*DAGDAGELIJKSE VOORWERPEN
Thevenet heeft zijn hele leven handzame schilderijen gemaakt. De afmetingen variëren meestal tussen 40 en 70 cm. Toch kwamen er extremen voor: "Boskant" uit 1924 meet 11,5 cm bij 15 cm en "Na de mis" uit 1912 110,5 cm bij 198,5 cm.
Thevenet heeft zich zelden aan grote werken gewaagd. Er lijken redenen voor te zijn. Hij was een schilder die in de geborgenheid en intimiteit van de huiskamer werkte. Dacht hij dat die intimiteit zich niet leende voor grote doeken? Omdat hij steeds klein gewoond heeft, had hij gewoon de plaats niet om grote doeken te plaatsen.
Thevenet heeft een groot oeuvre waarvan niet alle werken gekend zijn, bij elkaar geschilderd. Zal men ooit alle werken die nog bestaan, kunnen achterhalen?
De criticus heeft het dan ook moeilijk om het oeuvre door te lichten. Niet alleen omdat er geen inventaris bestaat, maar ook omdat het niet mogelijk is om alle gekende werken te bekijken en onderzoeken. Werken in collecties van musea, vermeld in bijlage 5, bevinden zich meestal in het depot. Werken in het bezit van overheden en bedrijven hangen in ruimtes niet voor het publiek toegankelijk. Het overgrote deel van de werken is echter in privébezit. Een groot deel van die privébezitters is overigens niet happig om ermee naar buiten te komen, gewoon maar omdat ze onbekend wenst te blijven.
Er zijn natuurlijk de tentoonstellingen. Op collectieve exposities, vaak rond een thema of stroming, vindt men echter slechts enkele werken of zelfs maar één enkel werk. Retrospectieves over Thevenet’s werk zijn daarom de enige mogelijkheid om met het ‘levende’ werk, geen foto’s dus, in contact te komen. Toch wordt ook dan slechts een beperkt deel tentoongesteld: 46 in het Teirlinckhuis te Beersel in 1985 [1], 88 tijdens de retrospectieve te Halle in 1990 [2] en 56 in het Felix De Boeckmuseum te Drogenbos in 2001 [3]. Vaak komt men op tentoonstellingen ook steeds weer dezelfde werken tegen. Wat na het bezoek aan exposities overblijft, is een vluchtige indruk die niet zelden snel zelfs vervaagt.
Dé manier om het werk te leren kennen en te (proberen om te) doorgronden moet daarom via catalogi gebeuren. Er stelt zich echter een probleem. Meestal wordt slechts van een aantal schilderijen een foto opgenomen. Al te vaak worden dan nog zwart-wit foto’s afgedrukt.
Indelingen houden risico’s in: ze lopen al eens mank. Toch heb ik een poging gewaagd:
1. Binnenwerken:
1. 1. Gewone of huisinterieurs:
1. 1. 1. Algemene of kamerinterieurs, kortweg "interieur", niets anders dan ‘weergaves’ van ‘schone’ kamers of keukens;
1. 1. 2. Geconcentreerde of ingezoomde interieurs, kortweg "stilleven", niets anders dan een deel van "interieurs". Ik verkies stilleven boven het Franse nature morte: in zo’n werk is immers meer leven dan dood;
1. 1. 3. Halls;
1. 2. Andere interieurs:
1. 2. 1. Café-interieurs;
1. 2. 2. Kerkinterieurs;
1. 2. 3. Andere interieurs;
1. 2. 4. Ommuurde tuinen als deel van een woning;
2. Buitenwerken:
2. 1. Gebouwen:
2. 1. 1. Cafés en winkels;
2. 1. 2. Kerken;
2. 2. Landschappen:
2. 2. 1. Landschappen in strikte zin: vergezichten;
2. 2. 2. Landschappen in uitbreidende zin: tuinen;
2. 2. 3. Marines en strandgezichten;
2. 3. Allerlei: processies en stadschappen.
