Nu nog
sporen van gisteren bij zich
de hoop op morgen is voorbij
want vandaag is morgen
weer veraf
ik tast in het duister en vind
een naam die me lief is
geluk is een bloem in een vaas.
Edith oeyen
Gedichten: Edith Oeyen, poëzie is mijn passie
Nu nog
Lente 44
Hier op deze hoogte
ben ik een vrije vogel
die zijn vleugel uitslaat
het roepen van de verte
laat me brievieren
boven in de lentelucht
roerloos soms
bewonder ik
het wisselen van de dagen
zij leren mij bidden
om zoveel schoonheid.
Edith Oeyen
Lente 33
Ik wil niet
langer blind zijn
voor voorbij schuivende wolken
die per seconde
van gedaante verwisselen
zij omgorden het landschap
toveren licht tussen donker
laten winterpijn genezen
bloem
bloesems
bloed
alles rondom ons
getuigt van lente.
Edith Oeyen
Lente 22
Kevers slapen nog
zij dromen
over het zachte fluisteren
van bloesems
onbedwingbaar is mijn verlangen
hen te wekken
de weg te wijzen
naar de kleuren
van verborgen woningen
tussen zoveel boomgaard
met open mond
staar ik naar dit tafereel
en voel een traan loskomen
uit een ooghoek.
Edith Oeyen
Lente1
De ontgoocheling voorbij
heb ik de winter
achter mij gelaten
zie nu hoe het gras
groener kleurt
en in de glooiing van het land
heeft God zo wonderbaarlijk
duizenden kleuren geplant
mijn adem
schrijft in mijn bloed
zoveel vreugde om jou
om de zon
en om dit lenteland.
Edith Oeyen
BEN IK
Als de zonAls de zon feest in de tuin
weten wij dat het lente is
ze danst,
swingt
en springt
terwijl wij kijken naar boomtakken
waar bloesems kleur bekennen
even voelen wij ons weer vrij
en ademen nieuwe lucht.
Edith Oeyen
Justitiepaleis III
GANG VAN BEROEP III
Strengheid
kilheid
rechtlijnigheid
liggen hier verborgen
Op de vloer
klinken stappen
vluchtig
luid
verloren lopend
In het geroezemoes van velen
lopen mijn gedachten verloren
naar jou.
Edith Oeyen
Justitiepaleis IITWEE TALEN II
Hier spreekt men Vlaams
daar spreekt men Frans
de taal verschilt
de zeden
en de mentaliteit
Maar het vuur dat hen bezielt
heeft hen tot hier geleid
Ze knikken links
ze knikken rechts
en na hun pleidooi
stappen ze hun wagens in
de weg leidt hen naar huis
Edith Oeyen
AMBTENAREN IJustitiepaleis Brussel
AMBTENAREN I
Ze wuiven naar collega’s
tillen de dossiers
wrijven slaap uit hun ogen
wegen in zich de woorden af
kijken nieuwsgierig om zich heen
vergeten de patronen
waarover ze lopen
de arbeid die hier ooit werd verricht
Hun doel is tijdig te zijn
hun cliënt ter wille
om dan te vluchten naar een andere zaak
Verliezen zij niet
de essentie van het leven
uit het oog?
Edith Oeyen
Haiku
Met heel trage tred
stapt hij bijna schoorvoetend
naar zijn laatste dag
Edith Oeyen
HaikuBlijven wachten hier
tot zij allen opdagen
de poëzieschrijvers.
Edith Oeyen
Leef ikLeef ik op schaarse droogte
verdord als zand in de woestijn
verbannen ben ik
op honger tot stervens toe
wie zal herkennen
de kleur van paarse pijn
als ik onbereikbaar
zandkorrels schik in het duister
op het strand van verlatenheid
De zee spoelt met heimwee
al mijn wensen mee.
Edith Oeyen
Hier ben ikHier ben ik dan
drie dagen zonder woord
buiten bijt de kou
binnen vreet de eenzaamheid
was er maar een zomernacht
waar zijn al de zwaluwen
praten wil ik
maar met wie
de avond is alleen
jij praatte wel soms uren na elkaar
helaas je bent er niet
ik drink maar wijn
praat in mezelf
zeg dat de nacht er weldra is
maar ook hij laat enkel duisternis
mogelijk ben ik ergernis
en rijd ik beter tegen een boom
de wijnfles is leeg
ik ben zo loom
lees van Venberg een gedicht
tast leugens in zijn woorden
hij zegt: daarin kan ik
omvatten jou die ik bemin,
weet hij dan niet
dat ik alleen maar een
gebroken vleugel ben
dat ik huiver
om mijn eigen huichelarij
wat ben ik klein
onzettend klein
zonder jou.
Edith Oeyen
Zo werd ik nietsSteeds opnieuw
stelde ik vragen
de hemel droeg blauw
akkers het geel
de bloemen geur en kleur
en in het zwijgen van de wind
voelde ik de verdrietige
eenzaamheid me kwellen
zo werd ik niets.
Edith Oeyen
LiefdeLiefde is een werkwoord
dus werk eraan
want zonder werken
verdien je niets.
