*HALLE AAN DE ZENNE VAN 1916 TOT 1930 [a]
Andreas Wanders die Halle 30 jaar geleden verlaten heeft, heeft naar aanleiding van een wandeling van Sint-Rochus naar het centrum gedicht: vóór mij: weinig van wat ooit was. / zenne verdreven door leide, geen gids. Verwondert het dat hij zijn geboortestad met enige zin voor overdrijving niet herkende? Wie geschiedkundige teksten leest, oude foto’s bekijkt, met ouderen praat of gewoon maar als Hallenaar op leeftijd in zíjn verleden graaft, moet beamen.
Dat het stadsbeeld in vergelijking met Thevenet’s tijd nog meer veranderd is, hoeft geen betoog. Dit lang geleden begonnen proces heeft Wanders prachtig verwoord: al vóór de franse revolutie hebben fransen / muren en bospoort geslecht. halle / kreeg zicht op de wereld. gracht / is park geworden. halle deinde en groeide uit. [b]. De bevolking is sinds de industriële revolutie sterk gegroeid: 4.612 in 1816, 12.615 in 1900, 15.360 in 1920 en 17.595 in 1939.
Ik ben ervan overtuigd dat Thevenet het Halle van het interbellum zou herkennen. Het centrum met haar (kleine) Grote Markt [b], zoals ik gedicht heb, wordt nog steeds begrensd door de veronderstelde verdwenen middeleeuwse stadsmuren. Ze lagen waar nu Leide, Parklaan, Arkensvest, Theunckensstraat, Oudstrijdersplein, Slachthuisstraat, Sint-Katharinavest, Vesting- en Mgr. Senciestraat zijn. Zelfs het middeleeuwse stratenplan is grotendeels behouden.
Toch zou Thevenet vergeefs op zoek gaan naar de Zenne die, zoals Etienne Devisch dichtte, een verborgen riool geworden is. Terecht merkte Wanders op dat halle aan de zenne nog slechts in een brochure vol gedichten bestaat: er zijn geen overstromingen en voeten / meer in stinkend water. geen zenne. / cleanheid aan de slag. overwelfd. / riool geworden. geen gedenkplaat. / vergeten. ontkennen van bestaan. [b].
Toch is de Zenne er nog: overwelfd, zoals Wanders zei. Pieter Delen heeft verwoord dat Honderden zonder het te weten wandelen boven de dichtgegooide Zenne [b]. De loop is via de Leide, in het begin van de vijftiende eeuw gegraven om overstromingen tegen te gaan, rondgeleid. Toch is de oude loop nog zonder probleem en zelfs bijna helemaal te voet te volgen: via de Arkenvest waar de Zenne vanuit Hainaut Halle binnenstroomde, door de Molenborre, dwars over de Basiliekstraat, door de Vuurkruisenstraat en het Possozplein, tussen C.C. ’t Vondel en het vroegere O.-L.-V.-College, achter de brandweerkazerne en dwars over de Leide(straat) naar links van de Slingerweg waar ze in de Leide uitmondde en vanwaar ze haar weg naar Brussel vervolgde. Dit bijna rechte lint werd door sporen van verdwenen, kleinere littekens benadrukt: de arken of een soort dam aan de Arkenvest die diende om overstromingen te vermijden en onder het straatoppervlak nog aanwezig is, de vroegere hertogelijke molens aan de Molenborre, de stenen brug als reliek van de eerste omwalling aan de Basiliekstraat, en 2 bruggen aan het Possozplein, respectievelijk ter hoogte van het Handbooghof en het Vondel. Oude Hallenaars van het deel van de Basiliekstraat tussen Zenne en Leide, vroeger Bosstraat en Statiestraat, zeggen nog al dan niet weemoedig dat ze "op taalant", het eiland, geboren zijn.
Sinds Thevenet’s dood hebben nog andere grote veranderingen plaatsgevonden. Het slachthuis, niet ver van het huidige stadhuis, de brandweerkazerne tussen vroegere post en oud-Jezuïetencollege waar het hospitaal was, het poorthuis aan de brug naar het Vondel, de kunstmatige waterval op de Leide aan de Dijkstraat die ervoor zorgde dat de molens van de Molenborre voldoende water hadden en tot op de Grote Markt te horen was, de waggelbrug, een opgehangen voetgangersbrug over het kanaal aan dezelfde Dijkstraat, en de Pacha-gebouwen aan de Steenweg naar Brussel die bij regenweer de geur van gebrande cichoreiwortels verspreidden, zijn verdwenen.
