*SLEUTELWERKEN DOORGELICHT
-"Mijnheer gaat uit" of "Monsieur va sortir".
-1916; 65 cm bij 55 cm; olie op doek.
-Getekend linksonder:
-Vermeld in "de rekening van Emma" [1]: nee.
-Vermeld door Walschot [1, p. 40-67]: ja, maar zonder koper.
Thevenet schilderde het in 1916, net vóór of na zijn aankomst in Halle, een kantelmoment in zijn gewone en artistieke leven.
Het is één van de soberste en naakste schilderijen, ontdaan van alle ‘overbodigheden’, die hij gemaakt heeft. Een open deur geeft uit op een hall waarop een andere kamer met eveneens open deur uitkomt. Ook in die kamer valt een open deur op.
Voorwerpen zijn spaarzaam aangebracht: 2 schilderijen, spiegel, wandelstok, ladenkast met erop klok, hoge hoed en vogelkooi. Verder niets. Geen bijkomstig detail. Geen overbodig object. Alles is moeten wijken voor wat meegedeeld werd: alle elementen verbeelden rechtstreeks het verlangen, misschien zelfs de obsessie om te vluchten. Het is meer dan mijn indruk dat Thevenet in elk voorwerp ‘lijfelijk’ aanwezig is.
De achterkamer die in licht baadt, is belangrijk. Klok en vogelkooi wijzen erop dat Thevenet zich gevangene voelt. Die beklemming wordt geaccentueerd door de 2 deuren die op de hall uitkomen. Hoewel ze open staan, kunnen ze met de zichtbare sleutel in een handomdraai gesloten worden en Thevenet in het heden opsluiten.
Toch duiden die deuren, één naar de hall en zo naar een onzichtbare deur naar de straat toe en een ander naar een andere, niet nader te bepalen kamer en zo misschien naar de tuin, ook op de drang om te ontsnappen. Die evasie wordt beklemtoond door de ‘chapeau buse’. Verwijst hij naar een feest waar Thevenet gast was of nog naartoe zal gaan om in drank weg te vluchten? De schilderijen op het doek verbeelden de uitweg uit de werkelijkheid in de kunst. Rechts ziet men de aanzet van een deurgrote opening in de verder niet zichtbare muur. Vertrekt daar een trap naar de verdieping waar het atelier was? Wordt opnieuw het wegvluchten in de kunst beklemtoond? Wordt verwezen naar de figuurlijke hemel, het leven na de dood, de vlucht in het geloof en de uitweg in de dood? Merk op dat de langste zijden van het werk de vertikale zijn. Merk op dat het werk verticaal is opgebouwd. Rechts van de deur naar de achterkamer hangt een spiegel: duidt hij erop dat Thevenet zichzelf door en door kende?
Links van de deur op de voorgrond staat een wandelstok. Combinatie van wandelstok en open deur symboliseren het verlangen om uit te gaan. Opnieuw wordt Thevenet’s leefwereld uitgebeeld: de drang naar een andere wereld waar alles anders, beter dus, is. Buitenlicht kleurt de 4 ruitjes van de rechterdeur. Alluderen de kleuren op een vlucht in de natuur en het belang van kleuren in het werk?
De wandelstok frappeert en staat niet zomaar op de voorgrond. Hij wordt door zijn schaduwen links en rechts die vanuit het standpunt van de toeschouwer op het doek vallen, onderlijnd. De plint buigt de rechterschaduw van de stok om: er is geen loodrechte lijn. Wist Thevenet tijdens het schilderen al dat hij gedoemd was om eeuwig te blijven dromen? Wist hij al tijdens het schilderen van "Mijnheer gaat uit" dat hij nooit zou kunnen ontsnappen?
De opbouw is sober. Beige, grijze en vaalblauwe tinten dragen ertoe bij. Thevenet heeft in dit werk de uiterste (ver)eenvoud(iging) en samenvatting van zijn kunst bereikt. Heeft hij dat werk daarna nog geëvenaard of overtroffen?!
Jaren later heeft hij het schilderij ‘herhaald’:
-"De cello" of "Le violoncelle".
-1923; 70 cm bij 60 cm; olie op doek.
-Getekend rechtsonder: L. THEVENET 1923.