Ooit heb ik die dichter en literatuurcriticus ben, geschreven dat Poëzie (…) vragen oproept. Meer zelfs: Poëzie roept meer vragen op dan ze antwoorden geeft. (…) Waarom schrijft men poëzie? De dichter schrijft omdat hij door taal geobsedeerd wordt. Hij schrijft niet voor zichzelf. Niet voor zichzelf alleen, natuurlijk, bedoel ik. (…) Het feit alleen al dat iemand zijn gedichten uitgeeft, bewijst dat er niet voor zichzelf geschreven wordt. De dichter wil gelezen worden. De dichter wil communiceren. De dichter meent dat hij een taak heeft. De ene is van oordeel dat hij de vonk van de inspiratie (…) moet doen overslaan zodat de lezer ertoe aangezet wordt te denken en te interpreteren. De andere wil door zichzelf in de om-wereld proberen te situeren, de lezer met zichzelf confronteren. (…) Waarover handelt poëzie? (…) Dichters zijn niet kieskeurig wat de onderwerpen (…) betreft. (…) Toch is niet alles poëzie. Alles kan wel poëzie worden. Zelfs het scheetje dat me ongewild (?) ontsnapt op een perron in Brussel-Centraal. (…) Poëzie is (…) een combinatie van woorden. Doordat de dichter (zo) veel (mogelijk) wil zeggen met (zo) weinig (mogelijk) woorden, hanteert hij een gecondenseerde en uitgezuiverde taal. Poëzie: vermenigvuldiger van betekenissen van woorden. (…) Poëzie doet de betekenis (…) verschuiven in de richting van de bedoeling van de dichter die (meestal) niet de meest voor de hand liggende betekenis (…) gebruikt. Daardoor gaat het woord een eigen bestaan leiden. Het (…) wordt poly-interpretabel. Het (…) krijgt een andere zin die door de dichter, die het woord gebruikt, (…) bepaald wordt. [a].
Ik denk, nee, weet dat poëzie en schilderkunst meer gelijkenissen vertonen dat men op het eerste zicht zou denken. Ik weet dat mijn tekst ook op schilderkunst van toepassing is. Het volstaat om in bovenstaand citaat poëzie te vervangen door schilderkunst, dichter door schilder, gedicht door schilderij, schrijven door schilderen, lezen door bekijken, lezer door aanschouwer, woord door verf en taal door afbeelding. Het lijkt me dan ook niet meer dan logisch om Thevenet’s schilderijen net als poëzie te analyseren. Het codewoord is poly-interpretabiliteit of meerduidigheid. Noem het de niveaus van het kunstwerk: het uiterlijke of wat er afgebeeld is, en de innerlijke die verwijzen naar wat de schilder heeft willen meedelen én naar de interpretatie door de kunstliefhebber.
Wat leert het uiterlijke niveau? Thevenet schilderde vooral gewone of huisinterieurs waarmee ik interieurs, stillevens en halls bedoel, en café-interieurs. Ik zal me dan ook vooral daartoe beperken.
Hij was landschaps-, noch stadsschilder. Landschapsschilderen werd door zijn generatiegenoten nochtans druk beoefend en was zelfs typisch voor de periode. Dit betekent echter niet dat hij er geen geschilderd heeft. Ik denk zonder volledig te zijn aan "Lever du soleil à Drogenbosch", zonder jaartal, "Soir sur les dunes" vóór 1900, "Bord d’étang" uit 1908, "Paysage campagnard" uit 1911, "Etang à Drogenbos" uit 1915, "Kanaal te Halle" uit 1919, "Landschap met fabriek te Halle" uit 1922 en "Boskant" uit 1924.
