Nu de zon schijnt in felle glorie
wil elk kind badwater in zijn tuin
schouders worden langzaam bruin en
alles krijgt een ander kleur
ook de geur van bloemen wijzigt
maar als de avond valt
geniet ik van wat frisse wind
want ook ik ben een kind
dat spelen wil en leven
al is het elke dag maar even
Edith Oeyen
Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
Beringen 1
BERINGEN 1
Rond slenterend door de straten, zal ik
niet ontkennen dat ik van je hou
met de jaren vergroeid en steeds meer beleefd
met stadsgenoten zoek ik soms de rust op
gedreven door de passie voor het mijnverleden
grasduin ik vaak rond in het museum van toen
denk terug aan de eerste dagen van hier te
wonen of hoe lang geleden toch dichtbij is
mijn kinderen groot verzeil ik wel eens alleen
in het grote bos achter mijn huis daar vind ik dan
de heimwee van het dorp in de stad en weet dat
elke dag die nog zal komen een welkom geschenk is
rond slenterend door de stad proef ik de verschillende
culturen en weet Beringen een woonplaats voor velen.
Edith Oeyen
Haiku

ZE IS DEGENE
Ze is degene die alles aankan
zo lijkt het toch
soms verpinkt ze een traan
laat zich even gaan
en pakt dan de draad weer op
ze is een voorbeeld voor velen
een sterke vrouw zoals er weinige zijn
haar eigen pijn verbijt ze naar morgen
en lacht met de zon
om de regenbui die voorbij trok
als een vogel fluit ze
haar lied van het leven.
Edith Oeyen
ALS WE
Als we blind zijn voor het kwade,
zal nooit het recht zegevieren
open daarom je ogen
en spreek in zachte taal.
Edith Oeyen
Zelfs

SMEKEN OM ONSTERFELIJKHEID
SMEKEN OM ONSTERFELIJKHEID
En dan
mijn liefste
zal ik zingen als jij bij me komt
of wacht ik tevergeefs de uren
de dageraad is mild geweest
dauw legde zich op rozen
zwaluwen vlogen de ochtend open
plots voelde ik een weke pijn.
was het een verlangen
of het knarsend vuur
dat mij verbrandde?
het licht
dat jong de dag inviel
deed mij denken aan mijn jeugd.
waarom mijn liefste
zijn woorden zo bewegingloos op papier
zijn ze zo sprakeloos als ik
wanneer je mij omarmt?
klopt ons hart de woorden uit elkaar
of zijn ze voor de
eeuwigheid bestemd?
doorschijnend was de middagzon
broos en breekbaar
als kristal
sluiers die om bloemen hingen
werden vlindervleugels
overvloeiend in eigen kleur.
door dit aanschouwen
werd ik week als brood
terwijl je naam op mijn lippen lag.
loom werd ik
door zonnestralen,
sloot mijn ogen zag mijn graf.
de huiver heeft mij neergebogen
aarde werd toen aangeraakt.
maar ja
mijn liefste
ik was getuigen
toen de zon weer onderging.
vele nachten zijn sinds
reeds gekomen
bange vogels vlogen heen
doch in stilte was de avond en mijn ik alleen.
ik zocht de klank
van je huid
je eenzaamheid tussen het gras.