-Vermeld in "de rekening van Emma" als le violoncyl [1]: op 2 januari 1924. Gekocht door Alber uit Linkebeek, in een ander handschrift vervolledigd tot Albert, voor 850 frank. Ging het om Albert Dasnoy of Jos Albert?
-Vermeld door Walschot [1, p. 40-67]: ja, in 1924.
Toch zijn er belangrijke wijzigingen. Bovenaan valt de verkorting op zodat de 2 voorste deuren niet tot helemaal boven afgebeeld zijn. In de achterplaats waarvan de deur naar een andere plaats gesloten werd, zijn 4 schilderijen, een tafel met tafellaken met erop onder meer een fles wijn, en een cello.
Verbeeldt de cello de liefde voor muziek? Verwijst hij naar de vader die musicus was? De fles wijn kan beamen. Is het een eerbetoon aan Servais?
Duidelijk is dat de aandacht naar de achterkamer die in overvloedig licht dat door een onzichtbaar raam links achteraan binnenvalt, baadt, gaat. De voorkamer ligt in de schaduw zodat wandelschoenen nauwelijks opvallen. Toch kan men niet naast de schoenen die in de plaats van de wandelstok gekomen zijn, kijken. Opnieuw wordt de drang om uit te gaan of in de natuur weg te vluchten verbeeld.
-"De Mariamaand" of "Le mois de Marie".
-1923; 82,5 cm bij 70 cm; olie op doek.
-Getekend linksonder: L THEVENET 1923.
-Vermeld in "de rekening van Emma" [1]: nee.
-Vermeld door Walschot [1, p. 40-67]: ja, maar zonder koper.
De aandacht wordt dadelijk getrokken door het Mariabeeld met kind onder een glazen stolp. Die beelden werden tot na het midden van vorige eeuw in de souvenirwinkels rond vooral de Sint-Martinuskerk te koop aangeboden. 2 dingen zullen aan Hallenaars opvallen.
Maria en kind dragen kroon en kleed. Toch wordt het beeld sinds het einde van de negentiende eeuw ‘naakt’ getoond. Het naakt heeft toen voor een polemiek gezorgd. Heeft Thevenet door Maria gekleed te schilderen zijn afkeur voor de ‘ouderwetse nieuwigheid’ laten blijken? Paste een ‘naakt’ niet in de compositie? Werden nog geen ‘naakten’ verkocht? Zijn er ooit ‘naakten’ verkocht?
Madonna en kind zijn zonder zwart gelaat afgebeeld. De kanonballen van de beschieting van de stad door Philippe de Clèves in 1489 zijn weggelaten. Niet verwonderlijk omdat Thevenet het beeld op veel manieren geschilderd heeft: met zwart gelaat, maar zonder ballen op "O.-L.-Vrouw van Halle onder een glazen stolp" uit 1922 en met zwart gelaat én ballen op "O.-L.-Vrouw van Halle onder een stolp" uit 1926.
Het lijkt alsof Maria het schilderij niet overheerst. Maria en stolp worden door een vaas, 2 boeketjes bloemen, een plant en een sierpotje zelfs gedeeltelijk aan het oog onttrokken.
Dat Maria het schilderij niet overheerst, is slechts schijn. Ze zuigt alle aandacht aan. Ze staat net rechts van de verticale middellijn van het werk terwijl de achterkant van haar hoofd en bovenlichaam links van die lijn in een spiegel Ze is in het bovenste deel prominent aanwezig.
Bijna alle andere objecten staan in functie van Maria. Bloemen bewijzen eer. De kaars moet slechts aangestoken worden om haar te aanbidden. Het blauw van de kast kan naar het blauwe kleed waarin Maria vaak, maar niet hier afgebeeld wordt, verwijzen.
2 voorwerpen laten zich moeilijker duiden. Rechts op de kast, net niet onder het beeld, ligt een boekje met zwarte kaft. Thevenet las weinig of niet. Heeft hij boeken gehad? Het boek is te dun om een bijbel te kunnen zijn. Zou het om een missaal kunnen gaan? Wat is het ronde eetbare voorwerp links van de kandelaar? Een tomaat? Een te roodgekleurde sinaasappel?