Hij was ook geen portretschilder terwijl zijn generatiegenoten tal van portretten, eigen aan hun tijd, geschilderd hebben. Ik heb slechts het bestaan van één zuiver portret kunnen achterhalen: "Zelfportret" uit 1925. Toch duiken sporadisch figuren in zijn werken op. Ik denk zonder volledig te zijn aan "Les enfants du choeur", zonder jaartal, "Jeune fille à la robe rouge ouvrant un tiroir d’une commode" uit 1910, "De man met de kaart" uit 1913, "Charles Decoster aan het harmonium" en "Het meisje aan het raam - Jeanneke" uit 1918, "Café De Grève" waarop hij zichzelf in een spiegel aankijkt, uit 1920, "L’homme lisant" uit 1921 en "La couturière" uit 1929.
Thevenet heeft zijn huis- en café-interieurs aangekleed met gewone voorwerpen. Als dagdagelijkse objecten denk ik aan bier- of wijnglas, boek, boestering, fles of karaf, fruit, hangklok, hoge, winter- of zomerhoed, kapstok met kleding, kast met open lade, Mariabeeld onder glazen stolp, muziekinstrument, open deur of venster, overloop of hall met open deuren of begin van een trap, paraplu, schilderij, schotel, spiegel, vaas met bloemen, vogelkooi, wandelstok, zicht van binnen op binnentuin in zonlicht, zoetigheid en taart, … Opvallend is dat die dingen niet representatief hoeven te zijn voor het ‘gewone’ huis. Belangrijk is dat ze steeds weer in andere combinaties en vanuit andere invalshoeken afgebeeld werden.
Thevenet’s schilderijen lijken onaf. Vaak, meer wel dan niet werden delen van een geheel, de pars pro toto of deel voor een geheel uit de poëzie, afgebeeld. Ik denk zonder volledig te zijn aan delen van een boestering, een canapé, een deur, een fles, een hangklok, een kast, een raam, een schilderij, een spiegel, een tafel, een toog, …
Wat leert een eerste innerlijk niveau? Thevenet heeft zijn onderwerpen, zijn ruimtes en voorwerpen dus, een bijkomende inhoud of zelfs supplementaire inhouden gegeven.
Hij heeft niet gewoonweg geschilderd wat hij zag en zo een zoniet fotografische, dan toch wel een realistische weergave van wat hij zag, geschilderd. Marcel Duchâteau heeft verwoord: hij heeft niet het uitwendige, maar het inwendige, het binnenste van de dingen (…) geschilderd. Hij heeft met andere woorden betekenis gegeven. Betekenen is teken zijn, d.w.z. symbool, zinnebeeld, verwijzing naar iets wat slechts spreekt tot diegenen die de eigenaardige taal der zinnebeelden, der symbolen verstaan. [4]. Het spreekt dat elke kunstliefhebber die een autonoom denkend wezen is, niet (noodzakelijk) op dezelfde wijze interpreteert.
De voorwerpen zijn zonder moeite herkenbaar, gewoon maar omdat ze de werkelijkheid trouw blijven. Toch kan men er niet omheen dat ze een eigen leven in symbiose met de omgeving leven. Meer zelfs, ze roepen de mens van wie ze zijn, op. Wie was of waren die pers(o)on(en)? Thevenet zelf? Iemand die zich in de kamer ernaast bevond? Iemand die voor Gestommel zorgde / op de duistere verdieping. Wil de vrouw des huizes / uitgaan? Hangt ze haar zondagse kleed in de kast? [b].
Overdrijf ik door naar de eigenaar te verwijzen? Ik denk het niet en bevind me in goed gezelschap. René Lyr heeft het gehad over schilderijen zonder letterlijke en visuele, maar wel verdoken en veronderstelde menselijke aanwezigheid [5]. Remi De Cnodder wist dat Louis Thevenet (…) ons geconfronteerd heeft met de wezenheid van de eenvoud, waarin de mens bijna steeds lijfelijk afwezig is, maar niettemin gans de sfeer optimaal doordringt. [6]. Alle voorwerpen verwijzen naar Thevenet. Ze zijn deel van hem. Ze zijn zijn bezit. Opnieuw heeft Thevenet de pars pro toto gebruikt.