het hemelsblauw gaf weer hoop
deed zachtgebekte vogels zweven,
zwervers worden tussen jou en mij
hoe prangend zijn mijn vragen
hoe schamel is mijn troost
als ik niet weet
hoe meeuwen overleven
in de winter
geheiligd is dit zwijgen
de zang van engelen is bedroefd
hun vleugels zijn gescheurd
zij leven nu met stille stem
en kennen onze pijn van dagen
ik wandel door een doolhof heen
zoek tegenspraak in mij
de vragen in een glazen stulp
waarop het antwoord steeds ontwijkt
zeg me liefste
waarom beeft zo vaak mijn hand
en trilt mijn stem bij spreken
waarom struikel ik van weemoed
betast ik de bodem van de put
hoop ik op warmte van je liefde
het vuur de onderhuids brandt
weet je liefste
we kennen de geheimen
van verdriet en afstand houden
maar voelen ook de pijn
mijn hart is als een gebarsten glas
dat naar zachtheid van je lijf verlangt
nauwelijks nog zeg je mij
hoe ik rusten kan
ik strek mijn vingers naar de jouwe
maar kilte voelt
de slaap van ver
dan denk ik morgen
morgen vlucht ik uit mijn huid
doorbreek de eenzaamheid
met roepen hoe de regen schrijft
dat we beiden wachten op elkander
is het soms de dwaze wind
die onze wegen scheiden doet
hoe ik ook vecht
bomen slaan woest hun takken uit
bessen tonen de kleur van schaamte
als ik even dood wil zijn
maar mijn liefste wat is leven
als ik niet als de vogels ben
vrij
onbezorgd
met sterke vleugels
smachtend naar jouw blik
weldra is het weer augustus
dan oogst men vruchtbaarheid
uit korenhalmen
en scheurt men de kalender af
dagen korten
avonden worden langer
hoe moet ik leven
als ik steeds maar dwalen moet
zoekend naar die glim
luisteren naar
de afwezigheid van je stem
ik wil in je woorden liggen
maar ook bij nacht liefst in je bed
heb je
je pijn reeds verbonden
of wacht je
tot ik een pleister plak
is het geen kalvarie
te weten dat de tijd verglijdt
mijn huis is ook je onderkomen
ik geef je de sleutel van mijn hart
bezit met mij de kleine dingen
stelp het bloeden diep in mij
sus mijn angst
maak me reiziger bij jou
laat de onrust in mij sterven
gun me rust
na dit pijnlijk bonzen van mijn hart
mensen rondom ons
kijken nieuwsgierig
ze weten en ze weten niet
wat liefde al vermag
zeg me de waarheid
kleur mijn leven
of leef je in verborgen zwijgen
laat je me de twijfel
uit de bomen
of ben je herder
hoeder
of behoeder
die soms maar
het roepen hoort
weet je
liefste laat me doorbreken
in je dromen
geef me bestendigheid
in je bestaan
of is het waan te denken
dat je me in de morgen wekken zal
met je armen om mijn middel
dat we samen rijden naar de zee
dat we in bewondering staan
voor wegberm in rode gloed
waar papavers wuiven
naar een zomerlied
ach liefste
al bezitten we geen jeugd meer
hunker kent geen tijd
wie heeft in ons de vlam ontstoken
die wakkert en soms laaiend wordt
welk is het bindmiddel
dat ons samenbrengt
zijn het de eindelozen woorden
is het de liefde die steeds groeit
is het de zwerver die ons stuwt
is het
het ongezien verlangen
als straks
mijn liefste
je schaduw een rustplaats zoekt
kom dan naar dit huis
waar zwijgen wordt doorbroken
en eenzaamheid wordt
weggestuurd
en als dan
mijn liefste
je zachter liggen wil
kom dan dicht bij mij
laat ons beminden zijn
die smeken om onsterfelijkheid.
Edith Oeyen
WEERAL IS DE TIJD
Weeral is een tijd voorbij
van zon en wind en regen
bloedwarme dagen vergezelden ons
heimweepijn bewoont ons hart
nu dagen veel licht verliezen,
weldra groeien weer
kristallen bloemen op het raam
staat het riet roerloos bij de bijver
en nu wij weer die glimlach zien
van vrienden rondom ons
lijkt het alsof wij
een wonderbaar fluisteren
door onze aderen horen vloeien
in de schemer van het najaar
slaan wij onze vleugels uit
bij een vleugje poëzie
Edith Oeyen
ontkennen dat
Ontkennen dat jij
Nu de zomer voorbijglijdt
en ik kwetsbaar
sta te prevelen
elke stilte aanwezig voel
wil ik luisteren naar ons hooglied
Een weg geplaveid met liefde
zakt onder mijn voeten weg
om mijn schouders
hangt de kille eenzaamheid
nu jij weer bij haar bent
als dwaler in de tijd voel ik
mij verraden
tot de telefoon overgaat
en jij in zachte klanken
van omhelzen spreekt
ontkennen dat jij van mij houdt
is een leugen
het is de status
die tussen ons staat.
Edith Oeyen
Tussen twee tranen
een kinderglimlach verder
blijheid in mijn hart.
Edith Oeyen
IN DE VERTE
Heerlijk hoe dit land
in alle stilte rust
kleur strooit in zachte tinten
de adem van de bomen
ruist lang mijn haren
die opwaaien in het blauw
van de lucht
hoog boven ons zweeft een vogel
hij breviert zijn dankgebed
om zoveel zon
de schoonheid van lente is een mysterie
die beelden voor onze ogen tovert
er is zoveel afstand
tussen lucht en land
en toch raken ze elkaar
in de verte.
