...GELIJK OOK WIJ VERGEVEN
Corrie ten Boom schrijft:
Ik zag hem in een kerk in München. Een krachtig gebouwd man, al een beetje kalend, in een grijze jas, een bruine vilten hoed in z'n hand geklemd. De mensen stroomden naar buiten uit het souterrain waar ik zojuist gesproken had. Het was in het jaar 1947 en ik was uit Nederland naar Duitsland gekomen met de boodschap dat God vergeeft. Dat was de boodschap die de mensen in dat verbitterde, plat-gebombardeerde land het meest nodig hadden. Ik vertelde hun van het beeld in mijn binnenste waaraan ik het meest verknocht was: de zee. Misschien ligt het wel daaraan dat de zee in het denken van een Nederlander nooit ver verwijderd is, maar ik stel mij de zee graag voor als de plaats waarin mijn zonden geworpen zijn. 'Als wij onze zonden belijden', zei ik, 'werpt God ze in de diepste zee en zijn ze voor altijd verdwenen.' Ernstige gezichten staarden mij aan; men durfde het amper te geloven. In het Duitsland van 1947 werden na mijn toespraak nooit vragen gesteld. De mensen stonden zwijgend op, pakten zonder iets te zeggen hun spullen bij elkaar en verlieten zwijgend de zaal. Toen zag ik de man die zich, tegen de massa in, naar voren werkte. In een flits zag ik eerst de jas en de bruine vilten hoed, daarna een blauw uniform en een baret met doodskop en gekruiste beenderen. In één klap herinnerde ik me de reusachtige hal met de koude plafondverlichting, de trieste hoop kleren en de schoenen op de grond in het midden van de hal, en de schaamte dat ik naakt langs deze man moest lopen. Ik zag het uitgemergelde lichaam van mijn zusje vóór mij, hoe haar ribben te tellen waren onder haar perkamentachtige huid. Betsie, wat was je mager!
Betsie en ik waren gearresteerd omdat wij tijdens de bezetting van Nederland door de nazi's Joden in ons huis verborgen hielden. Deze man was een van de bewakers van het concentratiekamp Ravensbrück, waar men ons naartoe had gebracht. Nu stond hij vóór mij en stak zijn hand naar mij uit met de woorden: 'Een geweldige boodschap, mevrouw! Hoe heerlijk te weten dat al onze zonden, zoals u gezegd hebt, op de bodem van de zee begraven zijn!' En ik, die zo gemakkelijk over vergeving gesproken had, stond wat in mijn handtasje te rommelen in plaats van die hand aan te nemen. Hij herinnerde zich mij natuurlijk niet meer, hoe kon hij zich ook onder duizenden vrouwen die ene gevangene herinneren? Maar ik herinnerde mij hem en de zweep die hij altijd bij zich had. Voor het eerst sinds mijn bevrijding stond ik oog in oog met een van mijn beulen en mijn bloed leek te stollen. 'U hebt in uw toespraak Ravensbrück genoemd', zei hij. 'Ik was daar bewaker.' Nee, hij herinnerde zich mij niet. 'Maar intussen', vervolgde hij, 'ben ik christen geworden. Ik weet dat God mij de wreedheden die ik daar begaan heb, heeft vergeven, maar ik wilde het graag ook uit uw mond horen. Mevrouw...' en opnieuw stak hij mij zijn hand toe, 'wilt u mij vergeven?' Daar stond ik - iemand die dagelijks vergeving nodig had - en ik kon niet vergeven. Betsie was er gestorven. Kon hij haar langzame, gruwelijke dood met deze vraag zomaar uitwissen? Het waren hoogstens een paar seconden dat hij daar stond en zijn hand naar mij uitstak, maar voor mij leken het uren. Uren waarin ik de zwaarste strijd van mijn leven te voeren had. Want ik moest het doen, dat wist ik. De boodschap dat God ons vergeeft is wel aan een voorwaarde verbonden: dat wij hun vergeven die ons schade berokkend hebben. 'Als u de mensen hun zonden niet vergeeft', zegt Jezus, 'zal uw Vader in de hemel ook u niet vergeven.'Sinds het einde van de oorlog runde ik in Nederland een tehuis voor slachtoffers van de door de nazi's begane wreedheden. Zij die hun vroegere vijanden konden vergeven, waren ook in staat naar de buitenwereld terug te keren en een nieuw leven te beginnen. Maar zij die hun verbittering niet konden laten varen, bleven invalide. En zo stond ik daar, terwijl mijn hart verkilde. Maar vergeving is geen gevoel, ook dat wist ik. Vergeving is een daad van je wil, en de wil kan onafhankelijk van de temperatuur van ons hart handelen. 'Jezus, help mij', bad ik in stilte. 'Ik wil mijn hand omhoog brengen. Zoveel ik kan, voeg ik er het gevoel aan toe.' Zo legde ik met een gevoelloze mechanische beweging mijn hand in de naar mij toegestoken hand. Toen ik dat deed, gebeurde er iets ongelooflijks. Een warmtestroom begon in mijn schouder, ging door mijn arm tot in onze handen. Daarna begon deze genezende warmte heel mijn wezen te doorstromen, totdat de tranen in mijn ogen stonden. 'Ik vergeef je, broeder!' zei ik onder tranen. 'Van ganser harte!' Een langgerekt ogenblik volgde waarin wij beiden de hand van de ander omsloten, de vroegere bewaker en de vroegere gevangene. Ik had Gods liefde nog nooit zo intensief ervaren als toen.