Repatriëring


Met de "Oranje" naar Holland
Na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 (nadat de steden Hiroshima en Nagasaki door atoombommen waren verwoest) brak in Indonesië (het voormalige Nederlands-Indië) een zeer chaotische periode aan (de zogenaamde bersiapperiode), waarin Indonesië streed voor haar onafhankelijkheid en veel slachtoffers vielen, vooral onder de Indo-Europeanen (waaronder de Indische Nederlanders of Indo’s). [Zie ook het artikel “In het kamp” op deze weblog].
Vooral de ervaringen gedurende deze tijd heeft veel Indische Nederlanders doen besluiten in de jaren na de soevereiniteitsoverdracht ( in 1949 ) naar Nederland te repatriëren. Dit overigens ook op dringend advies van de Hoge Commissariaat der Nederlanden.
Het begrip repatriëren is overigens wat misplaatst omdat velen nooit eerder in Nederland waren geweest en er dus geen sprake was van 'terugkomst naar het moederland’ wat het begrip repatriëring feitelijk impliceert.
Sommigen kozen voor Nieuw-Guinea, maar de omstandigheden waren daar slecht.
Veel andere landen lieten alleen migranten toe met Europese gewoonten en uiterlijk. Alleen de Verenigde Staten vormden daarop een uitzondering.
De Indonesische regering gaf de Indische Nederlanders in 1949 twee jaar de tijd om te beslissen of men het Indonesisch staatsburgerschap (warga negara ) verkoos. Slechts een beperkt aantal Indo's koos hiervoor. Velen kwamen na verloop van tijd op dit besluit terug omdat hun maatschappelijke positie in het nieuwe Indonesië sterk onder druk stond. Het gevolg was dat velen daarna alsnog kozen voor migratie naar Nederland ( dit waren e zgn 'spijtoptanten' ) en de Nederlandse nationaliteit verkozen boven de Indonesische.
Ruim 300.000 Indische Nederlanders repatrieerden tussen 1946 en 1964 in vier golven naar Nederland en ca. 50.000 van hen emigreerden naar de Verenigde Staten en Canada.
Na diverse voorlichtingsbijeenkomsten te hebben bijgewoond, die verzorgd werden door het Hoge Commissariaat der Nederlanden besloot de familie Persijn (Johan Eduard Persijn, Georgine Louise Persijn-van den Broek en hun kinderen Johan Marcus Polydor, René Louis en Yvonne Louise) naar Nederland te repatriëren.
Mijn vader reserveerde plaatsen op het motorschip “Oranje” van de SMN (Stoomvaart Maatschappij Nederland).
We kregen 2 hutten toegewezen de nrs. 517 en 519. De overtocht voor ons zou 15.261,75 Roepiah kosten. Omdat mijn vader destijds hoofdopzichter bij Rijkswaterstaat was werden de kosten betaald door het Gouvernement. Het “zakgeld” voor onderweg, dat aan boord moest worden omgewisseld in boordgeld, was voor eigen (vaders) rekening.
Op 19 maart 1956 scheepten we ons in op de “Oranje” (vaart nr. 56). Het schip stond onder gezagvoering van captain J. Lassche.
We vertrokken uit de haven van Tandjong Priok (Jakarta), uitgezwaaid door o.m mijn Javaanse vriend Soetedjo.
Nadat de trossen waren losgegooid verliet het schip de kade. We riepen nog een groet naar Soetedjo,die zichtbaar huilde.
“Tabé, mijn vriend, vaarwel! “
Het was ook de laatste keer dat ik hem in levende lijve zou zien... (Toen ik in 1979 voor de eerste keer naar mijn geboorteland terugging was Soetedjo al overleden).
Zelfs toen de boot de haven uitvoer en de kust van Java steeds minder zichtbaar werd voor onze turende ogen drong het nog niet goed tot mij door dat het misschien een definitief afscheid betekende van het land waar ik was geboren, het land waar ik opgroeide, mijn moederland…..
De eerste plaats die we aandeden was Singapore.
Hier kregen we de gelegenheid om aan land te gaan en hier was het ook dat ik (voor zover ik me tenminste kon herinneren) voor het eerst van mijn leven druiven heb gegeten. Vader kocht voor een ieder van ons een flinke tros en het was smullen geblazen….