Op de plaats van het huidige Mariahof in de Dekenstraat stond een brouwerij, zoals er zovele, net als mouterijen, aan de rand van het centrum lagen. Het station in Vlaamse neo-renaissance met een aparte ontvangstruimte voor bedevaarders en het kanaal, waarvan een deel Pont-Canal genoemd werd, 10 meter boven de Zenne op een aquaduct van 27 meter lang, 3 meter breed met links en rechts een jaagpad van 2 meter op 3 bogen, zijn vervangen. Het huis van componist Servais in Italiaanse neo-renaissance, ontworpen door J.P. Cluysenaer, en het park errond werden na W.O. I verkocht en verkaveld. De 2 enorme gasketels aan de vroegere Gasmeterstraat in de buurt van de Vanbeverenstraat bepalen niet langer mee de skyline van de stad. De Nieuwmarkt, na W.O. I eerst Natiënplein en later het grotere Possozplein, nam slechts de ruimte achter het renaissancestadhuis waar nu bijna geen personeel meer werkt, in.
Straatnamen zijn veranderd. Een deel van Klinkaert en Brusselstraat werden Brusselsesteenweg, Leeuwenplein Oudstrijdersplein dat volgens Delen als Rechtlijnig(…) deel van de stad (…) zonder weten / de Renaissance achterna holt [b], Kasteelstraat Kardinaal Cardijnstraat, Korte Steenweg of Stadhuisstraat, Lange Steenweg, Bosstraat en Statiestraat Basiliekstraat en Poststraat Zuster Bernardastraat.
Er zijn nieuwe straten bijgekomen: Molenborre of de verlenging van een oude straat waar oude huizen volgens Nicole Van Overstraeten kijken koud en slaperig / naar niets. als reuzen van sneeuw leunen / zij zacht tegen elkaar, tijdeloos en teder, / zij knuffelen en zoenen zich scheef [c], Slingerweg en Sint-Martinusweg. Straatjes zijn afgesloten of verdwenen. Het waren brandgaten die dienden om bij brand snel aan bluswater te geraken. Eén ervan liep van de Beestenmarkt waar de toegang nog vaag te zien is, parallel met de Maandagstraat naar de Basiliekstraat en aan de overkant daarvan als nog bestaande Stoofstraat verder tot de Zenne-oever.
Er waren ook kleine veranderingen, details die wegens subjectieve redenen een plaats maken tot wat ze is. Er zijn nog slechts weinige originele gelijkvloersen met sierlijke gevelonderdelen: winkelpuien hebben plaats moeten ruimen voor moderne gedrochten. Zelfs volledige gebouwen zijn verdwenen en hebben de ergste littekens nagelaten, zoals een aluminium gevel op de Grote Markt. Op de Beestenmarkt was een smeedijzeren molen / stilstaand. Of is het een urinoir waar Kilroy te gast was? Het standbeeld van de Vaantjesboer, genoemd naar de toenaam van de Hallenaar, was er nog niet. In het midden van de Grote Markt waar ooit auto’s parkeerden, stond op een piëdestal / waar hij probeert om kunstenaar te zijn, afgeschermd / door een hek een beeld van Servais. Omdat hij miskend wordt? Omdat hij tweetalig is? [b] Er staan 2 teksten in het Frans en één in het Nederlands die later toegevoegd werd. Frans was in het interbellum de taal van de burgerij en van Thevenet die het Nederlands, of moet ik Vlaams schrijven, niet beheerste. Ook vóór het vroegere Jezuïetencollege en de toegangen tot de stadsparken stonden hekken.
Halle was een stad van industrieën en kleine zelfstandigen. Het was rijk aan herbergen waarvan de herbergiers niet zelden een bijberoep hadden om in hun onderhoud te voorzien. Iik denk aan smid, drukker, bakker, souvenirverkoper, steenkoolhandelaar, … Vooral winkels met religieuze souvenirs als bedevaartvaantjes, medailles, Mariabeelden, kaarsen, prentkaarten, "koleikes" of halssnoeren met broodjes en snuisterijen met Maria-afbeeldingen vielen op. Men trof ze vooral aan op de Grote Markt en rond de basiliek. Ook in de Basiliekstraat waren er. Verwonderlijk was dit niet: bedevaarders hadden de trein als vervoermiddel leren kennen. Tijdens de bedevaartmaanden werden ze in processie van het station naar de kerk begeleid.
Tijdens Thevenet’s verblijf zijn enkele zaken gebeurd die zeker zijn aandacht moeten getrokken hebben. Op 15 oktober 1915, minder dan een jaar vóór zijn aankomst, reed de eerste tram van Brussel naar Halle waar hij ter hoogte van de Pacha zijn terminus had. De katholieken met burgemeesters Charles Nerinckx die zijn Franse voornaam vervlaamste, tot 1921 en Auguste De Maeght vanaf 1921 waren aan de macht. Jaarlijks gingen processies, geregeld door Thevenet uitgebeeld, uit. Ik denk aan "Palmzondag" uit 1922, "In afwachting van de processie" uit 1924 en "Wegom te Halle" uit 1926.
