In 1908 huwde Thevenet Emma. Al snel nam ze de leiding van het huishouden dat tot Thevenet’s dood met Jeanneke uit 3 personen bestond, op zich. Ze bekommerde zich niet alleen om de menselijke, maar ook om de geestelijke of de semi-artistieke problemen.
Nog in 1908 begon ze met "de reekening van Emma". In een schriftje van 22 bladzijden van 16,5 centimeter bij 10 centimeter hield ze chronologisch, maar met weinig blijk voor uniformiteit de verkoop bij. In detail ontleden van een transcriptie door Walschot loont de moeite. Hij heeft zo getrouw mogelijk (…) de oorspronkelijke vorm, stijl, taal en schikking van een fotokopie van het origineel waarvan ik niet heb kunnen achterhalen wie het heeft, gerespecteerd.
Het schrift is volledig en zonder blanco-delen volgeschreven. Het begint bovenaan op de eerste bladzijde met de vermelding van de reekening van Emma, de titel, en Verkocht in jaar 1908., de eerste van 23 ondertitels die naar een jaar verwijzen. De onderdelen zijn door de ondertitels van elkaar gescheiden. Het schrift eindigt op de tweeëntwintigste bladzijde onderaan. Toen het schrift vol was, stierf Thevenet. Indien ik bijgelovig ben, zou ik van het fatum gewagen.
Het is in het ‘Nederlands’ en het ‘Frans’ geschreven. Walschot heeft het over een mengelmoes van "beschaafd" Westvlaams (…) en Vlaams fonetisch-Frans (…). De bizarre schrijfwijze vergemakkelijkte de ontcijfering (…) geenszins. De taal deelt veel mee over Emma’s culturele niveau en het niveau van het onderwijs op het einde van de negentiende eeuw.
In de regel begint de verkoopsaanduiding met de vermelding van dag en maand. Ik vermeld zonder volledig te zijn de verschillende schrijfwijzen: Jani, Janvrier, janvrie en Javrier, F, Fr, Fev, Fevrai, Fevreal en Fevrier, Maarte en mars, Avriel, verbeterd tot Avril, Mei en Mai, Juni, Juli, Julli, Julie en sjulli, aug, augu, augusti en auguste, sep, sept en Septembre, Octobre en octopbre, N, No en Novembre en des en Desembre, al dan niet verbeterd tot Decembre. Geregeld echter wordt de datum achterwege gelaten.
Dag en maand worden in de regel gevolgd door de naam van de koper. Van de meeste wordt de familienaam vermeld, bijna altijd voorafgegaan door Monsieur of Madame, Mme, Mm of Me en soms de voornaam, waaruit respect blijkt. De eerste koper was Bajot wiens naam zoals dat voor verscheidene andere het geval is, op diverse manieren geschreven wordt: Buéso, Byso, Byzo en Basjo.
Letterkundige Herman Teirlinck die enkele Thevenet’s had, komt tweemaal voor: Tirelink en Teerlink. In zijn werk treedt Thevenet slechts één keer op. In "Verzameld werk vierde deel" kan men lezen dat Ik (…) mij in 1906 was komen vestigen in Linkebeek (…). Ik werd onmiddellijk opgenomen in een aldaar hokkende schildersbent (…). Deze wildzangen huldigden, los van alle academisme, een zonnig impressionisme, waar vorm en licht zich aan elkander uitleefden, en kleuren achterlieten van ontroerende geraffineerdheid. Vooral bekoorde mij de primitiefheid van Thévenets uitbeeldingen, en ik heb veel uren, en kostbare, in onderbewuste wisseling van tekens, met deze ongeletterde vissersjongen beleefd. [2].
