
VLERNIKA
Vlaanderen en Gernika
De Spaanse burgeroorlog woedde van 1936 tot 1939. Om hun kinderen van het oorlogsgeweld te hoedden, zonden veel Spanjaarden hun kroost naar veiliger oorden. In België organiseerden gezinnen solidariteitsacties. Zo vingen Gentse families meer dan tweehonderd voornamelijk Baskische kinderen op. Het spreekt voor zich dat dit een heel emotionele gebeurtenis was voor de kinderen, de achtergebleven familieleden en de pleeggezinnen. Nadat het geweld geluwd was, kwam Franco aan de macht. Sommige kinderen keerden toen terug, anderen bleven in België en bouwden hier hun leven op. De organisatie “Los Niños de la Guerra” bracht de Spaanse vluchtelingen later opnieuw samen. Het is niet de eerste keer dat Trefpunt projecten organiseert met deze organisatie.
Op maandag, 25 juni 2007, zendt Canvas om 20:50 u een documentaire uit
over deze gebeurtenis.
Met de multimediaproductie Vlernika wil vzw Trefpunt herdenken dat het 70 jaar geleden is dat een kinderuittocht - weg van de burgeroorlog - op gang kwam uit Spanje. Gent speelde een voortrekkersrol in de opvang en verwelkomde honderden Spaanse kinderen.
Het kantoor van de Baskische afdeling van “Los niños de la guerra” zit verscholen in een geblokt appartementencomplex in de Baskische stad Bilbao. Enrique Urkijo en Lido Bartolomé verwelkomen de Gentse delegatie. Aan de muren hangen talloze affiches die herinneren aan het verhaal van de oorlogskinderen. Niet minder dan 30.000 Spaanse kinderen gingen in 1937 op de vlucht voor de vreselijke burgeroorlog.
De 78-jarige Enrique Urkijo was een van hen. Hij vertrok in 1937 op een onzekere reis met het schip La Habana. Hij keerde al na twee jaar terug naar Spanje, maar blijft de Belgen dankbaar voor de opvang. Uiteraad is hij blij met de komst van de Belgische delegatie. ,,We komen zeker met 20 tot 30 niños naar Gent op 10 juli'', verzekert hij. Vlernika wordt gemaakt naar aanleiding van het Feest van de Vlaamse Gemeenschap. Zijn vereniging telt, in Bilbao, 600 leden die in 1937 als kinderen werden geëvacueerd.
Bewogen jeugd
De Gentse politiecommissaris Manuel Mugica Gonzalez is de zoon van een van die niños. Zijn vader Angel arriveerde in 1937 in Gent, met zijn broer Manuel. Maar ze werden prompt gescheiden. Angel bouwde hier een leven op als een succesvolle kapper. Druppelsgewijs loste hij iets aan zijn zoon over zijn bewogen jeugd - hij werd beschoten en gewond - alsook over de vlucht naar België.
Op een kaart in het kantoor zie je welke landen kinderen hebben opgevangen. België ving 3.200 kinderen op. Verhoudingsgewijs is dat is veel. België - en zeker Gent - hadden een groot hart toen.
,,Toen ik zes maanden oud was nam mijn vader me al mee naar het Baskenland'', vertelt Manuel. ,,Hij had hier vrienden en familie. Later nam ik op mijn beurt mijn vriend Johan De Block mee. Hij is historicus en was meteen gepakt door de geschiedenis van de Spaanse burgeroorlog en de Baskische strijd. Met Miguel Gaston Echevarria, een vriend van mijn vader, hebben we “Los niños de la guerra” opgericht.''
In 1987, voor de vijftigste verjaardag van de evacuatie, organiseerden ze een historische bijeenkomst. Ze baseerden zich op een foto genomen aan de Achtersikkel in Gent uit 1937 van de Spaanse vluchtelingenkinderen. Ongeveer 135niños, waarvan 45 uit San Sebastian en Bilbao, kwamen erop af. Die actie kreeg nationale weerklank. De foto belandde ook in vier Baskische kranten.
Guido De Leeuw, voorzitter van vzw Trefpunt, zag enkele jaren geleden een documentaire van Isabelle Schepens over de Spaanse niños. ,,Ik ken Manuel al jaren. Plots zag ik hem, zijn vader en andere Gentenaars die ik kende in die documentaire. Het bleken Spanjaarden te zijn. Maar ik wist niets van hun geschiedenis, daar hadden we nog niet over gepraat. Die documentaire en dat verhaal over solidariteit grepen me echt aan.''
