PERPLEX
PERPLEX
Hij zat in een invalidenwagen. Ik zat naast hem op een stoel, licht voorovergebogen, om geen woord te missen. Hij vertelde mij zijn levensverhaal. Af en toe glinsterden zijn ogen van plezier. Dan weer keek hij ernstig, afgewisseld met verdriet en boosheid. Hij praatte honderduit. Over zijn ex, waar hij al jaren van was gescheiden. Het deed hem nog pijn. Over zijn zoon, die vijf jaar geleden met een scooter tegen een stilstaande auto reed. Dood. Over zijn ziekte: pijn in de benen, epilepsie en dan nog zijn zwakke hart. Ik - recht van lijf en leden - voelde mij er steeds ongemakkelijker bij. Hulpeloos keek hij mij aan. Wat had ik moeten zeggen - moeten doen? Wat zou u gedaan hebben? O ja, hij vertelde ook nog iets over zijn geloof in Jezus. Maar ik luisterde toen nog maar half. Ik was overdonderd door zoveel leed - verdoofd. En hij maar praten...
Mijn gedachten dwaalden af naar mijn eigen vrouw. We hebben het goed, we zijn gezond. Ik dacht aan mijn zoon, dochter en schoondochter; allemaal springlevend, blakend gezond. Aan mijn baan, mijn auto en mijn geld. Waarom mocht deze man dit alles niet hebben? Of, bedacht ik mij toen, waarom is het mij tot nu toe zo voor de wind gegaan - en hem niet? Waarom? Ik weet het niet.
...Ik keek opzij. De man huilde. Zijn brede schouders schokten en er rolden enkele tranen over zijn gezicht. Ik wist niet wat ik moest doen, wat ik moest zeggen. Een arm om hem heenslaan? Nee, ik kende hem nog maar net. Ik schoof mijn stoel wat dichterbij. Na enkele minuten hoorde ik mijzelf zeggen: 'Waarom huil je, Ruud?' Stom, stom, stom, dacht ik toen. Wat een vraag! Ik kreeg er een kleur van. Maar Ruud veegde zijn wangen droog en zei: 'Dat er nog steeds mensen zijn die de Heer Jezus niet vertrouwen.'