Claude Lyr ging een stap verder door te verklaren dat Thevenet a ceci de particulier, qu’il s’identifie avec ce qu’il peint. [7]. Hij heeft een andere dichterlijke stijlfiguur toegepast: personificatie of een beeldspraak die dingen en planten menselijk voorstelt.
Thevenet heeft door te benadrukken en te herhalen, nog een poëtische stijlfiguur, aangetoond dat híj en niemand anders zijn schilderijen bewoont. Komen daardoor zo weinig figuren voor? Thevenet is in zijn werken gekropen en heeft ze zo een ziel gegeven. Opnieuw wordt een dichterlijke stijlfiguur gebruikt: beeldspraak of de wijze van meedelen waarin men het aan te duiden ‘ding’ vervangt door een (of meer) beeld(en) met de bedoeling om bijzonder te accentueren of één of meer karakteristieken naar voor te brengen.
Steeds weer duiken dezelfde voorwerpen op. Jaak Fontier had het terecht over welbepaalde voorwerpen die (…) worden aangebracht wegens hun symbolische waarde. Dit is van alle tijden: denk aan de talrijke keren dat men schedel en zandloper afgebeeld heeft zonder dat men de meest voorkomende betekenis voor ogen had. Fontier heeft dit schijnrealisme [8] genoemd. Ik noem het symbolisme.
Ik heb het met Fontier over welbepaalde voorwerpen die altijd weer opduiken, gehad. Het gaat inderdaad om een bewust arrangement van de objecten in plaats van een toevallige ontmoeting [8] met voorwerpen die probleemloos door andere kunnen vervangen worden. Het gaat om zaken die symbool staan voor bepaalde karaktertrekken van of elementen die Thevenet als mens bepalen.
Duidelijk is dat Thevenet ze als fetisj beschouwde. Ik moet opletten met het gebruik van fetisj. Mijn ‘vriend’ van Dale kent 3 betekenissen. 2 ervan zijn niet op Thevenet van toepassing. Wat Thevenet afbeeldde, was geen levenloos voorwerp van afgodische verering (…) of (bij uitbr.) ook geen voorwerp (m.n. van een geliefd persoon afkomstig) van ziekelijke, bijgelovige verering. [c].
Zelfs de derde betekenis, beeldje waaraan magische eigenschappen worden toegeschreven [c], lijkt niets aan het inzicht in het werk toe te voegen. Dit is slechts schijn. Laat me toe om te parafraseren en een beetje aan te passen door magisch te vervangen door bijzonder. Een fetisj is niet wat je ziet. Een fetisj is wat erachter of erin schuil gaat: Thevenet heeft van een beeld dat ik voorwerp noem, niet het ‘het’, maar de ‘hij’ of ‘zij’, de diepere betekenis dus, willen verbeelden. Elk voorwerp had voor Thevenet een bijzondere betekenis. Het is dan ook niet verwonderlijk dat steeds weer dezelfde voorwerpen die niets anders dan symbolen van zijn gedachten, gevoelens, meningen, … zijn, opduiken.
Een aantal voorwerpen laat zich zonder moeite duiden. Bier- of wijnglas, boestering, fles of karaf, fruit, zoetigheid en taart verwijzen naar zijn liefde voor drank, eten en snoep die een soort wegvluchten uit het dagelijkse leven verbeelden. Bier- of wijnglas en fles of karaf doen zelfs de drankverslaving vermoeden. Hieruit blijkt duidelijk dat hij zichzelf zeer goed kende en dat zelfspot hem niet vreemd was.