In 2002 werd de leden van de vereniging voor de 65ste verjaardag officieel ontvangen op het Gentse stadhuis door de burgemeester en de gouverneur. Toen groeide het idee om voor de 70ste verjaardag van de kinderexodus uit Baskenland een grote productie te maken. ,,We mogen de wreedheid die toen gebeurde niet vergeten. Deze 70ste verjaardag is ook een van de laatste kansen. De niños zijn allemaal eind zeventig of al tachtigers.''
Guido De Leeuw en Manuel Mugica Gonzalez trokken al twee keer naar het Baskenland om de productie voor te bereiden. Onlangs reden ze opnieuw de 1.150 kilometer. Ze namen componist Dick Van der Harst, intussen ook aangesteld als de Gentse stadscomponist, en enkele persmensen mee. San Sebastian, de stijlvolle badplaats aan de golf van Biskaje is de uitvalsbasis. Maar ook Bilbao en hoofdstad Vittoria hebben nog weinig geheimen voor hen.
Vorig jaar in september vroeg Guido De Leeuw aan Dick Van der Harst of hij de compositie voor Vlernika wilde schrijven. Bij een cortado (koffie met een klein scheutje melk) doet hij zijn verhaal. ,,Ik was nog nooit in het Baskenland geweest. In december was ik er voor het eerst. Toen ontmoette ik ook Juan Mari Beltran, een kenner van de Baskische muziek. Het klikte tussen ons. De thematiek spreekt me ook aan. Ik ben altijd gevoelig geweest voor sociaal-culturele onderwerpen. Mijn vader heeft in een Jappenkamp gezeten.''
Mooie melodie
In 2001 kreeg Van der Harst al de Louis Paul Boon Prijs voor het engagement in zijn werk. Hij schreef veel voor muziektheater en werkte samen met Guy Cassiers, Alain Platel en Eric De Volder. In zijn loopbaan omarmde hij al zoveel muzieken, uit andere tijden, andere landen en andere culturen. Hij wist ze samen te smelten tot vindingrijke, maar ook hedendaagse muziek. ,,Ik besef wel dat ik op het groot podium zal staan en de muziek toegankelijk moet houden, ook uit respect voor de niños.''
Van der Harst heeft nog geen noot muziek op papier staan, ,,Het zit in mijn hoofd'', verzekert hij ons en hij tikt eens tegen zijn schedel. ,,Ik ga er ook Baskische muziek in verwerken. Maar Baskische muziek bestaat in feite niet. Ze is zeker niet Spaans gekleurd. Zoals we gisteravond in die bar hoorden lijkt het soms op Tex Mex. Maar je hebt ook echte liederen en de volksmuziek met de Txalaparta. Ik verzamel nu zoveel mogelijk Baskische muziek.''
,,Ik hoorde ook een mooie melodie op de klokken van een kerk in Guernica. Dat ga ik zeker gebruiken. Het zou om een bekend liedje gaan dat begint met de woorden Ook twee liedjes van Federico Garcia Lorca wil ik gebruiken.''
Een belangrijke figuur in het ensemble, dat zal bestaan uit elf Vlaamse en vier Baskische muzikanten, worden de Baskische zangeres Maddi Oihenart en multi-instrumentist Juan Mari Beltran. Een rit langs kronkelige wegen door een lieflijk golvend Baskisch landschap leidt naar Juan Mari Beltran in het dorpje Oiartzun. Hij bouwde een oude hoeve om tot een museum met een uitgebreide instrumentenverzameling, een bibliotheek, een fonotheek en een beeldarchief. Je kunt hem de Baskische Hubert Boone noemen. Blaasinstrumenten, accordeons, maar ook een eenvoudig houten plaatje dat door de lucht wordt rond gezwierd - de kreet van de wind - en blaasinstrumenten gemaakt met hoorns van bokken horen erbij.
Hij leert Van der Harst ook Txalaparta spelen. Txalaparta is het magische woord in de Baskische muziekcultuur. Het gaat om een primitief instrument. Over twee omgekeerde manden worden houten balken gelegd. Daarachter staan de Txalalapartaspelers. Zij laten twee houten stokken neerdalen op de balken en creëren ritmische patronen. Van der Harst is er redelijk vlug mee weg, maar je ziet dat Beltran geoefend is en de stokken sierlijk kan laten zweven. Met dergelijke stokken werden vroeger de appels voor de cider tot moes gestampt. Daar komt de cadans vandaan. Vandaag worden ook al zeer geraffineerde opnamen met Txalaparta gemaakt.
