Marcel Poot 120 jaar geleden geboren


Iets oudere muziekliefhebbers kennen Marcel Poot als de legendarische juryvoorzitter van de prestigieuze Koningin Elisabethwedstrijd.
Hij was echter ook een zeer verdienstelijk componist, klarinettist en professor.
Op 7 mei 1901 werd hij in Vilvoorde geboren en op 12 juni 1988 overleed hij in Brussel. Hij was de zoon van Jan Poot, directeur van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel en had dus door en door Vlaamse genen.
Zelf noemde hij zich middelmatig begaafd, maar de lof die hem te beurt viel bij zijn composities ontkent deze middelmatigheid ten stelligste. Eretitels als ‘Uilenspiegel’, ‘Bruegel’, ‘Teniers’ of ‘Vaandeldrager van de Belgische muziek’ doen hem meer recht.
Opleiding
Zijn eerste muzieklessen kreeg hij van organist Gerard Nauwelaerts en vervolgens volgde hij tussen 1916 en 1919 notenleer, piano, instrumentatie, compositie en harmonie aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel bij Arthur De Greef, José Sevenans en Martin Lunssens.
In het harmonieorkest, waarvan zijn vader voorzitter was, in Vilvoorde speelde hij klarinet.
Aan het Antwerpse conservatorium zette hij zijn studies verder bij o.a. Lodewijk Mortelmans (contrapunt en fuga) en bij Paul Gilson volgde hij privélessen compositie.
In 1925 stichtte hij ter gelegenheid van Gilsons 60ste verjaardag met enkele andere studenten van Paul Gilson ‘De Synthetisten (Les Synthétistes)’, vergelijkbaar met de Franse Groupe des Six. Ze wilden een synthese brengen van al de verworvenheden van de eigentijdse muziek: men wilde levende muziek scheppen en loskomen van de voorbijgestreefde romantische idealen om een nieuw soort muziek te scheppen die niet langer meer provincialistisch zou zijn maar universeel. Ze streefden naar een synthese van nieuwe én oude technieken en sloten zich impliciet aan bij de neoklassieke trend die rond dat tijdstip in heel Europa leefde. In de Belgische context zorgden zij voor een nieuw geluid, voornamelijk in de mate dat zij de nadruk legden op technische aspecten van het componeren.
Andere leden waren René Bernier, Francis de Bourguignon, Théo De Joncker, Maurice Schoemaker, Jules Strens en Robert Otlet.
Dankzij een studiebeurs verbonden aan de gewonnen Rubensprijs studeerde hij in 1930 bij Paul Dukas aan de École Normale de musique de Paris.
Professionele loopbaan
Na zijn studie was Marcel Poot muziekleraar, muziekredacteur en freelance componist.
Als publicist werkte hij gedurende 15 jaar mee aan het blad ‘La Revue Musicale Belge’, dat hij samen met Paul Gilson gesticht had, en aan het dagblad ‘Le Peuple’.
Hij was muziekleraar aan middelbare scholen in Vilvoorde en Halle en later leraar piano, notenleer en muziekgeschiedenis aan de academie te Vilvoorde.
Van 1932 tot 1949 was hij musicus-modulator bij de radio.
Vanaf 1939 doceerde hij aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel contrapunt en harmonie en in 1949 werd hij er in opvolging van Léon Jongen directeur. Hij was de laatste directeur van het nog unitaire (lees: Franstalige) Conservatorium en is erin geslaagd de faam van de instelling hoog te houden.
Bij de pensionering van Emiel Hullebroeck in 1943 werd Poot aangeduid als inspecteur van het muziekonderwijs. Wegens de oorlogsomstandigheden kon hij die functie echter niet uitoefenen.
Hij was tevens lector aan het Institut Supérieur des Arts Décoratifs, rector van de Muziekkapel Koningin Elisabeth (1970-1976), lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten, juryvoorzitter van de Koningin Elisabeth wedstrijd (1963-1981), voorzitter van SABAM, stichter en voorzitter van de unie van Belgische Componisten en CISAC, en jurylid van verschillende compositiewedstrijden.
Componist
Reeds als student wijdde Marcel Poot zich aan de compositie.
Hij schreef werken voor de Vilvoordse harmonie en 'De Gidsen': ‘Déphilé Royal’, ‘Dionysos’, ‘Laetare’, dansen, ouvertures, marsen, capriccio’s…. en in 1922 zijn ‘Vlaamse Rapsodie’.
De eerste inspiratiebronnen voor Poot waren aspecten van de moderne cultuur, met als belangrijkste de film of de jazzmuziek. De films van Charlie Chaplin inspireerden hem tot het schrijven van de drie symfonische schetsen ‘Charlot’ (1926).
‘Jazz Music’ (1930) werd, zoals de titel aangeeft, in die stijl geschreven.
Voor hij naar Parijs bij Dukas trok, had Poot ook al zijn eerste ‘Symfonie’ voor groot orkest gecomponeerd. Er volgden er nadien nog 6.