Hoed, kapstok met kleding, paraplu en wandelstok wijzen op de steeds aanwezige drang om het huis te verlaten of zelfs uit te vluchten. Vaas met bloemen en bloementuin duiden aan dat hij vaak wegvluchtte in de natuur waar hij stilte en rust vond. Mariabeeld onder een glazen stolp en kerk en kerkinterieur verwijzen naar zijn religieuze karakter. Is er een link tussen natuur en religie? Bracht de natuur hem dichter bij god die ik met een kleine letter schrijf?
Blijft het bij tijdelijk vluchten? Kast met open lade, open deur, open venster en hall met open deuren of het begin van een trap verbeelden dat hij het er moeilijk mee had om opgesloten te zitten. Leed hij aan claustrofobie? Niets wijst erop. Het lijkt wel of alles er was om op elk moment te kunnen vertrekken: de kledij was binnen handbereik en open deuren en ruimtes nodigden uit om uit te gaan zoals uit "Mijnheer gaat uit" uit 1916 blijkt. Heeft Thevenet zijn hele leven geleefd met de drang om te vluchten? Dat hij geregeld van woning veranderde, lijkt vaagweg positief te beantwoorden. "De man met de kaart" uit 1913 lijkt te bevestigen. Wijst de vogelkooi die geregeld opduidt, op die angst voor opsluiting?
Ook en misschien zelfs vooral kunst, verbeeld door boek, muziekinstrument en schilderij aan de muur, was een middel om in - Vluchtte Thevenet uit of in de wereld?- te vluchten. Meer zelfs, schilderen-op-zich was hét middel om de wereld de rug toe te draaien. Schilderen heeft hem steeds in de ban gehouden. Het lijkt er zelfs op dat de liefde en de drang om te schilderen met de jaren toegenomen is. Op 18 juli 1928 schreef hij aan René Lyr: je travaille toujours avec grande foie dans mon art que j’aime de plus en plus [A, 24113].
De hangklok lijkt een belangrijke rol die zich echter niet zomaar laat verklaren, te spelen. Nam de drang om te ontsnappen met de tijd toe? Nam die drang mettertijd af omdat hij zich door het lange verblijf in Halle gesettled voelde? Werd hij zich ervan bewust dat de kans om te ontsnappen met ouder worden moeilijker werd? Of maakte het tikken van de hangklok hem erop attent dat hij wat hij met mon art que j’aime de plus en plus [A, 24113] voor doel heeft gehad, nooit zal kunnen afwerken?
Uit wat voorafgaat, lijkt het wel of Thevenet iets met poëzie gehad heeft. Het lijkt slechts zo. Het is schijn. Niets immers wijst erop dat hij een belezen man met belangstelling voor literatuur in het algemeen en poëzie in het bijzonder was. Uit zijn brieven blijkt overigens dat hij geen foutloos Frans kon schrijven. Schrijf die links met poëzie maar op mijn rekening. En toch, kan men kunst die talrijke vormen telt, niet beschouwen als een interdisciplinair ‘iets’?
Even belangrijk als de voorwerpen is het feit dat de schilderijen onaf lijken. Ook René Lyr heeft vastgesteld dat Thévenet (…) zelden (…) een volledige vorm weergaf. Die inkorting was abstract en modern [9]. Thevenet heeft de techniek bewust toegepast. Wilde hij ermee aanduiden dat er zich naast zijn eigen beperkte wereld een andere, uitdeinende, overweldigende wereld bevond die hem aantrok? Is wat niet afgebeeld is, dan bevestiging van de symboliek die in de voorwerpen verborgen zit?
Ik heb werkwoorden als (weg)vluchten, verlaten, vertrekken, de rug toedraaien en ontsnappen gebruikt. Het is duidelijk waar Thevenet met zijn kunst heen wilde. Zijn hele oeuvre was een vlucht uit de realiteit in dronkenschap, eten en snoep, natuur, God, kunst, … Kortom, een vlucht uit de beperkende, misschien zelfs bedreigende werkelijkheid van de eigen, kleine leefwereld. Waarin vluchtte Thevenet weg? Ik zou het een te leven, gedroomde, onrealistische, nooit gerealiseerde werkelijkheid willen noemen.