Of Teirlinck Thevenet goed gekend heeft en zelfs zijn vriend zou geweest zijn zoals men wel eens leest, betwijfel ik. Redenen te over. Emma schreef de familienaam verkeerd. Uit Teirlincks citaat blijkt een gebrekkige kennis. Hij noemde Thevenet ongeletterd terwijl hij brieven geschreven heeft. Hij had het over een vissersjongen. [2]. Thevenet is van Brugge dat niet aan de zee ligt en waar hij slechts zijn eerste 2 levensjaren gewoond heeft. Hij stamde niet af van vissers en lijkt nooit gevist te hebben. Of dacht Teirlinck aan Thevenet’s verblijf in Nieuwpoort en zijn reizen op de wereldzeeën? Op valt dat Teirlinck in tegenstelling tot anderen niet met de voornaam alleen vermeld is wat kan doen vermoeden dat er tussen beiden eerder een zakelijke relatie was.
Slechts van enkele kopers wordt de voornaam of een deel ervan vermeld: François of fr Van Haelen, zijn broer Dominique en Romain Sevenants. Ze behoren tot de grote kopers, vermeld in de "reekening": François van Haelen die volgens Rene Lyr 55 werken bezat, wordt 17 maal als koper vermeld, zijn broer Dominique en Sevenants elk 14. Is er door de veelvuldige contacten een vriendschapsband ontstaan? Andere grote vermelde kopers zijn Hunin die volgens Rene Lyr 56 werken had, met 17 werken, Lyr zelf met 18, Theunissen met 12 en de Hallenaar Vanderkelen met 17.
Vaak wordt familie-, noch voornaam vermeld. Emma heeft het over ma tant, Mr de Frans of uit Frankrijk, Mr St Jostenod of uit Sint-Joost-ten-Node, ami de Romain, 2 Mr de Oland of uit Nederland, Mr d’anvers, Madame de foret of uit Vorst, … Vaak wordt als enige of bijkomende informatie over de koper gegeven: paris of de plaats waar het werk verkocht werd, straat en/of gemeente, en face Romain of de benaderende woonplaats, en beroepen als Musicien, consul zeneral, consyl Provinsial, Pharmacien, doctor, C’est un brasseur, marchand de meubles, couturier, …
Dag en maand én naam van de koper worden in de regel gevolgd door de vermelding van het werk. Meestal zijn het omschrijvingen als interieur en stilleven in tal van spellingsvarianten. De eerste titel duikt pas op 18 april 1912, 4 jaar na het begin van de "reekening", op.
Opnieuw valt het taalgebruik op -Ik doe geen poging om volledig te zijn.-: naturemort, naturmort, natur mort, granaturemort of grande nature morte, interieur, petiet interieur, interier, geraniom, cabijauw, bostering, comode, zardin, le mand Mei, canapee, acodion of accordeon, chapeo of hoed, lanfant of het kind, pleneir of open lucht, prosessïeon, chais, portemanto, secreteir en salamangee.
Nooit worden de afmetingen van schilderijen vermeld. Ook de datum van het toe stand komen van een werk is achterwege gelaten.
De verkoopprijs wordt op tal van plaatsen vermeld. Vaak is het niet duidelijk of de prijs op één of meer werken slaat. Soms, maar te zelden heeft Emma geholpen door het aantal werken waarop het bedrag van toepassing is, te vermelden. Vaak is geen prijs vermeld.
Geregeld is werk voor materiële zaken geruild: 38 bouteilles lambic in 1910, 6 stoelen, 12 bout vin, fauteuil, ets of etcetera, 1 tonneau de vin, charbon en 1000 frank bouteilles lambic in 1912, 12 sac de patates uit 1913, 100 fr in lambic in 1914, echange pour vin en change pour chaussure in 1915, 10 sacs charbon, 20 sas charbon en 1 Paire bottines pour Emma in 1916, échange de couleurs in 1919, Une armoire de cuisine et des toiles pour l’argent in 1925, pour des potteries (tasse) in 1926, 500 fr. de vin, Pour un meuble en chénes et quelques meubles en vin in 1927 en meuble en vin in 1928. Merk op dat een aantal van die vermeldingen in onberispelijk Frans geschreven is. Wie ze geschreven heeft, is onduidelijk. Walschot veronderstelde dat ze door René Lyr die het origineel bezeten heeft, toegevoegd zijn. Is dit nog tijdens Thevenet’s leven of pas na zijn overlijden gebeurd?
