Dinsdag 28 augustus 2007


.
Geschreven door Julius Dreyfsandt zu Schlamm om 00:00



de onzichtbare overkant|
toen de zon
zich verschool in
mijn hand
en het gezicht werd
bedekt door bladeren voelde ik mij overmand
door vreugde
die stroomde door
eindeloze aderen het was nabij een veld
dat leunde tegen
de uitgestrekte bosrand
waar de dag, zo scheen,
haast bleek uitgeteld de avond hing
boven volgezaaide
gleuven van
het vlakke land
dat wachtte op
een vochtig donker
ik was daar even
met mijn gedachten
zij veranderden in
dromen van de
onzichtbare overkant
|
zielsgebaar|
het overkwam mij dacht ik zomaar
of was het
dat ik het hoopte:
een wijselijk
zielsgebaar
momenten
je kent ze wel
waarop leven
even voelt
als beleven
waarmee geluk
wordt bedoeld
en grijs denken
in ledigheid
gaat zweven
een helderheid
schiep plots
een zicht
mijn ego verschoof
teneinde was ik
op begrip gericht
|
missen| missen is vorm geven aan verloren kwaliteit in het duister tast men oude beelden af waaraan men lijdt waar het leven vaak eerder het onbewuste stal schep ik nu alsnog, in de groeiende tijd, de echte waarde die immer gedijt |
een dagdroomik loop door mijn park nog zo heiig vroeg droom nog verder van mijn nachtelijke ark met ontluisterende pracht en zachte gitaarmuziek waar ieder mij toelacht rust mijn woord verzacht slenterend hoor ik vogels roepen mij als het ware toe: zie ook hier het voorjaar hoor onze klanken de lotus opent zich voor jou ik voel, het is waar ik ervaar mij als stille rank teder zuigend naar licht schouwend al in de morgen ja zo ben ik: naar binnen en buiten gericht |
een broze brugik bouw een brug over een vluchtig dal ondersteund door broos gesteente een verbinding scheppend tussen deze en gene wal mistig is nog de overzijde schoorvoetend ga ik vooruit niet wetend wat te verwachten: een menselijk beleg, uitstekende handen of donkere krachten aarzelend is mijn tred heeft het zin die weg te gaan twijfel is mijn kompas waar het eerst een uitdaging was |
het schaduwrijk| ik schep deze letters in de schaduw van mijn hand het licht spreidt zich rond schokkende contouren van linker naar rechterkant als vreemde figuren veroveren zij het papier geven dimensie aan mijn woorden of leggen zij de werkelijkheid in de luren die mijn pen behoorde |
hemelse orgelpijpen| achter het klavier zing ik mijn poëzie de vingers schrijven ongerijmde strofen langzaam, vaak kort maar immer om in mijn ritme te blijven ik bespeel mijn ziel laat vibratie komen en zweef ver weg naar hemelse orgelpijpen waar klanken knokken om het hoogste goed terwijl de linker vijf weer naar het aardse wil grijpen het spel van toon met ongeschreven woorden ondersteund door onbestemde keelgeluiden schept al doende een gedicht met harmonieuze akkoorden niets beter dan dit kan mijn stemming duiden |
zachte woordenwindmijn glimlach voedt verdorde wortels welke lang het licht moesten ontberen ik vroeg me af komt er nog zicht op leven uit droge grond als het slechts op tranen kon teren ik koester de nog schuchtere scheuten blaas een zachte woordenwind langs het tere groen ik weet het zeker niets weerhoudt nog de langzame weg naar bloei eens krijgt de zon alsnog de kans zijn werk over te doen |
verlichtingik schenk mezelf iets, door het jou te geven, zachte woorden van satijn als eeuwige momenten van even zij komen uit overdadig niets de eigen pijn verlichten door de ander het goede toe te dichten waar tranen drogen door een milde lach zo groeit een droomwens langs rozenbogen tot een mooi en bloeiend mens en raak ik opgetogen |
tevergeefsmijn ogen sluiten en zien in het donker helder mijn schaduw gekromd passeren achter betraande ruiten mijn stem stokt de keel verengt als ik mijn handen wil strekken naar het verloren verleden tevergeefs de tijd heeft een blind paard bereden |
beminnenik bemin jouw zinnenstrelende flanken zij wiegen als bedeesde golven met ruisende klanken ik blaas mijn streling langs wuivende haren in stotende zuchten speel ik muziek op gewaande snaren |
voorheenik schuur een vinger over de grove steen kan niets zeggen jij bent weer koud als voorheen |
één levenstraanslechts één traan ontsprongen uit een kale rots van dode steen verraadt mijn bestaan gepolijst door scherpe hoeken zoekt hij zijn weg naar buiten waar de zon hem neemt eer ik mezelf kon uiten |
het koningsdramaeen zoon een zoon is mijn zoon hij is in mij nog niet gestorven vecht nog immer laat niet los wat hij heeft verworven krampachtig bewaar ik zijn beeld maar zie niet dat mijn zoon is verworden tot illusie; mijn eigenbeeld in de arena van mijn geest strijd ik nog steeds als heerser terwijl mijn koningschap al lang is verweesd een zoon een zoon is mijn verloren zoon mijn vlees en bloed heerst over nieuw bevochten land hij strijdt alleen ik heb hem verstoten hij doet het, anders dan ik, nooit goed zo heb ik besloten een zoon een zoon is mijn zoon |
als de lans valteen lans doorsteekt mijn hoofd borst buik zo alles, het verwondt het splijt mij, mijn wereld; een vaste aarde het pint mij in de weke grond de storm schudt mij sterk als speelbal naar alle kanten warrig worden mijn gedachten wazig het zicht op gehavende restanten en jij jij stroopte de schellen van mijn ogen |
hijgende vlucht| als stilte overgaat in doelloos zwijgen en dagen zich van licht naar schaduw naar nacht aan elkander rijgen dan sterven bladeren aan de huid bevriest het levenssap rond de ziel stokt de adem in een wezenloos geluid zo beschrijft zich de uitgeholde lach nog slechts verkrampt waar te nemen naast diepe kassen een afdruk van voorbij verleden die vergeefs de vermeden gebeden van uitzichtloze hoop tracht af te tasten maar zwalkend door de ijle lucht gaat het kwetsbare, onweerhoudbaar, op de loop in een hijgende vlucht |
uitzien naar de horizoneen man van een enkel woord staart u aan beschermt zich achter stilte wil niet dat u hem hoort hij wacht geduldig op die ene vraag waarvan het antwoord is vervaagd adieu... |
ik, de manik verhaal u van de man schouw zijn diepste wezen, als dat al kan: naar binnengaan ofwel mijn ziel door eigen ogen lezen in mijn aard ben ik ziende blind niet dat ik dat zo wil of dat intimiteit mij ontgaat nee, het is de waarneming van de immer schone vrouw te paard en het jachtgedrag waarop ik mij verlaat het versmalt het zicht tot oerbeeld van de perfecte moeder en maagd zo zuigend en basaal ik zie daar voortdurend de engel galopperen, de gemalin van oppergod Baäl zo ben ik, is de man als u ons wilt begrijpen zult u uw verbeelding moeten rijpen tot het inzicht van een korrel zand pas dan raakt u de diepte van het mannelijk zielenland |
een woord (1)een woord al vaak een teveel vermoordt kwetsbare momenten het grijpt mij soms naar de keel het gevoel sterft dan al in de lente een woord vleesgeworden letters scheppen dan een nedergang met tranende spetters legt boeien aan waarvan ik mij niet bevrijden kan het woord, een teveel sluit genadeloos mijn keel |