Edith Oeyen
Smeken om onsterfelijkheid
En dan
mijn liefste
zal ik zingen als jij bij me komt
of wacht ik tevergeefs de uren
de dageraad is mild geweest
dauw legde zich op rozen
zwaluwen vlogen de ochtend open
plots voelde ik een weke pijn.
was het een verlangen
of het knarsend vuur
dat mij verbrandde?
het licht
dat jong de dag inviel
deed mij denken aan mijn jeugd.
waarom mijn liefste
zijn woorden zo beweegloos op papier
zijn ze zo sprakeloos
als ik wanneer je mij omarmt?
klopt ons hart de woorden uit elkaar
of zijn ze voor de
eeuwigheid bestemd?
doorschijnend was de middagzon
broos en breekbaar
als kristal
sluiers die om bloemen hingen
werden vlindervleugels
overvloeiend in eigen kleur.
door dit aanschouwen
werd ik week als brood
terwijl je naam op mijn lippen lag.
loom werd ik
door zonnestralen,
sloot mijn ogen zag mijn graf.
de huiver heeft mij neergebogen
aarde werd toen aangeraakt.
maar ja
mijn liefste
ik was getuigen
toen de zon weer onderging.
vele nachten zijn sinds
reeds gekomen
bange vogels vlogen heen
doch in stilte was de avond en mijn ik alleen.
ik zocht de klank
van je huid
je eenzaamheid tussen het gras.
het hemelsblauw gaf weer hoop
deed zachtgebekte vogels zweven,
zwervers worden tussen jou en mij
hoe prangend zijn mijn vragen
hoe schamel is mijn troost
als ik niet weet
hoe meeuwen overleven
in de winter
geheiligd is dit zwijgen
de zang van engelen is bedroefd
hun vleugels zijn gescheurd
zij leven nu met stille stem
en kennen onze pijn van dagen
ik wandel door een doolhof heen
zoek tegenspraak in mij
de vragen in een glazen stulp
waarop het antwoord steeds ontwijkt
zeg me liefste
waarom beeft zo vaak mijn hand
en trilt mijn stem bij spreken
waarom struikel ik van weemoed
betast ik de bodem van de put
hoop ik op warmte van je liefde
het vuur de onderhuids brandt
weet je liefste
we kennen de geheimen
van verdriet en afstand houden
maar voelen ook de pijn
mijn hart is als een gebarsten glas
dat naar zachtheid van je lijf verlangt
nauwelijks nog zeg je mij
hoe ik rusten kan
ik strek mijn vingers naar de jouwe
maar kilte voelt
de slaap van ver
dan denk ik morgen
morgen vlucht ik uit mijn huid
doorbreek de eenzaamheid
met roepen hoe de regen schrijft
dat we beiden wachten op elkander
is het soms de dwaze wind
die onze wegen scheiden doet
hoe ik ook vecht
bomen slaan woest hun takken uit
bessen tonen de kleur van schaamte
als ik even dood wil zijn
maar mijn liefste wat is leven
als ik niet als de vogels ben
vrij
onbezorgd
met sterke vleugels
smachtend naar jouw blik
weldra is het weer augustus
dan oogst men vruchtbaarheid
uit korenhalmen
en scheurt men de kalender af
dagen korten
avonden worden langer
hoe moet ik leven
als ik steeds maar dwalen moet
zoekend naar die glim
luisteren naar
de afwezigheid van je stem
ik wil in je woorden liggen
maar ook bij nacht liefst in je bed
heb je
je pijn reeds verbonden
of wacht je
tot ik een pleister plak
is het geen kalvarie
te weten dat de tijd verglijdt
mijn huis is ook je onderkomen
ik geef je de sleutel van mijn hart
bezit met mij de kleine dingen
stelp het bloeden diep in mij
sus mijn angst
maak me reiziger bij jou
laat de onrust in mij sterven
gun me rust
na dit pijnlijk bonzen van mijn hart
mensen rondom ons
kijken nieuwsgierig
ze weten en ze weten niet
wat liefde al vermag
zeg me de waarheid
kleur mijn leven
of leef je in verborgen zwijgen
laat je me de twijfel
uit de bomen
of ben je herder
hoeder
of behoeder
die soms maar
het roepen hoort
weet je
liefste laat me doorbreken
in je dromen
geef me bestendigheid
in je bestaan
of is het waan te denken
dat je me in de morgen wekken zal
met je armen om mijn middel
dat we samen rijden naar de zee
dat we in bewondering staan
voor wegberm in rode gloed
waar papavers wuiven
naar een zomerlied
ach liefste
al bezitten we geen jeugd meer
hunker kent geen tijd
wie heeft in ons de vlam ontstoken
die wakkert en soms laaiend wordt
welk is het bindmiddel
dat ons samenbrengt
zijn het de eindelozen woorden
is het de liefde die steeds groeit
is het de zwerver die ons stuwt
is het
het ongezien verlangen
als straks
mijn liefste
je schaduw een rustplaats zoekt
kom dan naar dit huis
waar zwijgen wordt doorbroken
en eenzaamheid wordt
weggestuurd
en als dan
mijn liefste
je zachter liggen wil
kom dan dicht bij mij
laat ons beminden zijn
die smeken om onsterfelijkheid.
Edith Oeyen
In alle stilteIn alle stilte
Bij een soldatenkerkhof
In alle stilte
ademen duizend kruisen
het verleden uit
zij herinneren ons
de jonge levens
het vergoten bloed
en de zinloosheid van geweld
In alle stilte
ademen duizend kruisen
hoop op nooit meer oorlog.
Edith Oeyen
evenEven op bezoek
vlug een blik door de kamer:
haar ogen traande.
Edith Oeyen
Haar puntige tongHaar puntige tong
prikte mijn huid
tot bloedens toe
niet wetend waarom
besloot ik
een beschermlaag aan te leggen
te zwijgen over het lot
en andere dingen
niet te reageren
op haar scherpe taal
was het domheid
arrogantie
of aanstellerij
was het denken
dat zij alles beter wist
of niet beseffen
hoe vriendschap is
nee zij sloot de deur haast
ik laat ze nog even
op een kier
en wacht.
Edith Oeyen
1 reactie op dit bericht
Ik wens u een fijne zondag. Erwin
Untitled Document