Uit de "reekening" kunnen verduidelijkende zaken afgeleid worden. Toch kunnen er misschien wel meer vragen gesteld worden.
De verkoop van het aantal werken blijkt uit de grafiek in bijlage 2. Toch is het moeilijk om het juiste aantal verkochte werken te achterhalen. Meestal immers treft men omschrijvingen als interieur of stilleven aan. Wanneer deze omschrijvingen op zich staan, stelt er zich geen probleem. Al te vaak echter bevindt zich op dezelfde regel een titel zodat de vraag moet gesteld worden of de omschrijving een verklaring van of toelichting bij de titel is.
Emma heeft het de lezer echt niet gemakkelijk gemaakt. Ze schreef alles zomaar achter elkaar. Niet zelden is de titel van een werk verdeeld over meer dan één regel. Soms worden ‘delen’ niet van elkaar gescheiden en soms gescheiden door een komma of een enkele of dubbele schuine streep. Een exact cijfer op de verkoop gedurende 23 jaren plakken is dan ook een delicate opdracht.
Toch zijn er pogingen gebeurd. René Lyr heeft 449 werken geteld. Walschot kwam tot 401 en verklaart Dat kleinere aantal dan bij Lyr aan het feit dat we bepaalde vermeldingen zoals "intérieur" of "nature morte" eerder als verklaring bij de titel van een schilderij dan wel als een afzonderlijk werk hebben beschouwd. Ikzelf kwam uit op 442.
Dat de "reekening" niet alle werken bevat, staat vast. Slechts verkochte werken werden bijgehouden. Daarbij moet men de 36 werken tellen die tot de nalatenschap van Thevenet behoorden. Vóór 1908 heeft Thevenet echter ook geschilderd.
Werken werden geruild en zelfs ter plaatse geschilderd en haalden de "rekening" niet. Oud-Hallenaar Victor Ghysels heeft me het verhaal van Pie Pot of Pierre Ghysels bezorgd. Wanneer Thevenet zonder geld zat, ging hij geregeld naar een café op de Vogelpers, naast de schrijnwerkerij van Pie Pot, waar hij in ruil voor een schilderij gratis eten kreeg. Hij schilderde op rechthoekige planken die in de schijnwerkerij gezaagd werden. Een aantal van die werken zijn nog eigendom van Ghysels’ familie. [a].
René Lyr stelde dat il apparaît que plus de la moitié de l’oeuvre (…) n’y est pas reprise. [3]. Elders had hij het over een duizendtal schilderijen. Ik heb er mijn twijfels bij. Indien Thevenet aan hetzelfde tempo als vanaf 1908 zou gewerkt hebben, zou hij vanaf 1897 in Anseremme 250 schilderijen gemaakt hebben. Dit zou het totaal op ongeveer 730 werken moeten brengen.
Een lijst van alle schilderijen opstellen blijft giswerk. Walschot heeft een poging ondernomen. Steunend op de "reekening van Emma", Lyr (1945), enkele publikaties en katalogen -Spijtig genoeg liet hij na om zijn bronnen te vermelden.- kwam hij tot een uiteraard onvolledige alfabetische lijst [1, p. 40-67], Onvolledig omdat we slechts 557 werken konden inventariseren. Ikzelf kom tot meer dan 500 werken en heb nog bronnen te inventariseren.
Ik heb nagegaan welke schilderijen uit de periode 1916-1930, in 1990 te Halle tentoongesteld [4], in Walschots lijst van oktober-december 1990 vermeld staan. Van de 61 werken vond ik er 57 terug. Van die 57 werken vermeldde Walschot voor 45 geen jaar van verkoop wat betekent dat slechts 12 met zekerheid in de "reekening" voorkomen. Met zekerheid omdat een aantal van de 45 andere werken achter algemene omschrijvingen als interieur of stilleven ‘verborgen’ kunnen zitten.
