fatsoen


Stelen zal wel niemand doen,
die van eer houdt en fatsoen.
Maar toch rooft men, o zo vaak
een voorname grote zaak.
'k Spreek hier van de goede naam,
daarop werpt men, o zo vaak een blaam,
want het kwaad dat men vertelt,
wordt niet spoedig meer hersteld.
Roof toch nimmer iemands eer,
want hij krijgt ze moeilijk weer




















