In Holland (Lobith) staat een huis!!.


In Holland (Lobith) staat een huis…….
Nadat wij (mijn vader, moeder, broer, zuster en ik) in april 1956 vanuit Indonesia in Nederland aankwamen werden we ondergebracht in een zgn. contractpension (zie ook het artikel “In een contractpension” op deze weblog).
Dit pension was het bungalowpark “De Woeste Hoogte” en stond in Hoenderloo, aan de Krimweg 170.
De opvang in een contractpension was tijdelijk. Het was namelijk de bedoeling dat we een woning toegewezen zouden krijgen. Maar leegstaande woningen waren in die tijd schaars en we moesten dus maar afwachten wanneer we een huis konden betrekken en in welke plaats we terecht zouden komen.
Maar op een dag was het zover……..
We namen afscheid van de andere families die nog op “De Woeste Hoogte” op een eigen huis moesten wachten en verhuisden met onze weinige spullen naar onze eerste woning in Nederland. Het was op 26 juni 1956.
Het bleek een rijtjeshuis te zijn in Lobith (Gemeente Herwen & Aerdt). Ons nieuw adres werd: Bloemenstraat 13, Lobith.
Van Lobith wist ik tot dan toe (van de lagere school) alleen het volgende:
“…. in Lobith komt de Rijn in ons land (=Nederland)”.
Verder zei die plaats me hoegenaamd niets.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Iets over de historie van Lobith:
In het jaar 1222 verleende Keizer Frederik II vergunning aan Graaf Gerard van Gelre om in Lobede een tol te vestigen. De plaats lag op een gunstig punt aan de voet van de Eltenberg en bij de splitsing van Rijn en Waal. Maar een kleine 100 jaar later had de splitsing zich ongeveer 1 kilometer stroomafwaarts verplaatst. Daar werd begonnen met de bouw van een Tolhuis, later Lobith genoemd. De tol met Tolhuis en omgeving werd in 1473 door Karel de Stoute aan Hertog Jan van Kleef geschonken wegens verleende diensten.
In de 80-jarige oorlog (1568-1648), bekend van de geschiedenislessen op school, speelde het Tolhuis een belangrijke rol. Het werd meerdere malen gebruikt als hoofdkwartier voor de legers van de prinsen Maurits en Frederik Hendrik tijdens de belegeringen van Schenkenschans, waar Lobith mee verbonden was door de Boterdijk.
Op 11 juni 1672 trok het leger van de Franse koning Lodewijk XIV bij Lobith de (Oude) Rijn over. Dat was het begin van wat wel het rampjaar werd genoemd.
Toen de Fransen weer waren vertrokken verviel Lobith langzaam. In 1817 werd het dorp weer Nederlands.
_____________________________________________________________________
In de eerste dagen dat we in de Bloemenstraat woonden viel het ons op, dat overdag veel mensen door onze straat liepen. Aanvankelijk dachten we dat dit het normale voetgangersverkeer was in die straat. Maar al gauw bleek dat het om nieuwsgierigen ging, die heel benieuwd waren hoe die ‘bruintjes’ eigenlijk woonden en of ze ook iets konden zien van wat zich daar binnen in huis afspeelde. Hoe zouden ze eten? Met de tien geboden (vingers)? Zouden ze halfnaakt door het huis lopen? Zaten ze met z’n allen gewoon op de grond? (Wat de dorpelingen zich afvroegen, dat hoorden we pas later, toen we al waren ingeburgerd.).
Toen mijn moeder en ik voor de eerste keer boodschappen gingen doen en bij de slager naar binnen liepen, vroeg de man (heel vriendelijk) of we wel Nederlands spraken en/of verstonden. Ik heb hem toen maar het verhaal op de mouw gespeld, dat we het Nederlands op de bootreis van Indonesia naar Nederland hadden geleerd in 21 dagen, wat mij een misprijzende frons van mijn moeder opleverde en een bewonderende blik van de slager.
