memento mori
| ach, kon ik je maar een keer ontmoeten zonder iets te willen slechts genieten van uw ziele zoete een korte reis door de dromen van je bestaan kon ik je maar een keer raken en dan weer verder gaan |
memento mori| ach, kon ik je maar een keer ontmoeten zonder iets te willen slechts genieten van uw ziele zoete een korte reis door de dromen van je bestaan kon ik je maar een keer raken en dan weer verder gaan |
verwachting
ik verlang zo naar de schuchtere geboorte van een nieuwe lente ja, het is nog vroeg en slechts in mijn gedachten ik weet het maar als het weer zo zal zijn dat mijn neusvleugels weer trillen van zuivere grasgroen aroma waar de sfeer van gouden verwachtingen de huidige grijze dagen grijze mensen mistig voelen mij dit alles doen vergeten ja dan, ja dan, stel ik me voor geopende doeken van puur natuurlijk ballet och, het duurt toch niet zo lang meer ergens hoor ik een merel dat moet een boodschap zijn toch? |
de Slag bij Swammerdam
bij het bloed doorlopen zand, zodanig als bagger geworden, overzie ik, Julius, Ridder van de Vergulde Vingerhoed, het slagveld met lede ogen en ervaar in mijn gemoed zwaar mededogen met de verminkte krijgers, alom zwaar gehavend, door sabels en kogels beboet een geschrei van verre snijdt mij door het hart ik spoed mij naar de plek en tref daar mijn lief al stervende van smart met pijnscheuten in haar lijf zij zakt haast weg in de drek mijn edele kracht zwelt aan niets houdt mij tegen dapper vecht ik, uit alle macht doch door teveel overmoed bemand zakken mijn lief en ik blind beminnend weg in Swammerdams drijfzand |
de hel| droog mijn laatste dauwtranen als de ochtendstond wordt gebaard uit nachtelijke wanen waar dromen hebben gepaard in spelonken zochten zij elkaar om mijn slaap durend te verwarren zij bevruchtten op een dodenbaar stenen eieren zonder erbarmen duivels braken uit de schalen vuurspuwend naar mijn keel ik kon niet anders meer dan in de hel verdwalen ontreddering werd mijn deel |
mijn oude stoel| ik wijs hem met mijn hand in die ontluikende richting een te volgen weg van vertrouwen naar mijn beste weten een verlichting waar stenen weer kunnen bouwen maar nog niet uit het zicht draait hij zich langzaam om met de ogen niet op mij maar op zijn innerlijk gericht twijfel beheerst zijn gevoel en hij vraagt zich bevreesd af is dit wel mijn juiste weg naar de gewenste openbaring of kies ik voor mijn oude stoel |
een verloren hoop|
een geestelijk schild
heeft mijn lijf verkrampt
was ik zo even nog mild
en een vooruitzien waardig
nu is mijn gevoel
over de grens getild
ook al wil ik nog zo
ben even
het ruimtescheppen
niet vaardig
soms draagt men
ongewild een juk
opgezadeld
dan wel gekozen
dan lijk ik wel stuk
en zal vastgezette pijn
ademend moeten lozen
oh, ik weet van wanten
en al dreigt het
van alle kanten
ik ga op zoek
naar een verloren hoop
het is vaak wachten
in een zwalkend verloop |
zittend zinnebeeld| op het balkon van mijn fantasie aanschouw ik heimelijk van achter mijn mannelijk masker het groeiend genot puilend en buigend, zacht rustend op haar dijen scheppen haar borsten een brug met tere pijlers het hoofd met lang getouwd haar neigt voorwaarts de spreidende draden verbergen deels haar aanzuigend roze met zuchtende meewarige ogen ziet zij naar het verre dichtbij alsof de eeuwigheid ongrijpbaar spiegelt langzaam schuiven haar handen dalend met scharende slanke vingers langs gladde wegen en rusten ten einde op kleine vlakke velden de geronde rug blinkend in een enkel schemerlicht telt stippen rimpels in de schaduw gelijnd van boven naar beneden waar twee ronde doch gerijpte vruchten haar universum dragen het spaarzame licht verdwijnt, neemt haar op in mijn afgedwongen vergetelheid als een smeltend beeld zij was even |
groeiend blauwin mijn ochtendrijk ben ik alleen zo mooi alleen donker is nog het gordijn naar het licht maar toch geluiden van mijn kippen of nabije hond kleuren de bevalling van de dag dit is rust na slapen stilte balanceren tussen zwart en wit nog niets moet zo luister ik nog in mijzelve zie langzaam de contouren van de geboorte het beeld van de dagelijkse schepping omrand met groeiend blauw |
luchtenvandaag een dag van rechte lijnen ik zie voorwaarts met oogkleppen die mijn kijkers in een strakke blik laten schijnen mijn gedachten beperken zich tot een en een is drie dat u mij nu zult verachten is iets dat ik thans niet zie mijn beeld van u is ook vrij saai u bent een oen zo duidelijk, kant-en-klaar nee, mijnerzijds, heden, geen enkel gedraai daarbij bent u een van die vrouwen die van de privé of libelle een zondags kleurloos hoedje vouwen of een man van een ding tegelijk slechts oog voor werk of ronde bal dan heb ik het nog niet over seks ik vind u gewoon een zure kwal deze helderheid geeft ruimte aan mijn gemoed ik raad aan dat u bij tijd en wijle het ook eens doet |