In 1917 werd de viering van de zeshonderdste verjaardag van de aankomst van het Mariabeeld gevierd. Ten onrechte: het beeld werd immers in 1267 aan de stad geschonken. Het is voorzeker een drukfout, hoewel 600 verschillende malen voorkomt! Op 30 december 1916 liep het centrum door overstroming van de Zenne onder water: aan de stenen brug over de Zenne (de Pont Canal) liep het kanaal zelfs over. Het water stortte zich in een dubbele waterval in de onderliggende Zenne. [d]. Eeuwenlang bouwde men huizen hoger dan de straat zodat men Trage trappen (…) op moest om te ontsnappen / aan het ooit tergende (…) water. [b].
W.O. I liet zich meer dan eens gelden. De Duitse overheid besliste in september 1916 dat in het Vlaamse land het Nederlands de enige voetaal in het onderwijs was. (…) In de Halse scholen werd dat slechts onvrijwillig doorgevoerd. [e]. Toch kon nog een Franse klas gevormd worden indien er 20 leerlingen voor in aanmerking kwamen. Vanaf het midden van 1917 kwamen vluchtelingen in de stad aan. Het aktivisme stak onder leiding van Jan Boon, later hoofdredacteur van "De Standaard", de kop op. In 1918 werd "De Hallenaar", een Vlaams-nationalistisch, anti-militaristisch en anti-Duits blad, opgericht. In de nacht van 19 op 20 juli 1918 bombardeerde een Engels vliegtuig een huis op de Statiestraat in plaats van het station: 5 kinderen van één gezin kwamen om. In 1918 eiste de Spaanse griep vele slachtoffers. Er vielen onder meer 4 doden op 21 september, 8 op 26 oktober, 21 op 2 november, 29 op 16 november en 17 op 30 november. Iemand herinnert zich twee begrafenissen op hetzelfde uur in de St.-Martinuskerk: de ene (…) aan het groot altaar, de andere in de O.-L.-V.-kapel. [d]. Achtergebleven munitie zorgde voor doden en verminkten.
Op 7 mei 1918 werd Leopold Everaert, een van dé historici van de stad, begraven. In 1922 werd de "Cercle Historique et Archéologique de Hal" of "Geschied- en Oudheidkundige Kring van Halle", in deze volgorde, opgericht. Eén van de oprichters was Medard Van den Weghe; in 1938 stemde hij als schepen van onderwijs niet met zijn meerderheid mee om de straatnaamborden weer tweetalig te maken en ging ze overschilderen. In 1924 verscheen het eerste nummer van de vereniging met de opname van een "Liste de Membres - Lijst der leden.". De ondertitels waren in de 2 talen; de leden en hun beroep enkel in het Frans. Op 12 oktober 1924 werd een gedenkplaat voor een in W.O. I gesneuvelde oud-leraar en gesneuvelde oud-leerlingen van het O.-L.-V.-van-Halle-Gesticht ingehuldigd. Op het einde van 1925 overstroomde de Zenne opnieuw. Het water kwam tot halverwege de Maandagstraat. In 1928 werd op het Leeuwenplein naar aanleiding van wijkfeesten een luchtballon opgelaten.
Op cultureel vlak belangrijke personen hadden een Vlaamse reflex. In 1917 werd Remi Ghesquiere, taalparticularist en -purist, die op de vlucht in Halle strandde, kapelaan en organist in de Sint-Martinuskerk. In 1918 begon de Muziekacademie op initiatief van haar directeur Charles de Coster met Vlaamsche uitdrukking en declamatie. [f]. In 1919 publiceerde priester Emiel Gouffaux naar aanleiding van het einde van W.O. I de Latijnse dichtbundel "Invasio". Van 1919 tot 1922 was letterkundige en latere conservator van het kasteel van Gaasbeek Maurice Roelants leraar aan vermelde Academie. Vanaf 1924 werden toneelstukken van Maurice "Dries" Merckx in het Hals en Nederlands gespeeld. Boon, ook directeur-generaal van NIR en BRT, was van 1924 tot 1929 secretaris van het "Vlaamsch Volkstoneel". Deken Andreas Michiels gaf het Nederlandstalige parochieblad uit.
Thevenet lijkt met slechts 2 van hen contact gehad te hebben. Een priester, Le curé, mon ami, die door Thevenet niet bij naam genoemd werd en die hij vaak op straat tegenkwam, was "un artiste" [1]. Ging het om deken Michiels? De Coster werd door hem vereeuwigd op "Charles Decoster op het harmonium" uit 1918 terwijl hij musiceerde.
