WEERSPREUKEN


WEERSPREUKEN
- Als het Driekoningen (6 januari) is in’t land, komt de vorst in het vaderland.
- Als het vriest op Driekoningendag (6 januari), dan vriest het dertien weken lang.
- Met Driekoningen lengt de dag zoveel een geitje springen mag.
- Vriest het op de elfde nacht, zes weken vorst wordt er verwacht.
- Als het op dertiendag (13de dag nà Kerstmis (6 januari)) vriest, ‘t vriest dertien weken lang.
- Geeft Sint-Hilarius (13 januari) zonneschijn, weldra zal het kouder zijn.
- Als het op Sint-Hilarius vriest, de boer zes weken niest.
- Sint-Pauwel (15 januari) is de eerste der drie harde koppen.
- Sint-Anthonius (17 januari) schoon en helder, vult het vat en ook de kelder.
- Sint-Antoon (17 januari) en St. Sebastiaan (20 januari) komen met het hardste van de winter aan.
- Maakt Sint-Teunis (17 januari) de ijsbrug, St. Sebastiaan (20 januari) slaat ze stuk.
- Sint-Pieterstoel (18 januari) bevroren, een droog jaar geboren.
- Staat Sint-Pieters’stoel te Rome in de sneeuw of in het nat: d’r staat een vochtig jaar te komen, het kan niet missen dat.
- Als het vriest op Sint-Sebastiaan (20 januari) dan is het op 2 januari met de vorst gedaan.
- Sint-Sebastiaan, die ‘t were maakt, doet het vriezen dat het kraakt.
- Sint-Vincentius (22 januari) met zonneschijn, geeft veel koren en ook veel wijn.
- Is het op Sint-Paulus (25 januari) schoon en klaar, dan brengt het een gezegend korenjaar. Is het op Sint-Paulus (25 januari) sneeuw of regen, dan komt een mager jaar ons tegen.
- Als de schaatsliefhebbers op Sint-Sulpitius (29 januari) op de schaats staan, zal het weer in ‘t voorjaar van slag zijn. Geeft Sint-Sulpitius (29 januari) schoon ijs, dan is de lente goed en wijs.
- Dooien op Sint-Aldegonde (30 januari), vult de kelder met een vloed van zonde.
- Geeft januari een sneeuwtapijt, dan zijn we gauw de winter kwijt.
- Valt in januari de sneeuw heel dik, dan is bij ‘t hooien de boer in zijn schik.
- Heeft januari koude en droge dagen, dan zal in februari sneeuw u plagen.
- Is het in januari zacht, dan krijgen lente en zomer veel groeiende kracht.
- Januari zonder sneeuw maar met veel regen, brengt de boer geen zegen.
- Als in’t louwmaand mistig is, wordt de lentemaand fris.
- Nieuwjaarsnacht schoon en klaar beduidt een vruchtbaar jaar.
- Schijnt de zon op nieuw jaar, dan komt er een goed appeljaar.
- Als in januari de vorst niet komen wil, dan stellig in april. Brengt januari ons strenge vorst, dan lijden we ‘s zomers geen honger of dorst.
- In januari moet het vriezen, de stenen uit de grond. De boer en zal niet kniezen maar vindt dat heel gezond.
- Sneeuw en donder in januari, voelt men vaak het ganse jaar.
- Valt in januari veel regen, dan brengt hij de vruchten zegen.
- Draagt Nieuwjaarsmaand een sneeuwwit kleed, dan is de zomer zeker heet.
- Als de kat in januari in de zon ligt, ligt ze in februari achter de kachel.
- Als de dagen lengen, begint de winter te strengen.
- Als in januari de muggen zwermen, dan kun je in maart de oren wermen.
- Geeft januari een muggenzwerm, dan hoort ge in de Oogstmaand licht gekerm. Dansen de muggen in januaar, dan wordt de boer een bedelaar.
- Gelijk januari, zo ook juli.
- Nevels in januari opgestaan, brengt een natte lente aan. Op een milde januari volgt vaak een gure lente en een warme zomer.
- Onweert het in januaar, dondert het gans het jaar.
- Geeft januari géén wintervlagen, dan zal februari ons daarmee plagen.
- Is het in januari nat, ledig blijven schuur en vat.
- Is januari te warm, dat dan de hemel zich erbarm! Januari zonder regen, is voor de boerenstand een zegen.
- Is januari mild en klaar, dan volgt een gure lente dit jaar. Knapt januari niet van de kou, dan zit men ‘s zomers in de rouw.
- Stoot de mol in Januaar, kijk van kou in mei niet raar.
- Staat groen en fris in januari het gras, het hele jaar geeft vaak een schraal gewas.
- Als het gras groeit in januaar’, is het slecht voor ‘t ganse jaar.



