verstild grafals het omhullend hout langzaam zakt en de gedachten ver reiken voel ik de onoverbrugbare afstand zo dichtbij ook al raak ik, naast mij, jou en jou het is slechts een zwevend daar zijn een speelfilm zonder titel flitsend zonder beeld als het zand de holle klank bezingt en de echo in de gegraven diepte stervend verzinkt denk ik het was goed na het In Pacem spreekt de zwarte hoed |
een gang naar binnen| schuifelend peins ik door de schier eindeloze gang zie schaarse houten beelden de schepping danken de marmeren plavuis hier dof door schaduw elders nog plooiend naar de dalende zon vormt de hemelse weg naar Latijnse klanken de hoge bogen met eeuwigheid gevuld laten de stilte zingen over alles dat de mens niet weet een gang naar binnen |
het is stil (2)| ik dicht het lied van de stilte met klanken van niet gekende ritmische noten gedragen door weidse nevelbanken en zo hemels onverdroten een zonnestraal doorkruist deze vochtige vlagen als een strijkstok door licht gedragen dan hoor ik slechts in het aanschijn van de dampige kilte dit unieke lied over het wezen van de stilte |
glas in loodzwaar| schaduwrijk is de sobere kapel waar stilte vermenigvuldigt gedachten wachten op klare taal van duidend begrip zwijgzaamheid veredelt daar zonder te verworden tot klinkend goud in die ruimte van ondoordringbare leegte waar volheid alsmaar groeit berust ik in mijn lot mens als mens nietig, vergroot tot denkende zot |
ik laat je gaan
naar gister|
oh, ik ga maar even natuurlijk kan de plek een liefdevolle wens
|
perspectief|
ach, ik laat het gaan als een walm mijn afgehakte handen toch blijkt het na verloop van tijd
|
het schone lothet mooie is slechts gevoel soms vaag en dun omschreven het schone kent slechts één doel het ware na te streven ervaren van zulk een geluk is waarnemen in de mist soms als een plotse ruk in het edele hart geritst alwaar men, zo de mens is het tracht vast te klinken; men zoekt immers niet het gemis doch wil het liefst in het hemelse langzaam dromerig wegzinken de helse nevel, immer aanwezig ligt, geheel aards, op de loer hij kent geen generaal pardon of geeft mij meer eer dan jou nee, het is het onvoorspelbaar lot dat als enige wikt onder de zon vaak zo zot doch menigmaal bot |
de levensboognaarmate mijn tijd verstrijkt en ik lijk te verjaren schijnt mij steeds meer toe dat al wat rondom mij is verzameld stilaan weg wil varen en mij als maar minder toebehoort al ben ik aldoor meer geworden de toekomstwijzer stagneert steeds minder blijkt van mijzelf en dat niet ik maar de schepping gloort waar mijn wortels eerst moesten aarden om te groeien tot wie ik ben dringt nu steeds meer tot mij door dat niet mijn ik, maar het leven mij baarde |
de mensendaadik verhaal vandaag van het immense grote in het schrijven een omvangrijke mensendaad scheppen van de wereld met al zijn loten een wonder laten geschieden zonder enig verraad slechts ik ben daar in bescheidenheid toe in staat het is aan de geringe echt genade gegeven van het alom omvangrijke niets een geheel te vormen waar ook nog de schrale mens mag leven en ruimte is voor kruipende wormen uit mijn door liefde verzadigd hart ontspruit zich een in regenboogkleuren openslaand lelieblad als waterfontein getooid waar druppels zich glinsterend en juichend verspreiden over een dorre aardse mat het is nog alleen aan mij, te zeggen goed, ja goed is deze wonderlijk schone daad onvoorwaardelijk uit mijn zachtheid geboren het is overzichtelijk naar menselijke maat het kostbaar vocht blaast ontelbare toverachtige kristallen bellen verspreidend naar alle hoeken die bij het teder afdalen naar de ontvangende bodem zingend en springend aan u ja, aan u gaan vertellen je mag er zijn hier en nu ga niet meer zoeken aldus geschiedde de schepping van u en anderen maak nu zelf het beeld van zee en lucht en dieren we mogen hier en daar wat zichtbaars veranderen ik zag nog even het was heel goed zo te sieren daarna hebben wij gelijk de mens is de touwtjes laten vieren |
draalster (draaikont)ook al waart gij heden de allergetrouwsten en ditmaal wellicht geen draalster toch zijt gij een heuker die als bij een dompige neveling aalwaardig uw grei vergaart genaak mij niet, gij Brutus gij onthoudt u van gemenstig gedrag ik vertrouw nimmer uw geplogenheid slechts hervallen in uw zwartigheid is uw streven onbekend zijt gij met nederigheid gaat derhalve hene bij de aanbraak van de avondlucht toelichting: draaikont ook al was u nu in hoge mate betrouwbaar en ditmaal wellicht geen draaikont toch bent u een tobber die als bij een dampige nevelachtigheid onbezonnen uw begeerte vergaart kom mij niet nabij, Brutus U onthoudt zich van eerlijk gedrag ik vertrouw nooit uw gewoonten slechts terugvallen in uw schaduw is uw doel u bent onbekend met bescheidenheid gaat daarom weg bij het vallen van de avond |