Nooit echter heeft Thevenet de ultieme stap gezet. Nooit heeft hij zoals Vincent van Gogh en Paul Gauguin zijn schepen verbrand en tabula rasa gehouden. Naar de reden(en) heb ik het raden. Was hij doordat hij in Halle tot rust gekomen was, niet langer de artiest uit zijn ‘Brusselse’ periode, maar een (klein)burgerlijk kunstenaar? Was de drang om te ontsnappen met de jaren afgenomen? Was de ‘vader’liefde voor zijn Jeanneke te groot?
Escapisme is niet vreemd aan kunst. Het heeft meesterwerken voortgebracht. Het is wel vreemd om die evasiedrang bij een interieurschilder aan te treffen. Het lijkt zelfs een paradox dat iemand uit de ‘grote stad’ die Brussel was en is, zich in Halle opsloot in een uiterste poging om te ontsnappen. Opnieuw duikt een poëtische stijlfiguur op: de paradox of de schijnbare tegenspraak, gebruikt om het complexe van een situatie beeldend uit te drukken. Vreemd is dat Thevenet’s interieurs die het resultaat van zijn evasiedrang zijn, de kunstliefhebber niet opsluiten, maar bevrijdend op hem inwerken.
Wat leert een tweede innerlijk niveau? Thevenet is niet alleen schilder van interieurs waarin de voorwerpen een eigen, consequent leven zijn gaan leiden, maar ook schilder van vormen.
Zijn schilderijen zijn opgebouwd uit voorwerpen met zichtbare en meetbare kenmerken. Het zijn composities die uit geometrische vlakken bestaan. Vierkanten en rechthoeken vallen op. Toch wordt de aandacht vooral getrokken door cirkels. Ik denk aan hoed, horlogeplaat, kaasstolp, lamp, ovalen lijst, schotel, taart, tafel, tomaat, versiering van stoel of op stof, …
Vaak wordt de cirkel of de cirkel benaderende vorm als symbool voor de moeder die geborgenheid oproept, beschouwd. Heeft het (te) vroeg verliezen van de moeder -Haar jaar van overlijden heb ik nog niet kunnen achterhalen.- Thevenet’s denken blijvend beïnvloed?
De composities bestaan niet gewoon maar uit geometrische vlakken. Het zijn evenwichtige composities bestaande uit gekleurde en geometrische vlakken. Ben ik verkeerd indien ik meen dat ik het over een abstracte opbouw mag hebben?! Het lijkt me dan ook niet overdreven om van een bewuste opbouw te spreken. Er is dan ook geen sprake van een strijd tussen gebogen en rechte lijnen. Men mag, moet daarentegen van een dialoog tussen die lijnen en vlakken gewagen. Thevenet ‘herhaalt’ zichzelf. Herhaalt elke kunstenaar echter zichzelf niet?! Laat me toe om te nuanceren: Thevenet ‘herhaalt’ zichzelf slechts in voorwerpen die een alibi of voorwendsel zijn om met gekleurde, geometrische vlakken te spelen. Past wat Duchateau aangehaald heeft, hierin? Emma heeft ooit aan René Lyr verklaard: "Louis zag verkeerd (…). Ik zegde hem vaak: uw deur is te groot, uw tafel is te klein". Waarop hij antwoordde: Maar ik schilder geen deur, ik schilder geen tafel". [4].
Treden er veranderingen op in Thevenet’s wijze van uitbeelden?
