nakende voeten wie wil niet haar uitpuilende pruilende bolle ogen ontmoeten doch, in een voorbijgaand moment zal menig man zichzelf zien krimpen en niet haar maar zichzelf beschimpen |
memento mori| ach, kon ik je maar een keer ontmoeten zonder iets te willen slechts genieten van uw ziele zoete een korte reis door de dromen van je bestaan kon ik je maar een keer raken en dan weer verder gaan |
verwachting
ik verlang zo naar de schuchtere geboorte van een nieuwe lente ja, het is nog vroeg en slechts in mijn gedachten ik weet het maar als het weer zo zal zijn dat mijn neusvleugels weer trillen van zuivere grasgroen aroma waar de sfeer van gouden verwachtingen de huidige grijze dagen grijze mensen mistig voelen mij dit alles doen vergeten ja dan, ja dan, stel ik me voor geopende doeken van puur natuurlijk ballet och, het duurt toch niet zo lang meer ergens hoor ik een merel dat moet een boodschap zijn toch? |
de Slag bij Swammerdam
bij het bloed doorlopen zand, zodanig als bagger geworden, overzie ik, Julius, Ridder van de Vergulde Vingerhoed, het slagveld met lede ogen en ervaar in mijn gemoed zwaar mededogen met de verminkte krijgers, alom zwaar gehavend, door sabels en kogels beboet een geschrei van verre snijdt mij door het hart ik spoed mij naar de plek en tref daar mijn lief al stervende van smart met pijnscheuten in haar lijf zij zakt haast weg in de drek mijn edele kracht zwelt aan niets houdt mij tegen dapper vecht ik, uit alle macht doch door teveel overmoed bemand zakken mijn lief en ik blind beminnend weg in Swammerdams drijfzand |
de hel| droog mijn laatste dauwtranen als de ochtendstond wordt gebaard uit nachtelijke wanen waar dromen hebben gepaard in spelonken zochten zij elkaar om mijn slaap durend te verwarren zij bevruchtten op een dodenbaar stenen eieren zonder erbarmen duivels braken uit de schalen vuurspuwend naar mijn keel ik kon niet anders meer dan in de hel verdwalen ontreddering werd mijn deel |
mijn oude stoel| ik wijs hem met mijn hand in die ontluikende richting een te volgen weg van vertrouwen naar mijn beste weten een verlichting waar stenen weer kunnen bouwen maar nog niet uit het zicht draait hij zich langzaam om met de ogen niet op mij maar op zijn innerlijk gericht twijfel beheerst zijn gevoel en hij vraagt zich bevreesd af is dit wel mijn juiste weg naar de gewenste openbaring of kies ik voor mijn oude stoel |
een verloren hoop|
een geestelijk schild
heeft mijn lijf verkrampt
was ik zo even nog mild
en een vooruitzien waardig
nu is mijn gevoel
over de grens getild
ook al wil ik nog zo
ben even
het ruimtescheppen
niet vaardig
soms draagt men
ongewild een juk
opgezadeld
dan wel gekozen
dan lijk ik wel stuk
en zal vastgezette pijn
ademend moeten lozen
oh, ik weet van wanten
en al dreigt het
van alle kanten
ik ga op zoek
naar een verloren hoop
het is vaak wachten
in een zwalkend verloop |