Edith Oeyen
Ik Wandel
Ik wandel door de kille dagen
vind ijsbloemen op het raam
en in mijn voetsporen
de herinnering aan het voorbije jaar
er was veel te beleven
pijn, verdriet en vreugde
maar voor mij ligt een nieuw jaar
met zoveel doordeweekse dagen
en hoop op meer geluk
gehuld in nevel ontwaar ik een glimlach
deze stuur ik aan jou
en wens jou de vreugde toe
van duizend rozen in een zomerpark.
Edith Oeyen
Bespreking
Een naald zonder oog
Gedichten van Edith Oeyen
EEN BUNDEL UITZONDERLIJKE GEVOELSPOËZIE
De knieprothese als ondertitel van een gedichtenbundel. Het verdict, de operatie, het verblijf in het ziekenhuis, de revalidatie als bronnen van inspiratie. Het lijkt mij zoiets als het kappen van een ruwe steen tot hij kubiek wordt. Hij krijgt een nieuwe vorm, maar de inhoud blijft gelijk.
Dit leken mij geen items waarbij een dichterlijke ziel zich geroerd voelt. In dit orthopedisch landschap van bevroren tranen vind je enkel “verbeterde operatietechnieken”, zoals dokter E. Van Vlerken in het voorwoord schrijft.
Ik maakte echter een grote inschattingsfout: patiënte Edith Oeyen schreef een bundel uitzonderlijke gevoelspoëzie. Authentieke gedichten, geen sentimentaliteit, geen trukenpoëzie.
De originele wijze waarop zij dokters, verplegers, kinesisten, therapeuten een poëtische identiteit geeft, is knap vakwerk. Doorheen gevoelens van pijn, opluchting, onzekerheid, vreugde en verdriet geeft zij haar medespelers de plaats die hun toekomt. Zij schreef een “document humain” dat niet alleen veel zegt over de boodschap, maar evenveel over de boodschapper: een dichteres die de helende kracht van woorden bezit, die verwoordt en verbeeldt wat zij denkt, voelt en aanvoelt.
Een naald zonder oog is een multifunctionele bundel: een relaas, een dagboek, een handleiding voor lotgenoten.
Op meesterlijke wijze analyseert de dichteres wat haar overkomt. Ook in Een naald zonder oog is dat de drijfveer van haar schrijven: overleven! Zij doet dit altijd op een diep doorleefde manier, authentiek, niet aangedikt, geen pose, tegen een sober decorum. Een naald zonder oog straalt zoveel persoonlijkheid uit, lees: morele moed, die nergens wordt verstoord door opgeklopte ontroering.
Ook nu brengt zij op een verfijnde wijze verslag uit van haar medisch avontuur.
De titel van haar bundel, Een naald zonder oog, deed mij bij een eerste lezing niet nadenken, zelfs geen frons, tot ik in een eerste versie van mijn recensie de titel las als: Het oog van een naald. Door het oog van een naald kruipen: nauwelijks aan een gevaar ontkomen, net goed afgelopen, op het nippertje. Zeg nu zelf: zijn dit niet de juiste woorden om te zeggen dat de kapotte knie is hersteld, dat de knieprothese goed is geplaatst?
Waarom Een naald zonder oog als titel voor een poëtisch dagboek? Biedt een naald zonder oog geen uitzicht op wat komen zal? Is dit de reden waarom de dichteres worstelt met inzicht in haar toestand, waardoor twijfel, wanhoop, angst ontstaan?
De bundel kunnen wij indelen in twee delen:
deel 1: één: de prefase of alles wat haar overkomt, hoe ze zich voelt, wat zij erover (na)denkt, de beslissing, twéé: in het ziekenhuis: de opname, de gesprekken met de anesthesist en de dokter, de eerste operatie, op intensieve zorgen, het bezoek, haar contact met verpleegsters en verplegers, haar hoop op beterschap, drie: naar huis, de kine, de controles, de (te) trage beterschap,
deel 2: één: een nieuwe opname, tweede ingreep, het begin van genezing (het kunnen plooien), twéé: een jaar later, een tweede opinie, een nieuwe afspraak, een nieuwe opname, een nieuwe operatie, de hulpverlening, de kine, de hoop, de ergotherapie, drie: nieuwe hoop op beterschap.