Dat Thevenet Maria afgebeeld heeft, is niet verwonderlijk. Hij had van zijn moeder een groot geloof ‘geërfd’. Het valt op dat hij Maria niet als moeder maagd, maar als Christus’ moeder afgebeeld heeft. Heeft hij in Maria zíjn moeder gezien? Het werk staat bol van cirkels en cirkels benaderende vlakken die symbool voor de geborgenheid van de moeder kunnen zijn. Heimwee naar de moeder? Gevoel van gemis van de helende kracht die ze ooit uitgeoefend heeft?
Nog opmerkelijker is dat de kanonballen niet afgebeeld zijn. Heeft Thevenet het accent willen leggen op de liefde tussen moeder en kind? Heeft hij de goedheid van Maria en Jezus willen verbeelden?
De compositie wordt beheerst door cirkels die Maria beklemtonen: de sokkel van de stolp, de stolp zelf, de 2 gezichten, hun kleren en kronen, en de versiering van de kronen en Maria’s kleed? Heeft Thevenet de kanonballen weggelaten om het werk en vooral dan het Mariabeeld met niet te veel cirkels te overladen? Ook de verkortingen van de bovenkant van de spiegel en linker-, zij- en achterkant van de kast zorgen ervoor dat Maria gecentraliseerd wordt.
Door bijna effen en smetteloze kleuren op de achtergrond waartoe ik ook de kast reken, bereikt Thevenet een ongewone frisheid die onnatuurlijk lijkt over te komen. Ten onrechte. Hij is een kolorist die zijn gelijke in de groep van generatiegenoten niet vindt. Geen van de Brabantse fauvisten die nochtans gekend waren voor het gebruik van de meest-arbitraire kleurakkoorden, heeft zo’n lichte kleuren durven te gebruiken om composities op te bouwen. Het roze, lichtblauwe en vuilwitte van het bovendeel en het afgezwakte blauw van het onderdeel hebben ertoe bijgedragen dat Maria, afgebeeld in bijna maagdelijk-witte kleren, meer dan ooit centraal komt te staan.
-"Hoed met bloemen" of "Chapeau à fleurs".
-1928; 60 cm x 70 cm; olie op doek.
-Getekend rechtsonder: L THEVEVENET 1928.
-Vermeld in "de rekening van Emma" als chapou roug [1]: op 20 januari, later verbeterd tot juni,1929. Gekocht door René Lyr, misschien -Het zou immers kunnen dat het bedrag op 2 werken slaat.- voor 1.000 frank en wijn. Vermeld door Walschot [1, p. 40-67]: ja, in 1930.
"Hoed met bloemen" is één van de laatste meesterwerken. Er zou een bijzonder verband zijn met een interieur uit 1905, dat ik echter niet gezien heb en waarvan ik geen reproductie gevonden heb.
De aandacht gaat naar de rode clochehoed op tafel, die bijna in het middelpunt van het werk staat en nauwelijks 1/48 van de oppervlakte inneemt. Belangrijk is dat de hoed door 2 banden met bloemen versierd is. Die bloemen worden in het hele werk weerspiegeld: op het tafellaken, behangpapier en in de vaas, net naast de hoed. Die bloemen geven het werk iets vrolijks, zelfs vreugdevols. Ze zijn niets anders dan de verbeelding van zijn liefde voor de natuur.
Toch mag men niet aan de andere elementen voorbijgaan. Een stoel is niet onder de tafel geschoven. Een deur staat open. Is iemand die thuisgekomen is, op de stoel gaan zitten? Heeft hij de hoed op tafel gelegd? Heeft iemand die wou uitgaan, op de stoel gezeten en de hoed op tafel gelegd om nog iets anders te doen? Opnieuw zijn boeken afgebeeld. Naar de betekenis blijf ik het raden hebben.
Tegen de muur en net boven de hoed hangt een werk dat vaagweg aan werk uit Oleffe’s Nieuwpoortse periode doet denken. Heimwee? Naar het verleden en het begin van de schilderscarrière? Naar de ooit bevaren zee? Naar Nieuwpoort en het nabijgelegen Brugge dat hij vanuit Nieuwpoort bezocht heeft, en aan zijn prilste jeugd? Naar zijn jonge leven zonder de beslommeringen om in het onderhoud van dochter en vrouw te voorzien?