Eenduidigheid over de titels is er vaak niet; ik heb het niet over het al dan niet vermelden van een lidwoord. Ik beperk me tot het vermelden van "Interieur van het huis te Nieuwpoort" [4] of "Interieur te Nieuwpoort" [5], "De slaapkamer" [4] of "De slaapkamer van François Van Haelen" [6], "Commode met open lade" [4] of "Ladenkast met open lade" [7] uit 1907, "De judaspenning" [4] of "Sint-Pieterspenning" [6] uit 1907, "De gang" [4], "Gang" [7], "De gang van de brouwerij" [6] of "De gang, brouwerij Van Haelen" [5] uit 1910, "Het ronde tafeltje" [4] of "Stilleven met witte nap" [8] uit 1917, "De huizen van Halle" [4] of "Sollembeemd" [6] uit 1920, "Pladijzen en bloemenvaas" [4] of "Pladijzen met kaas" [8] uit 1924, "De witte tafeldoek" [5] of "De witte tafel" [8] uit 1925 en "Kaas en brood" [4] of "Kaasstolp, brood en boter" [5] uit 1926.
De meeste werken hebben pas later een titel gekregen. Wie heeft die gegeven: de eigenaar of de organisator van een tentoonstelling? Een aantal titels dateert zelfs van lang na Thevenet’s dood: "Binnenzicht van de basiliek van Halle" en "Eglise de Hal" of "Binnenzicht in de basilek van Halle", beide uit 1917, "Basiliek te Halle" uit 1923 en "Basiliek vanaf H. Consciencestraat" uit 1928. De Sint-Martinuskerk werd immers pas in 1946 tot basiliek verheven.
Een lijst met alle werken is ondanks de lovenswaardige poging van Walschot nog steeds niet opgesteld. Het opstellen van een alles omvattende lijst belooft een moeilijke, misschien wel onmogelijke opdracht te worden. Een aantal redenen heb ik reeds aangehaald en kunnen met de volgende die elkaar kunnen overlappen, aangevuld worden: nog nooit tentoongestelde, maar gekende werken, nog nooit tentoongestelde en niet gekende werken, werken waarvan geen foto bestaat, werken die met titel, maar zonder afbeelding, afmetingen en/of jaartal vermeld worden in bijdragen, …
Bijlage 2 bevat naast het totale aantal verkochte werken de aanduiding van die werken waarvoor in de "reekening" een bedrag vermeld wordt. Indien ik de 8 jaren van de vóór-Halse periode met de 15 jaren van de Halse waarbij ik 1916 volledig bijneem, vergelijk, valt op dat de Halse de vruchtbaarste is. Slechts 3 jaren van de tweede periode waaronder het onvolledige 1930, zijn minder vruchtbaar dan het vruchtbaarste jaar uit de eerste. 4 jaren uit de eerste periode zijn vruchtbaarder dan het minst-vruchtbare jaar uit de tweede periode.
Voor 6 van de 23 jaren staat voor elk schilderij een prijs vermeld. Voor 15 van de 23 jaren staat voor ten minste 68 % van de schilderijen een prijs vermeld. 2 jaren vallen uit de toon: 1912 met 50 % en 1929 met 24 %. 1912 durf ik als een toevalligheid te beschouwen: niets in Thevenet’s leven lijkt immers het onzorgvuldig bijhouden te kunnen verklaren.
1929 trekt echter mijn bijzondere aandacht, zeker indien ik het koppel aan 1927 waarvoor ‘slechts’ voor 70,4 % een verkoopprijs vermeld is. Is het toeval dat het gaat over 2 van de 4 jaren die Thevenet op de Consciencestraat woonde? Was er met de verhuis en de intrek in de zo lang nagestreefde eigen woning sprake van een zekere euforie die laksheid in het bijhouden van de boekhouding kan verklaren? Is de slabbakkende economie met als hoogtepunt de beurscrash van 1929 en de onzekere toekomst de oorzaak?