Uit bovenstaande opsomming (de structuur van de bundel) blijkt duidelijk dat de omschrijving “poëtisch dagboek” juist is. De wijze waarop zij haar dagboek verwoordt, is voor mij niet alleen origineel (orthopedie en poëzie hebben weinig of geen affiniteit), maar vooral beheerst, ontroerend toch hoe zij met haar gevoelens omgaat, hoe zij twijfel, angst, hoop, boosheid, dankbaarheid oproept. Dit is een gave die aan weinig dichters is gegeven: in dezelfde verpakking (dagboek), in dezelfde omstandigheden (tijd maken voor poëzie) en in een zelfde woordverkeer het plaatsen van een knieprothese als onderwerp van een gedichtenbundel kiezen.
Ik heb woorden (begripswoorden) als pijn, kwelling, vertrouwen, hoop, tijd, angst in de bundel aangestreept, om de wijze te duiden waarop Edith Oeyen poëtisch en vruchtbaar aan het delven is geweest. De gelaagdheid van haar gedichten is opvallend. Zij heeft haar dagboek, dat drijft op lyrische ontboezeming, ondersteunt door nieuwe ervaringen en ingevingen. Haar observaties leiden tot een levenswijsheid die niet iedereen gegeven is.
Bij het lezen van de meeste gedichten word je stil, doodstil. Hoe vaak en hoe diep moet zij zich over deze specifieke gebeurtenis in haar leven gebogen hebben om dit zo intens te kunnen verwoorden. Wat zo simpel lijkt, en haar zo groot maakt is als dichter, is de wijze waarop zij voortdurend het geleefde leven condenseert in versregels.
Soms begrijp je de diepere betekenis pas na een tweede lezing. Op het eerste gezicht lijkt het gedicht zo eenvoudig dat niets wijst op de gevatte verwoording. Omdat zij het experiment schuwt en zich niet waagt aan woordspelletjes en spitsvondige taalcreaties en zich nooit beweegt op de rand van helderheid en ontoegankelijkheid, wil niet zeggen dat zij geen goede poëzie schrijft. Zij verwoordt haar gevoelens en gedachten in een eenvoudige, particuliere taalkleur.
Argeloosheid, twijfel, vlucht zijn de drie emotionele “kwaliteiten” die in elke bundel van haar opduiken en die zij zorgvuldig met elkaar mixt in poëzie. In Een naald zonder oog was de kans groot dat de dichteres zou vervallen in egotripperij, maar de wijze waarop zij het decorum omhult, haar gevoelens herkenbaar verwoordt, de taal beheerst, verhindert deze valkuil. Bovendien koos zij wijs voor de derde persoon.
wilde een vlinder omarmen
die opvloog
blz. 29
terwijl zijn zachte stem
een lied in haar liet zingen
blz. 41
droefheid weent
in de poriën van zijn huid
blz. 50
ze is een spring-in-’t veld
die huivert
als iemand een traan verpinkt
blz. 65
Wat mij eveneens opvalt, is de zorg waarmee Edith Oeyen elk gedicht en de volledige gedichtenbundel opbouwt. Ik wees hierboven al op de structurering, maar er is meer: op het einde van elk gedicht slaat zij een brug naar de werkelijkheid buiten haar, naar de natuur, de wereld van gezonde mensen. Deze eindverzen geven het gedicht niet alleen een pointe, maar zij zorgen vooral voor breedbeeld, een venster op, een verankering in de wereld van de lezer.
Enkele voorbeelden:
blz. 9: de avond daalt reeds/in de verte
blz. 17: de winter is nog veraf/dan volgen vleugels vol sneeuw/en dromen kinderen van spelen.
blz. 19: het weiland in de verte/draagt nog steeds een groene kleur.
blz. 21: opwaarts vliegt een vogel/die naar vrede smacht.
blz. 22: met jonge tederheid/omarmt ergens moeder/een kind dat lacht.
blz. 24: de nacht heeft in stilte/dauw op het gras gelegd.
blz. 25: de dood is een witte vlinder/die geurt naar nacht.
blz. 33: schaamteloos loopt een vos/door de donkere nacht onhoorbaar haast/likt hij zijn lippen.
blz. 35: het was hopeloos tasten naar jong mos.
blz. 45: het is al te lang wintertijd geweest.
