Matteüs
Matteüs
20, 20-28
De moeder van de zonen van Zebedeüs kwam met haar zonen naar Jezus toe. Ze viel voor Hem neer om Hem een gunst te vragen.
Hij vroeg haar: ‘Wat wilt u?’
Ze antwoordde: ‘Beloof me dat deze twee zonen van mij in uw koninkrijk naast U mogen zitten, de een rechts van U en de ander links.’
Maar Jezus zei hun: ‘Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die ik zal moeten drinken?’
‘Ja, dat kunnen wij’, antwoordden ze.
Toen zei Hij: ‘Uit mijn beker zullen jullie inderdaad drinken, maar wie er rechts en links van mij zullen zitten kan Ik niet bepalen, die plaatsen behoren toe aan hen voor wie mijn Vader ze heeft bestemd.’
Toen de andere leerlingen hiervan hoorden, werden ze woedend op de twee broers.
Jezus riep hen bij zich en zei: ‘Jullie weten dat heersers hun volken onderdrukken en dat leiders hun macht misbruiken. Zo zal het bij jullie niet mogen gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal jullie dienaar moeten zijn – zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’
‘Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal jullie dienaar moeten zijn – zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’
Wie leeft vanuit z'n diepste zelf (waar God van gezegd heeft dat Hij het geschapen heeft naar zijn beeld en gelijkenis) heeft zich een thuis verworven in de liefde. Hij is niet bezig om plaatsen van eer te verwerven; zowel niet op vlak van plaats, functie, woorden of wat dan ook. Hij leeft enkel in de liefde: daar en enkel daar is zijn thuis. Daar ontvangt hij van God, leeft hij in Hem en geeft van wat hij ontvangt: liefde.