Enfin, we kochten wat vlees bij hem en terwijl hij alles afwoog had mijn moeder uit het hoofd (want hoofdrekenen was op de scholen in Nederlands-Indië één van de hoofdvakken) al snel uitgerekend wat ze in totaal moest betalen. Nog voordat de slager het bedrag op zijn telmachine had uitgerekend zei mijn moeder hem wat ze moest betalen. De slager sloeg het totaalbedrag aan op zijn machientje, keek mijn moeder verbaasd aan en sprak de legendarisch geworden woorden: “Jij kunt ook rekenen…..”.
Waarop mijn moeder antwoordde: “Beter dan u!”, welke opmerking haar weer een frons van mij opleverde…..
We hadden besloten om voor de hoofdmaaltijden afwisselend rijst en aardappelen te eten. Rijst omdat we dat in Indië toch gewend waren te koken en te eten en aardappelen omdat je toch moest inburgeren, ja toch? Bovendien gaf het een soort evenwicht (jin-yang).
Onze buren aan de rechterkant hadden twee kinderen, een jongen van ongeveer vier jaar (Gerard) en een meisje van twee (Rineke). Gerard bracht ons vaak een bezoek en als het eten op tafel stond keek hij in de pannen. Schafte de pot op die dag rijst, dan bleef hij eten. “Ha, riest”, zei hij dan op z’n Lobiths. Waren het aardappels dan zei hij steevast: “Piepers… die krieg ik thuus ook….” en dan vertrok hij weer.
Toen we er al een poosje woonden ontmoetten we een andere Indische familie. Dat gezin bleek in Tolkamer te wonen, ongeveer 1, 5 km. van ons vandaan. Het was de familie Claasz Cookson, bestaande uit vader, moeder, 2 zoons (George en Ernst) en een inwonende oma, de moeder van mevrouw Claasz Cookson.
Zij waren al veel langer dan wij in Nederland en kwamen uit Soerabaja, waar de heer des huizes bij de marine had gewerkt. In Tolkamer werkte hij bij de douane.
Ernst was iets jonger dan ik en al gauw trokken we samen op. Meestal naar de Bijland, waar water was (van de Rijn) en een strand en waar de plaatselijke jonge deernen zich meestal van hun beste kant(en) lieten zien….
Ook toerden we dikwijls op een brommer (zie foto) richting Elten of ’s Heerenberg.
Toen we op een dag een eerste bezoek zouden afleggen bij de familie Claasz Coockson, wilde mijn moeder een taxi bestellen. Ze dacht kennelijk nog aan Indië, waar je al snel een betjak (becak) [ een driewielig voortuig voor passagiersvervoer] of een sado (kar met paard) liet komen om bij vrienden op visite te gaan.
Het kostte me moeite om haar ervan te overtuigen, dat we best te voet konden gaan en dat de afstand van ons huis naar die van de Cooksons gemakkelijk te belopen was….
Nadat we ongeveer een half jaar in Lobith hadden gewoond moest mijn vader terug naar Jakarta ( voorheen Batavia) om nog een jaar te werken om daarna vol pensioen te kunnen krijgen. Vlak voordat hij weer naar Nederland zou teruggaan kreeg hij een ongeval (als fietser door een auto aangereden) en overleed hij in Jakarta op 17 mei 1958 na een kortstondig verblijf in een ziekenhuis. Onze oom Unac Muller (een neef van mijn moeder) heeft hem in zijn laatste dagen bijgestaan en voor de begrafenis gezorgd. Mijn vader werd begraven op de begraafplaats Jati Petamburan in Jakarta.
Op 12 november 1971 overleed mijn moeder in Lobith, waar ze ook werd begraven.
Terugkijkend op de tijd die we in Lobith hebben doorgebracht kan ik alleen maar zeggen, dat we geen problemen hebben ondervonden bij het wennen aan een ander land met andere gewoontes en gebruiken. Integendeel, we ondervonden bijzonder veel hartelijkheid en warmte van de bevolking. En dat we Nederlands spraken en ook konden lezen en rekenen, ach, dat hadden de Lobithenaren (of Lobithers?) al snel door……



