De hangklok is één van de meeste markante voorbeelden van de zo vaak toegepaste verkorting. Onbeweeglijk hangen de koperen gewichten. Ook de slinger ertussen lijkt roerloos. Schijn slechts. Het valt op dat hij uit balans is. Hij moet dan ook bewegen. Benadrukt wordt dat het werk in de tijd beperkt is en een miniem moment uit het leven weergeeft. Ik moet het over een stilstaand fragment hebben: Thevenet heeft immers alles gedaan om momenten die hem dierbaar waren, in hun momentaneïteit vast te leggen en te bewaren.
Mag ik besluiten dat hij door zijn drang om te vluchten onbewust de dingen van het dagelijkse leven aangepast heeft? Mag ik besluiten dat hij nadat hij zijn wereld veranderd of aangepast heeft, een vlucht ter plaatse, in het, zijn heden heeft ondernomen?
Mag ik besluiten dat hét element van zijn kunst eenvoud is?
-"De toog in Halle" of "Le comptoir à Hal".
-1928 uitgaande van "de rekening van Emma" [16]; 60 cm bij 70 cm; olie op doek.
-Getekend rechtsonder: L THEVENET.
-Vermeld in "de rekening van Emma" als le contoir à Hal [1]: op 14 November 1928. Gekocht door Jules Jaqumijns of Jules Jacmin, die op de Biezeweide een café openhield, voor 800 frank.
-Vermeld door Walschot [1, p. 40-67]: ja, in 1928.
Thevenet heeft tal van café-interieurs geschilderd. Tot de boeiendste behoren "De bollenwinkel" uit 1908, "Het cabaret" uit 1913, "Intérieur "De Grève"" uit 1920 en "Café Langhendries", meer dan waarschijnlijk -Ik leid de datum af van een affiche die de wereldtentoonstelling te Liège aankondigt.- uit 1930. De café-interieurs vallen in 2 groepen uiteen: de ‘volle’, wanordelijk-aandoende en bijna overladen interieurs waartoe de eerste 2 werken behoren, en de sobere dat op de laatste 2 van toepassing is.
Een zeldzame uitzondering is "De toog te Halle" dat tot geen van beide behoort. Het is zoals vele Halse café-interieurs zonder moeite te plaatsen. Het is de gelagzaal van "’t Wit Paart" waarvan de gevel in hetzelfde jaar geschilderd is als "Buitenzicht van café ’t Wit Paard". In dat café gelegen op de Brusselsesteenweg heeft "Kokske", bijnaam voor schilder Henri De Kock, in de zestiger en zeventiger jaren van vorige eeuw een galerij en ontmoetingscentrum uitgebaat.
De inkortingen kunnen niet over het hoofd gezien worden: links de toog, rechts de zitbank en flessen geuze en boven de toog en de schilderijen boven de deur en helemaal rechts. Die inkortingen doen het werk uitdeinen en geven het op die manier een gevoel van eeuwigheid. Of moet ik tijdeloosheid typen?
De evasiedrang blijkt uit drank, open deur en kruisbeeld. Het begonnen glas bier rechts op de toog, laat weten dat er net buiten het beeld buiten de kroegbaas een klant moet aanwezig zijn.
Dit is een van de werken die het best het Halle van Thevenet’s tijd weergeven. De stad telde tientallen café waarvan de baas vaak nog een ander beroep uitoefende. Vooral uit details blijkt Thevenet’s kennis van zijn ‘adotiestad’. Een reclamebord tussen het rek met glazen en de deur voor "geuze lambic" van "Vanderkelen" toont misschien aan dat het bier in het glas op de toog geuze een hulde aan de biersteker die de Hallenaar die het meester werken gekocht heeft, is? De ontkurker voor geuzeflessen rechts achter de toog is de uitvinding van een inwoner van Buizingen dat in de zeventiger jaren van vorige eeuw met Halle gefusioneerd is.
[1] WALSCHOT, L. De "reekening van Emma". In: Hallensia, jg. 24, nr. 1, januari-maart 2002, p. 26-29.



