stefan hertmans
kersen en vogels door een kier;
twee stille handen hebben;
denken aan arnolfini en zijn vrouw.
geest kon de ruimte voeden
met het overblijfsel van ontmoeting.
het bliksemt in gods ingewanden;
huiddun je zoet harnas.
nu je hier voor me zit,
nefaste liebste, laat je mij voelen
wat een vroege zomer is,
het luie windje in het groen,
rillen van wondgewreven vleugels
in een rood scharnier.
kom hier, meisje dat minnaars
tekent met een blik.
leen me je pols;
leen me je ogen;
leen me dat achteloze.
want voor de inkt
kan drogen is het
leven niet meer hier.