Bijlage 3 bevat de inkomsten uit de verkoop. Terughoudendheid bij de interpretatie dringt zich op, rekening houdende met het ruilen van schilderijen voor materiële zaken in 1910, 1912, 1913, 1914, 1915, 1916, 1919, 1925, 1926, 1927 en 1928 en het feit dat voor tal van werken voornamelijk verkocht in 1912, 1916 en 1929, met 1927 als absolute uitschuiver, geen bedrag vermeld wordt.
Ook hier onderscheid ik 2 periodes die ik lichtjes anders wil indelen. Indien ik de 9 jaren van de vóór-Halse periode waarbij ik deze keer 1916 volledig bijneem, met de 15 jaren van de Halse, vergelijk, valt op dat de Halse de vruchtbaarste is. Slechts in één jaar van de tweede periode ligt de opbrengst uit verkoop lager dan in de vruchtbaarste jaren uit de eerste periode. Opnieuw valt 1929 uit de toon. Verwonderlijk is dit niet: slechts voor 24 % van de verkochte werken, zoals blijkt uit bijlage 2, is een prijs vermeld.
Men leest vaak dat Thevenet, ook de ‘Halse’ Thevenet, arm was. Daarvoor wordt verwezen naar tal van feiten: zijn zuster heeft hem jarenlang financieel gesteund, hij leefde bij de gratie van een aantal gulle kopers, in bewaarde brieven klaagde hij over geldgebrek en vroeg financiële steun en hij woonde in appartementen en huisjes die slechts elementaire voorzieningen hadden. Vaak wordt verwezen naar zijn huis op het Sollenbeemd dat in (één van) de armste wijk(en) van de stad lag en waar hij 11 jaren woonde.
Is de armoede die zijn hele leven de zijne zou geweest zijn, niet overroepen en tot een legende uitgegroeid? Leefde hij zijn laatste 6 levensjaren niet in een zekere ‘welstand’?
Laat me toe om op een rijtje te zetten. In 1925 kocht hij voor 5.400 frank een bouwgrond. Betaalde hij cash? Er is geen sprake van een lening. Hij liet een huis bouwen dat 30.000 frank gekost heeft. De 15.000 frank die hij daarvoor van François Van Haelen leende, had hij net vóór zijn dood volledig terugbetaald. De andere 15.000 frank lijken met eigen geld betaald te zijn. Weer is geen sprake van een lening.
De aankoop van de grond en het bouwen hebben 35.400 frank gekost. In de aangifte van nalatenschap bij Thevenet’s dood werd het op 65.000 frank geraamd. Toen Emma het in 1937, 7 jaar na Thevenet’s dood, verkocht, kreeg ze er slechts 60.000 frank voor. Is dit te wijten aan een prijsontwaarding? Wilde Emma zo snel uit Halle weg dat ze het huis onder de gangbare prijs verkocht? Uit diezelfde aangifte blijkt dat er 16.530,44 frank op rekeningen stond en 2.000 frank liggend geld was. Dit betekent dat Thevenet die van zijn spaargeld van 16.000 frank maar liefst 15.000 frank in het bouwen van het huis gestoken heeft, het bedrag in minder dan 4 jaren heeft teruggewonnen. De schilderijen werden oorspronkelijk aangegeven voor 3.000 frank en de inboedel voor 7.000 frank. In een bijvoeglijke aangifte verhoogde Emma die bedragen met 5.250 frank.
Hallenaars hebben werk gekocht. Ondanks de feiten dat hij al in 1913 een aspect van Halle, "Het cabaret", schilderde en vóór zijn verhuis naar Halle relatief dicht bij de stad woonde, en de mogelijkheid dat hij geregeld naar Halle reisde, is de eerste Halse koper niet vóór 1917 in de "reekeningen" vermeld. Walschot vermoedde dat de in 1917 vermelde doctor Gensh de Halse dokter Geens moet zijn.
