

HET DENNENBOS
Nergens suist de wind zo vredig
als in het dichte dennenwoud,
wanneer bij lente, een vogel
daar z’n nestje bouwt.
De ranke stammen
boren zich naar omhoog,
tot in hun rijzige toppen
die verwijzend naar het heelal,
zich roerloos wuivend genoegen in de zon.
Een gouden lichtbundel
weerkaatst tot in het lijsternest
waar het noenmaal wordt genut
aan vier, gretige bekjes.
Een lichte bries doorzingt het hele bos,
de dennentoppen ruisen
hun geuren stijgen
in een weelde van groen,
de stilte ademt
Gods stem der eeuwigheid.
Francine De Wilde.ã





