We brachten ook een bezoek aan de ‘Tiger Balsam Palace’, waar de vermaarde ‘tijgerbalsem’ werd gemaakt. Deze balsem is vooral bekend bij sportlieden.
Nadat we Singapore hadden verlaten zetten we koers naar de volgende haven, waar we zouden aanmeren, Colombo, de hoofdstad van Ceylon (nu: Sri Lanka).
We voeren door de Straat Malakka en zagen zo aan bakboordzijde nog een stuk kust van Indonesia, namelijk de oostkust van Sumatra met de havenplaats Medan. Toen lag de oceaan voor ons en lag Indonesia definitief achter ons…… Tabé, misschien tot ziens…..
In Colombo aangemeerd mochten we het schip verlaten voor een bezoek aan de stad.
We bezochten de meest bekende boeddhistische tempel van Colombo en waren bijzonder onder de indruk van de serene sfeer in de tempel en van de beelden van Boeddha.
Van Colombo voeren we de Indische Oceaan over richting de Golf van Aden en daarna door het Suezkanaal. De volgende stopplaats was Napels (Italië).
Ik had aan boord inmiddels kennis gemaakt met de familie Winterkamp, waarvan de vader een Indo was en de moeder een Amerikaanse. Ze hadden vier kinderen, drie dochters Irene, Rosanne, Diane en een zoontje Gregory. Vooral Irene, die ongeveer 3 jaar jonger was dan ik vond ik heel aardig…… meer dan heel aardig…..
In Napels gingen we weer van boord. Hier bezichtigden we de ruines van de stad Pompei, die in 79 n. C. door een uitbarsting van de Vesuvius onder een dikke laag lava werd bedolven. Nadat archeologen de stad hadden uitgegraven bleek dat waarschijnlijk juist door deze lavalaag veel van de stad intact was gebleven.
We hebben een ooggetuigenverslag van de verschrikkelijke uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Christus. Want de Romeinse schrijver Plinius logeerde toen juist bij zijn oom. Hij schreef op :
"Op 24 augustus, rond 1 uur 's middags, maakte mijn moeder mijn oom op een rare wolk opmerkzaam. We begrepen eerst niet, maar later wel dat deze van de Vesuvius kwam. De wolk leek op een pijnboom, omdat hij eerst hoog opsteeg als een stam en daarna in takken uiteen waaierde."
In Napels bezochten we ook nog de bekende Cameefabriek.
We zagen hoe in halfedelsteen (2-laags) op kunstzinnige wijze reliëfs werden gegraveerd die gebruikt werden om ondermeer ringen, armbanden en broches mee te versieren.
Mijn vader had wat ‘boordgeld’ ingewisseld voor (Italiaanse) lires. Ik dacht even dat hij plotseling schatrijk was geworden, want hij had een flinke stapel van bijzonder groot uitgevallen lappen papiergeld van 1000, 5000 en 10.000 lire…. Maar toen ik zag, dat hij voor een klein souveniertje als een stapel van die papierlappen moest neertellen, wist ik dat al die duizenden niet veel waard waren…..
Vanuit Napels voeren we op de Middellandse Zee richting de Straat van Gibraltar en via de Golf van Biskaje naar Engeland (Southampton).
Hier mochten we niet aan land, maar we keken vanaf het bovendek naar de Britse bedrijvigheid daar beneden op de kade. Het was koud, althans dat vonden wij. De thermometer gaf 19 graden aan, maar we waren deze temperatuur niet gewend….
Irene Winterkamp stond naast me aan de reling… en haar aanwezigheid gaf me wat warmte ….
We verlieten Southampton en staken het Kanaal over, kwamen in IJmuiden en via de Sluis van IJmuiden en het Noordzeekanaal voeren we naar de eindbestemming van deze reis: Amsterdam, waar de steward ons nog informeerde welk bedrag we moesten geven aan de kruiers, die ons kwamen helpen met het dragen van de koffers. Omdat, aldus de steward, de witkielen de gewoonte hadden om repatrianten uit Indonesië, die toch ‘geen flauw benul’ hadden van de Nederlandse prijzen vaak het tienvoudige te vragen!
Welkom in Holland, je vaderland…….
Het was 8 april 1956.
Noot:De passagierslijst van deze reis is bewaard in het Nationaal Archief, Pr. Willem Alexanderhof 20, 2595 BE Den Haag / Toegangsnummer: 2. 20.23 / Bestanddeel 960