Dat Rene Lyr en Van Der Eeckt zijn werk in 2 periodes opdelen, lijkt erop te kunnen wijzen. Om in te delen zijn ze uitgegaan van de omgeving waarin de schilder leefde en werkte. Ze zagen een "burgerlijke" en "volkse" periode [5]. Beiden waren zich wel bewust van het kunstmatige van hun indeling. Van Der Eeckt heeft treffend verwoord: Alhoewel, omdat er geen echte breuklijnen (…) zijn, is het wel de enige voor de hand liggende indeling. [10]. Lyr heeft de burgerlijke periode ook "vette" [5] genoemd, maar er dadelijk aan toegevoegd dat het zonder enige kleinerende bijbedoeling [5] gebeurd is. Hij heeft ook meer dan eens en terecht benadrukt dat er tussen beide periodes geen stilistische breuk waar te nemen is.
Vreemd is dat Lyr en Van Der Eeckt de grens tussen beide periodes niet in hetzelfde jaar gesitueerd hebben. Lyr situeerde de eerste periode in 1906-1914 en de tweede in 1914-1930. Van Der Eeckt gebruikte voor de eerste periode toen Thevenet onder de veilige hoede van mecenassen en van financiële zorgen bevrijd werkte, dezelfde data als Lyr. De volkse periode echter viel volgens haar samen met De veertien jaar die hij te Halle doorbracht [10] en begon dan ook pas in 1916. Waarom liet ze de periode 1914-1916 onbesproken?
Ik stel me vragen bij die indeling. Ik beschouw 1906-1930 als één enkele periode omdat indelen op basis van het afgebeelde, dus onderwerpen die slechts aan de leefomgeving aangepast zijn, geen zin heeft, gewoon maar omdat Thevenet steeds zichzelf gebleven is.
Toch kan ik me in de indeling enigszins terugvinden, al was het maar omdat daardoor níét aan zijn verblijf in Halle voorbijgegaan wordt. Men zou voor beide periodes overigens andere omschrijvingen kunnen gebruiken. De eerste periode: Brusselse periode, artiest én zwerver, gerespecteerd schilder. De tweede periode: Halse periode, kunstenaar én burger-kunstenaar, peintre maudit naar analogie met poète maudit. In dit geval kan "Mijnheer gaat uit" uit 1916 een, misschien wel hét scharnierwerk zijn.
Lyr en Van Der Eeckt hebben 1897-1905 buiten beschouwing gelaten. Dit is niet verwonderlijk. Uit die periode zijn slechts weinige werken met zekerheid aan te duiden. Walschot vermeldde voor 1897-1905 slechts 7 schilderijen op totaal van 557 achterhaalde. Ikzelf heb er 20 gevonden. Op basis van het kleine aantal zou het onvoorzichtig geweest zijn om besluiten te trekken.
Misschien heeft Rik Clement juist ingedeeld. Ook hij had het over de 2 periodes. Hij deelde ze echter op basis van soorten werken in. In de eerste periode schildert hij landschappen, interieurs, kerkinterieurs, stillevens, in een schakering van heerlijke grijzen, die de intimistische sfeer bepalen, welke zijn kunst kenmerken. In de tweede periode verheldert hij zijn palet en zal hij zich bijna uitsluitend tot het interieur en stilleven beperken. [11]. Ook hij liet de periode tot 1906 onbesproken.
3 constanten vallen op: waarneming, limiet en herinnering.
Thevenet nam waar omdat hij gefascineerd was door de dingen. Bijna had ik de schoonheid ervan geschreven. Ik hoed me om kunst schoon te noemen. Dichter Clem Schouwenaars schreef dat er geen goede of slechte gedichten bestaan; (…) alleen maar gedichten. Zo zijn er ook geen goede of slechte dichters; alleen maar dichters. De zogenaamd "slechte" zijn de naam "dichter" niet waard. [d]. Dat dit ook voor schilderkunst opgaat, staat buiten kijf.