In chronologische orde kochten volgende Hallenaars werken:
-1917 en 1919: de reeds vermelde doctor Gensh met 6 werken;
-1918: Sjulle Lerink of Jules Nerinckx met 2 werken;
-1918: Mm L.De Bouk, vrouw van brouwer Léon De Boeck, met 2 werken;
-1919: Van Arsch of Leon Van Hassel, onderwijzer, met 1 werk;
-1919: V. Clement uit de rue de rempar of Vestingstraat, met 2 werken;
-1919 en 1923: j langendries, Jean Langendries en Jan Langhendries of Jean Langhendries van het vroegere "Hôtel de Bruxelles" op de hoek van de De Maeghtlaan en de Brusselsesteenweg met 5 werken;
-1920: Vanvolsemg of Vanvolsem met 3 werken;
-1921: L.de Boek of Léon De Boeck, de reeds vermelde brouwer, met 4 werken;
-1926, 1928 en 1929: Vander Kelen, Vander Keelens en Vanderkelen of Nestor Vanderkelen, brouwer op de Brusselsesteenweg en caféhouder op de hoek van de Beestenmarkt en de Melkstraat met 17 werken;
-1927: Houssian of Houssiau met 6 werken;
-1928: Torduer en Tourdeurs of Tordeur met 3 werken;
-1928: Vanvolseim uit de Chaussée de Ninove of Vanvolsem met 2 werken. Is het dezelfde als de Vanvolsem uit 1920?;
-1928: Jules Jaqumijns, J Jaqumyns en J Jaqumains of Jules Jacmin die een café hield op de Biezeweide met 3 werken;
-1929 en 1930: Mm Langhendries, Mm Lan en Me Lan(gendriesch) met 6 werken. Was ze de vrouw van Jean Langhendries?
Zijn dit alle Hallenaars die tijdens zijn leven schilderijen hadden? Zeker niet. Herinner wat Ghysels me verteld heeft. Hoeveel Hallenaars hebben tijdens Thevenet’s leven schilderijen die vaak nog in het bezit van hun familie zijn, verworven, maar willen hun naam niet gedrukt zien?
Geregeld is de naam van François Van Haelen gevallen. Hij wordt dé maecenas van Thevenet gnoemd. Terecht? Ik heb er mijn twijfels bij.
Van Haelen vond voor Thevenet une bicoque [9], een krot, in het Sollenbeemd, één van de armste wijken van Halle. Financieel lijkt hij in huur, noch verhuis tussengekomen te zijn. Dat hij op zijn begrafenis aanwezig was, kan op vriendschap, maar niet op maecenaat wijzen.
Was er sprake van vriendschap? Toen Thevenet zijn laatste schulden ging afbetalen, werd hij niet alleen slechts in de keuken en niet in de woonkamer ontvangen, maar ook werd hem de kans niet geboden om Van Haelens galerie waar tal van Thevenet’s hingen, te bezoeken.
Het geld om het huis te bouwen was een lening en geen vriendendienst of daad van maecenaat. Thevenet heeft zijn lening cash en met schilderijen afbetaald. Hoeveel werd cash betaald? Hoeveel werd met schilderijen betaald? Kortom, hoeveel interest is er betaald?
Volgens "de rekening van Emma" kocht Van Haelen 19 schilderijen. Hij kocht onafgebroken van 1909-1912. Het lijkt me niet gewaagd om te veronderstellen dat vanaf 1906, het jaar van kennismaking, tot en met 1908 Van Haelen ook al schilderijen gekocht heeft. In 1913-1918 duikt zijn naam niet in "de rekening van Emma" op. In 1919-1921, 1926 en 1929 werd opnieuw aangekocht. Waarom worden in vele jaren geen werken gekocht? Was de sfeer tussen beiden verzuurd? Was er geen echt contact meer? Vroeg Thevenet te veel?