Het beeld dat zij voor de titel van haar bundel koos, komt voor in het gedicht “Doelloos tasten” (blz. 35):
Hoeveel duisternis
moest ze doorstaan
vooraleer ze weer rozen zag
bezoekers waren
soms als een profeet
elk had zijn verhaal
vertelde over lange tijd
vertelde over hoe het moest
pijnstillers
pijnstillers
ze telde de strepen op de muur
voelde zich verstrikt
in een lus vol twijfels
trachtte de boosdoener te ontmaskeren
maar hoe dan ook
het was een naald zonder oog
een nacht zonder licht
het was hopeloos tasten naar jong mos
Edith Oeyen is een dichteres die met gevoelens om kan. Ook wanneer zij nauw betrokken partij is, overstijgt zij haar eigen wereld.
Warm aanbevolen.
Thierry Deleu
Edith Oeyen, Een naald zonder oog, KVLS, 2009, ISBN 978-90-8003-020-6
Met voorzichtige handen
tasten wij allen naar tederheid
zoeken wij naar woorden
want soms zijn wij breekbaar als ijs.
gehuld in
een oase van vreugde
verkennen wij
de blauwe hoek van de nacht
die een ster verbergt
sprakeloos staan we dan
in een land vol rozen en dromen
wanneer novemberwind
als een schaduw
in de lucht hangt.
in het speelse najaarslicht
ben ik een vlinder
die naar voorjaar vraagt
de geur van bossen
doet me denken aan hen
die er niet meer zijn
ook zij krijgen van mij een groet.
Edith Oeyen
Zo ver in het verleden
woont ze nog even in mijn denken
gerimpelde huid
getaand door de zon
geplaagd door leed en zorgen
toch draagt ze een glimlach mee
roept de verte aan
als ik naar haar toe komt
gelukkig in haar kleine hebben
geeft ze al wat ze heeft
aan haar kleindochter
niet beseffend wat ze heeft doorstaan
grabbelt deze door de tijd
en ontdekt welke goedheid
de vrouw bewoonde
jaren geleden hield haar adem op
huiveringen lopen over haar rug
haar grootmoeder was een arm-rijke vrouw
Edith Oeyen
Soms zingt er een lied in mij
droefheid klinkt uit de noten
dan wil ik vluchten uit mezelf
en roepen om wat zon
’s morgens vroeg tel ik
de dauwdruppels
en langzaamaan verdwijnen ze
met mondjesmaat laten ze
de zon binnen
en traag ontdooit dan
in mij de echte ik
en lach
Edith Oeyen
vergaan
Vergaan van eenzaamheid in dit apenland
waar niemand vraagt of het gaat en
waarom jij weent in de nacht
of door het duister slentert
waar elk uur de klok zwaar
en moedeloos een slag slaat
waar de bomen zwijgen en
enkel ruisen in de wind
waar de sterren kijken zonder te stralen
waar de zon schijnt
steeds weer voor anderen
vergaan van eenzaamheid
in dit apenland
ik sterf een langzame dood.
Edith Oeyen
Haiku
Zachte rozengeur
geplukt uit de lentetuin
bedwelmt mijn denken
***
Zelfs in haar ogen
Herkent men de vurigheid
van brandende liefde.
***
In zijn gezelschap
leest zij een heel spannend boek
een eekhoorn op tak.
Edith Oeyen
Hij keek naar me met argusogen
rillingen liepen over mijn huid
hij wilde me strelen
maar geschrokken
deinde ik achteruit
mijn handen zijn niet ruw
sprak hij
ik reageerde
ik weet het
buitengewoon zacht is
de huid van een jonge kat.
Edith Oeyen
zie hoe
Zie hoe zacht de ochtend gloort
in stilte weer een nacht vermoordt
en dankbaar drentelt weer een wolk
voorbij het morgenlied van ’t vogelvolk
de middag legt in stille rust
haar stralen neer en ongeblust
werpt zij de warmte op onze huid
wij leven blij ten voeten uit
niemand die de avond mist
of zich in het late uur vergist
wel afscheid neemt van weer een dag
in vreugde en met blijde lach
want de nacht komt met zijn zalige rust
als ergens een moeder haar kindje kust
terwijl de wind door de bomen blaast
wil elke mens slapen weg dodelijke haast
dan komen dromen in ons bestaan
straks komt de ochtend er weer aan.
Edith Oeyen