In 1919 werden het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen en in 1920 de 8-urige werkdag en 48-urige werkweek ingevoerd. Lonen werden automatisch aan de index van kleinhandelsprijzen gekoppeld. Er kwam een nieuw stelsel van werklozensteun. De maatschappij veranderde grondig. De toekomst werd hoopvoller door Limburgse steenkool en Kongolese grondstoffen. In 1922 begonnen Radio Belgique en in 1927 de Vlaamse Radiovereniging met hun uitzendingen. Het aantal auto’s nam door de technologische vooruitgang toe zodat in 1924 het eerste verkeersreglement kwam.
Opkomst en groei van de cinema hadden lossere zeden tot gevolg en een reactie van voornamelijk de kerk tegen de groeiende immoraliteit. Vanaf 1928 vertraagde de economische groei met de beurscrash van 1929 als trieste hoogtepunt.
[a] Voor "Halle aan de Zenne van 1916 tot 1930" heb ik me laten leiden door in de tekst vermelde voetnoten en onderstaande publicaties:
-BORREMANS, René. De handel in devotionalia in Halle. In: Jaarboekje 2005 ZWBrabants Museum. Zuidwestbrabants Museum, Halle, p. 5-20. 2005;
-DDAA. Mijlpalen van de 20e eeuw in België. Readers’s Digest, Brussel. 1987;
-DESMET, Zeger. VII poorten en 7 pleinen. Wat de Hallenaar moet… en wat de bezoeker… weten over Halle / Deel I: poorten. In: Hallensia, jg. 25, voorjaar 2003;
-DESMET, Zeger. VII poorten en 7 pleinen. Wat de Hallenaar moet… en wat de bezoeker… weten over Halle / Deel II: pleinen. In: Hallensia, jg., 26, nr. 1, januari-maart 2004;
-L’AMIRAL, Hermione. Cataloog van de fotowandeling. "Het familieleven op de Steenwegen". In: Hallensia, jg. 26, nr. 2, april-juni 2004, p. 5-25;
-NN. (H)allerleitje. In: Hallensia, jg. 15., nr. 3, juli-september 1993;
-NN. [Geen titel]. In: De Hallenaar, jg. 1, nr. 28, 18 augustus 1918, p. 18;
-PETRE, E. Halle 1900. Anekdotes uit het schooleven, verteld door het oudste lid van onze kring: kannunik E. Petre. In: Hallensia, jg. 2, nr. 1, januari-maart 1980, p. 11-15;
-VANDENBROUCKE, Luk. Halle van onze belleman. Europese Bibliotheek, Zaltbommel, Nederland. 2000;
-VANDENBROUCKE, Luk. Halle zoals het vroeger was. Europese Bibliotheek, Zaltbommel, Nederland. 1995;
-VANVOLSEM, Johan. Verklarend register van 380 straat- en pleinnamen van Groot-Halle. In: Hallensia, jg. 10, nr. 3, juli-september 1988;
-VANVOLSEM, Johan; VANDENPLAS, Dirk; VERLEYEN, Rudolf en VANDENBROUCKE, Luk. Verklarend register van 1220 plaatsnamen van Groot-Halle. In: Hallensia, jg. 13, nrs. 1-4, januari-december 1991;
-WALSCHOT, Pol. De laatste pot. In: Hallensia, jg. 9, nr. 3, juli-september 1987, p. 77-79.
Ook de prentkaartenverzameling over Halle van Guy Mossiat heeft haar nut meer dan gehad.
[b] CLAUS, Hans; DELEN, Pieter; DEVISCH, Etienne; VAN OVERSTRAETEN, Nicole; WANDERS, Andreas en WOUTERS, Rik [niet-vermelde samensteller: Rik Wouters]. Steenwegen. Cultureel Centrum ’t Vondel (in samenwerking met de literaire vereniging xarnego), Halle. 2004.
[c] VAN OVERSTRAETEN, Nicole. Sapkracht. Upsilon, Halle en Casita de la soledad-stichting, Ruisbroek. 1999.
[d] WALSCHOT, L. en LECLERCQ J. Les Allemagnes sont la. Een kroniek van de eerste wereldoorlog in Halle. In: Hallensia, jg. 13, nrs. 1-4, januari-december 1991.
[e] WOUTERS, Mark. Onderzoek naar de taaltoestanden en het moedertaalonderricht in de middelbare scholen tot 1940: de Rijksmiddelbare Jongensschool en het Koninklijk Atheneum in Halle (1852-1963). In: Hallensia, jg. 2, nr. 2, april-juni 1980, p. 1-9.
[f] NN. [Geen titel]. In: De Hallenaar, jg. 1, nr. 28, 18 augustus 1918, p. 1.
[1] LYR, René. Mon ami Louis Thévenet. Editions Nationales, Uccle. 1945.



