MARIJS


MARIJS
Jij, geel - zacht donzig ding,
net uit het ei toen je daar ging.
In mijn tuin verdwaald, jij zonderling,
verrast toen ik je tussen mijn handen ving.
Moeder barberiet was reeds ver gegaan,
de andere eendjes hadden haar nagedaan.
Jij koos een vreemde laan,
zo waren wij tesaam.
Ik noemde je “Marijs”,
jij werd tam en wijs.
Mij liefde stelde je op prijs,
deze was wederzijds.
Uit mijn handen at je friet,
zo attent was jij bij gitaar - muziek.
Je gekrijs was een lied,
die ode vergeet ik niet.
Jij had de ouderdom gekregen
van een jaar of negen.
Jij was mij heel genegen,
want voor mijn voeten ben je neergezegen.
Jij had dit aardse verlaten,
ik heb je ten grave gedragen.
Onder de oude notelaar lig jij begraven,
je vaste plek als de dagen warmer waren.
De tijd komt niet weer,
uit mijn hart ga jij niet meer.
Was mijn leven niet vol sfeer,
dan deed ook je dierenlijfje zeer.
Foto’s doen gedenken,
opeens kunt gij mijn zinnen wenken.
Wonderlijk maar uit die prenten
kan jij eeuwige straling schenken.
op mijn eend “Marijs” haar sterfdag zelfgemaakt gedicht,
Francine 1991