Dit laatste is onwaarschijnlijk. Van Haelen heeft in geen enkel jaar de duurste prijs voor werken betaald. Meer zelfs, in 1909 betaalde hij tot 2 maal toe de laagste prijs en in 1919 betaalde hij zelfs met verf.
Deze gegevens uit "de rekening van Emma" hebben slechts betrekking op 19 van de meer dan 50 schilderijen die Van Haelen ooit gehad heeft. Hoe is hij aan de meer dan 30 andere geraakt? Zijn ze alle gegeven als afbetaling van de lening? Feit is dat Van Haelen in 1926 en 1929 slechts 4 schilderijen gekocht heeft.
Is het echter geloofwaardig dat Van Haelen in nauwelijks 4 jaren meer dan 60 % van zijn verzameling verkregen heeft dank zij de afbetaling van een lening? Is het niet waarschijnlijker dan die werken tijdens de periode 1906-1930 verworven zijn? Heeft Van Haelen die werken betaald zonder dat er een spoor van is in "de rekening van Emma"? Heeft hij ze gekregen? Is er sprake van een combinatie van vorige 2?
Vragen die ik niet kan beantwoorden. Toch twijfel ik of Van Haelen dé maecenas waarvoor hij versleten wordt, is. Ik vermoed dat het maecenaat te vaak een middel is om kunst te verwerven. Mag ik het over kunst hebben? Moet ik het niet eerder over bezit en investering hebben? Vreemd is alleszins dat de maecenas vaak in het geld zwemt en de ‘geholpen’ kunstenaar te vaak met moeite rondkomt. Ik denk dat Van Halen in die categorie van maecenassen thuishoort. Deze hypothese zal ik in de toekomst proberen te bewijzen.
[a] Mail van 18 december 2006 van Victor Ghysels, initiatiefnemer én verantwoordelijke van https://blog.seniorennet.be/halle, een site met wetenswaardigheden over Halle.
[1] WALSCHOT, L. De "reekening van Emma". In: Hallensia, jg. 24, nr. 1, januari-maart 2002, p. 26-29.
[2] TEIRLINCK, Herman. Verzameld werk, vierde deel. Zon, Het ivoren aapje, Novellen. Uitgeverij A. Manteau, Brussel, niet-genummerde p. 2. 1955.
[3] DE LAERE, Robert. Louis Thévenet, de meester van Halle, een Bruggeling. In: Heemkundige bijdragen [van de Heemkundige Kring "Maurits Van Coppenolle" te Brugge], april 1998.
[4] DDAA. Retrospectieve Louis Thévenet. Brugge 1874 - Halle 1930. Gemeentekrediet, Brussel. 1990 [n.a.v. de tentoonstelling "Louis Thévenet", georganiseerd door de Stad Halle met de medewerking van het Gemeentekrediet in het Oud-Jezuïetencollege te Halle van 6 oktober tot 30 november 1990].
[5] DDAA. Louis Thevenet. 15 juni 14 juli 1985 Herman Teirlinckhuis. Gemeente Beersel, Beersel. 1985 [n.a.v. de tentoonstelling in het Herman Teirlinckhuis in Beersel van 15 juni tot 14 juli 1985].
[6] DDAA. Het Brabants Fauvisme. De verzameling François Van Haelen. Gemeentekrediet, Brussel. 1994 [n.a.v. de tentoonstellingen in het Herman Teirlinckhuis in Beersel van 11 juni tot 10 juli 1994 en de Galerie van het Gemeentekrediet in Brussel van 9 september tot 6 november 1994].
[7] LYR, René. Louis Thévenet. De Sikkel, Antwerpen. 1954.
[8] DDAA. Ontmoeting met Felix (De Boeck) Louis Thévenet. Gemeente Drogenbos en Stichting Felix De Boeck, Drogenbos. 2001 [n.a.v. de tentoonstelling in het Felix De Boeckmuseum te Drogenbos van 9 september tot 25 oktober 2001].
[9] LYR, René. Mon ami Louis Thévenet. Editions Nationales, Uccle. 1945.