,,Ik ga veel blazers gebruiken, maar ook veel slagwerk, ja ook de Txalaparta'', zegt Van der Harst. ,,Ik schrijf geen filmmuziek, het wordt een concert met beelden. Half mei zit ik samen met Fabio Wuytack om tot een structuur te komen.''
Het bezoek aan de cultuurafdeling van de Baskische regering in de hoofdstad Vittoria-Gasteiz is een half succes. Guido De Leeuw en Manuel Mugica Gonzalez weten geld los te weken om de kosten voor de vier Baskische muzikanten te betalen. Maar ze zouden graag Vlernika in het najaar naar San Sebastian, Bilbao en Vitttoria brengen. Ze vangen bot. ,,Het geld is op'', luidt het sec. Ze zijn een beetje de put in en begrijpen het niet. ,,Dit past toch perfect bij de herdenkingen die hier ook plaats hebben.''
Grijze hemel
Onder een grijze hemel trekken we naar de oudste Baskische stad Guernica. Ons pad leidt door een bergachtig weinig bewoond gebied. Guernica is een kleine stad met op een heuvel het oude Baskische parlement. In de tuin staat een oude afgeknotte eik in een monumentaal stenen schrijn. De eik is het symbool van de Baskische zelfstandigheid.
Even later zitten we in een inleefkamer in het Museum de la Paz, een soort Baskisch vredeshuis. We horen hoe een Spaanse moeder de voortdurende bombardementen beleeft. Het stadje werd gedurende drie maanden gebombardeerd. Tot het fatale bombardement op 26 april 1937, toen Hitler zijn Junkers en Henkel-bommenwerpers stuurde. Het hele stadje was een brandend tapijt. Er vielen tussen de 300 en 500 doden. Dat bombardement zette ook veel ouders aan om hun kinderen weg te sturen. De grote Spaanse kunstenaar Picasso greep die gebeurtenissen aan om zijn wereldberoemde schilderij Guernica te maken. Maar al te graag zou het stadje het wereldberoemde schilderij binnen haar muren halen. Picasso zei dat het schilderij altijd op Spaanse bodem moest blijven, maar sprak niet van het Baskenland. Onlangs vroeg de burgemeester van Guernica of het schilderij niet mocht verhuizen.
,,De Spaanse minister van Cultuur is niet bereid dat te doen, het blijft in Madrid'', zegt museumdirectrice Iraxte Momoitio Astorkia.
Land uitgezet
De volgende dag trekken we naar Sestao, 15 kilometer van Bilbao. In het wat troosteloze stadje ontmoeten we Mathias Martinez Ibanez. Hij woonde vele jaren in Gent, maar werd uiteindelijk in 1959 het land uitgezet. Zijn bewogen verhaal is uitgebreid te lezen in het boek dat over los niños verschijnt. Onder het Franco-regime had hij het niet gemakkelijk, maar hij overleefde het en schopte het nadien zelfs tot schepen van Cultuur van Sestao. Hij draagt trots zijn Baskische baret.
De avond daarvoor hadden we in San Sebastian ook de voorzitter van de plaatselijke niñosvereniging, Fernando Berradre, ontmoet. Hij wilde persé de Belgen zien. Ook op zijn hoofd staat een Baskische alpinomuts. Hij werd opgevangen in een klooster. Zijn ogen blinken als hij vertelt over zijn Belgisch wedervaren.
In Sestao komt Gorka Agirre Arizmendi ons opzoeken. Hij is de zoon van een niño die in Antwerpen woonde. Hij studeerde in Leuven, maar trok na de democratisering weer naar Spanje. Hij is een belangrijk lid van de PNV, de Baskische Nationalistische Partij en een neef van de eerste minister-president van het Baskenland in 1936, José Antonio Aguirre. PNV was van 1937 tot 1977 verboden. Sinds 1980 levert ze onafgebroken de Baskische minister-president.
,,Hoezo? Deze productie kan niet naar het Baskenland komen? Ik zal alles doen om Vlernika naar het Baskenland te brengen'', zegt Arizmendi. Guido De Leeuw en Manuel Mugica Gonzalez zagen het plots weer wat beter zitten.
Uit “De Gentenaar Online”
Productie en algemene coördinatie:
http://www.trefpuntvzw.be/index-flash.htm
Bij Sint-Jacobs 18, B9000 GENT
+32(0)9.225.36.76