De reeks van zeven symfonieën is zijn meest in het oog springende en coherente bijdrage tot de muziekliteratuur. Ze zijn zonder uitzondering driedelig opgebouwd, volgens het beproefde schema 'snel - langzaam - snel'. De orkestratie is sterk beïnvloed door Gilson want ze is in essentie gebaseerd op de traditionele indeling van de instrumentengroepen (strijkers, hout, koper en slagwerk).
Hij schreef verder voor orkest verschillende ballades, sinfonietta’s, concerti (voor piano, klarinet, cello, hobo, saxofoon en orkest), suites, balletsuite ‘Pygmalion’, ‘Millennium’ voor 4 saxofoons en orkest….
De ‘Vrolijke Ouverture’ uit 1934 droeg de componist op aan Paul Dukas. Ze kende internationale bijval.
Marcel Poot componeerde 2 oratoria: ‘Le dit du routier’ ( op tekst van Joseph Weterings) en ‘Icarus’ (op tekst van Theo Fleischmann) alsook 2 opera’s: ‘Het ingebeelde eiland’ (scenario van Herman Teirlinck) en ‘Moretus oder Der widerspenstige Verdammte’ (scenario Joseph Weterings).
Ook voor koor, piano, harp en orgel componeerde Marcel Poot alsook kamermuziek (vaak examen- of wedstrijdopdrachten voor viool en piano; cello en piano, trompet en piano, fluit en piano, hoorn en piano, klarinet en piano, fagot en piano, trombone en piano, pauken en piano, houtblazerstrio, klarinetsextet…), Franstalige radiospelen en liederen.
De ‘Variaties voor piano’ (1952) zijn een ‘In Memoriam Gust De Boeck’. Het thema bestaat uit de letters van de familienaam van deze componist en er duikt een zeer kort citaat uit diens bekende Cantilene op.
In 1960 schreef hij in opdracht van de Koningin Elisabethwedstrijd het plichtconcerto voor piano.
Marcel Poot componeerde met respect en eerbied voor de West-Europese muziektraditie met daarbij vooral een bewondering voor Bachs contrapunt en Mozarts spontaneïteit. Zo merken we dan ook meestal een (neo)klassieke opbouw in zijn werken zoals de thematische arbeid of motivische ontwikkeling en de sonatevorm. Al zijn er vanzelfsprekend andere, vroeg twintigste-eeuwse invloeden, toch verlaat Poot zelden de grenzen van de tonaliteit.
Schönbergs dodecafonie of het serialisme waren niet aan hem besteed.
Ondanks de bewondering voor Stravinsky zien we bij Poot geen gelijkaardige ritmische complexiteit.
Wel vernieuwend waren zijn zeven radiohoorspelen, vaak met vocale solisten en orkest (bijvoorbeeld ‘Faut-il tuer le Mandarin?’ ( 1933) en ‘Le chat botté’ (1936).
Onmiskenbaar zijn de invloeden van Ravel, Stravinsky, Prokofiev en Strauss. Vooral in de Vrolijke Ouverture horen we invloeden van deze laatste.
Vaak wordt de muziek van Poot omschreven als humoristisch, blij, gul, luchtig, volks-Vlaams, ritmisch en licht. Maar die vlag dekt zeker niet de hele lading. In andere composities toont de toondichter zich zeer ernstig. Zijn oeuvre illustreert een Vlaams temperament getemperd door een Latijnse klaarheid en overzichtelijkheid.
Erkenning
Marcel Poot kreeg de eretekens van Officier van de Leopoldsorde en Officier in het Franse Legioen van Eer.
Omwille van zijn grote culturele verdiensten ontving hij in 1984 de titel baron.
Het feit dat gereputeerde buitenlandse uitgevers zoals Max Eschig en Alphonse Leduc te Parijs en Universal te Wenen zijn werken publiceerden bewijst zijn internationale waarde en erkenning.
Buiten zijn Vrolijke ouverture en enkele kleinere werken is er tegenwoordig weinig muziek van Poot te horen. Reden? Wat academisme? Afzijdigheid tegenover evoluties in het muzieklandschap? Herhaling van zichzelf? Minder sterke melodische inspiratie?
Te beluisteren
In de NAXOSbox volume 2 met Vlaamse muziek en bij Marco Polo treffen we een cd aan met de 6de symfonie, Pygmalion, Symfonisch allegro en de Vrolijke ouverture. Bij Marco Polo verschenen zijn Tarantelle en de symfonieën 3, 5 en 7. Telkens gedirigeerd door Frédéric Devreese.
NAXOS bracht de 7 symfonieën uit in opnames met Léonce Gras, Frédéric Devreese, Franz André en Hans Rotman. Alpha Brussels nam het pianoconcerto op. Ook heel wat kamermuziekwerken werden door verschillende artiesten en labels opgenomen.
Op YouTube kan men uiteraard ook terecht: (1) marcel poot - YouTube