Thevenet beperkte zijn schilderijen op 2 manieren: limiet van ruimte en tijd. Door de ruimte te limiteren isoleerde hij de dingen door ze naar voor te brengen en uit te vergroten, close-ups zoals in de fotografie, waardoor hun intensieve kracht opvalt. Noem het fragmentarisme. Door tijd te limiteren legde hij dingen op een welbepaald moment vast. Later vastleggen zou een ander kunstwerk opgeleverd hebben.
Door in zijn herinnering te graven bracht Thevenet herhaling, herkenning en identificatie in zijn werken.
[b] Mail van 18 december 2006 van Victor Ghysels, initiatiefnemer én verantwoordelijke van https://blog.seniorennet.be/halle, een site met wetenswaardigheden over Halle.
[c] GEERTS, G. en HEESTERMANS, H. Van Dale groot woordenboek der Nederlandse taal. Van Dale lexicografie, Utrecht, Nederland en Antwerpen. 1995.
[d] SCHOUWENAARS, Clem. Verzamelde gedichten. Hadewijch, Schoten. 1984.
[1] DDAA. Louis Thevenet. 15 juni 14 juli 1985 Herman Teirlinckhuis. Gemeente Beersel, Beersel. 1985 [n.a.v. de tentoonstelling in het Herman Teirlinckhuis in Beersel van 15 juni tot 14 juli 1985].
[2] DDAA. Retrospectieve Louis Thévenet. Brugge 1874 - Halle 1930. Gemeentekrediet, Brussel. 1990 [n.a.v. de tentoonstelling "Louis Thévenet", georganiseerd door de Stad Halle met de medewerking van het Gemeentekrediet in het Oud-Jezuïetencollege te Halle van 6 oktober tot 30 november 1990].
[3] DDAA. Ontmoeting met Felix (De Boeck) Louis Thévenet. Gemeente Drogenbos en Stichting Felix De Boeck, Drogenbos. 2001 [n.a.v. de tentoonstelling in het Felix De Boeckmuseum te Drogenbos van 9 september tot 25 oktober 2001].
[4] DUCHÂTEAU, Marcel. Rond de "Retrospectieve Louis Thevenet …. Inleiding, gegeven door de heer Marcel Duchâteau, kunstcriticus. In: Trimestrieel Informatiebulletin van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring Halle, jg. 2, nr. 6, februari 1955, p. 2-5.
[5] LYR, René. Louis Thévenet. De Sikkel, Antwerpen. 1954.
[6] DE CNODDER, Remi. Louis Thevenets wereld van de kleine zielen. In: Gazet van Antwerpen, 10 februari 1975, p. 2.
[7] LYR, Claude. Le peintre Louis Thevenet. Niet-gepubliceerde toespraak, uitgesproken voor de Rotary Club van Halle op 5 mei 1975 te Halle.
[8] FONTIER, JAAK. Louis Thévenet (1874-1930). Kunstwerken van de twintigste eeuw in het Groeningemusuem (7). In: Brugsch Handelsblad, 13 januari 1973.
[9] LYR, Claude. Het mysterie Thévenet. In: DDAA. Retrospectieve Louis Thévenet. Brugge 1874 - Halle 1930. Gemeentekrediet, Brussel, p. 45-53. 1990 [n.a.v. de tentoonstelling "Louis Thévenet", georganiseerd door de Stad Halle m.m.v. het Gemeentekrediet in het Oud- Jezuïetencollege van Halle van 6 oktober tot 30 november 1990]. 45-53.
[10] VAN DER EECKT, Gabriëlla. Louis Thevenet: 1894-1930 Schilderij: "De Vierbunder". Eindwerk tot het bekomen van het diploma van antiekhandelaar. I.M.O.V. Gent, Gent. 1994 [Promotor: Lieve Compernolle].
[11] CLEMENT, Rik. Beperkte retrospectieve van de meester van Hal. In de intimiteit van Louis Thévenet. In: Het Volk, 10 december 1984.
archief
[A] Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België - Archief voor Hedendaagse Kunst in België. Museumstraat 9 te 1000 Brussel.



