Mijn wieg stond in Batavia


Op 1 december 1938 werd ik geboren in Batavia (nu Jakarta). Mijn broer was mij 2 jaar daarvoor al voorgegaan en hij was dus de oudste en dat is zo gebleven……….
Wij woonden vlak bij het (oude) vliegveld Kemajoran totdat mijn vader, die bijzonder dienstplichtig militair was, door de Japanners na de capitulatie van het KNIL als krijgsgevangene werd getransporteerd naar Japan om daar te gaan werken.
In verband met de veiligheid verhuisde mijn moeder toen met mijn broer en met mij naar Cheribon, waar haar vader en moeder (mijn opa en oma dus) woonden.
Mijn opa was George Ferdinand Polidor van den Broek, werkzaam bij de Semarang-Cheribon Stoomtram Maatschappij.
Mijn oma (Katie) was een Madoerese, die bijzonder goed kon koken. Een kookboek had ze niet nodig. Daar zou ze trouwens niets aan hebben gehad, omdat ze niet kon lezen en schrijven. Van haar heb ik het koken geleerd. Gewoon door bij haar in de buurt te zitten als ze aan het koken was, alles wat ze deed goed te bekijken en heel veel te vragen (misschien wel tot vervelens toe…..).
Oma kon ook goed vertellen. Zo kwam ik in aanraking met de oude Javaanse en Madoerese cultuur van legendes en fabels, van goden en demonen.
Mijn grootouders hadden een groot huis, even buiten de stad in Desa Dawuan in het district Tengahtani (West-Cheribon). Bij het huis hoorde een heel grote tuin van 10.740 m2 met allerlei fruitbomen, zoals mangga (mango), sawoh, kokos, diverse citrussoorten, enz.
Voor mijn broer en mij was de tuin een ware lusthof, waar je niet alleen fijn in de bomen kon klimmen maar ook heel goed verstoppertje kon spelen.
Op een dag (18 oktober 1945 ) kwam een Japanner op een motor met zijspan (en een sabel bij zich) mijn moeder, mijn broer en mij ophalen. We werden geïnterneerd en kwamen in een kamp in de stad Cheribon terecht (Boei Lama) met nog meer vrouwen en kinderen en een paar mannen die kennelijk in de ogen van de Japanners al te oud waren om in Japan te gaan werken.
Op 26 april 1946 werden mijn moeder, broer en ik naar Batavia getransporteerd (per trein), waar we met mijn vader werden herenigd.
(zie ook het artikel over het kamp in Cheribon en de Bersiap-tijd).
Nadat we aanvankelijk in een tijdelijke woning werden gehuisvest met nog een paar andere gezinnen, werd ons een huis toegewezen in de Tjemaralaan op nr. 25. Ook hier met een ander gezin, want woonruimte was heel schaars zo vlak na de oorlog.
Ik bezocht de lagere school op de Javaweg 66. Het lagere onderwijs was toen gesplitst in een zogenaamde normaalschool en een herstelschool. Dit laatste type onderwijs was bedoeld voor de kinderen die door de oorlog en het kampleven een achterstand hadden opgelopen en die moesten inhalen.
Mijn moeder had mij in het kamp goed leren lezen en rekenen (ook de tafels van vermenigvuldiging!) zodat ik op een normaalschool terecht kwam. Ik mocht zelfs, nadat ik een jaar op school had gezeten, een klas overslaan.
Nadat ik voor het eindexamen (!) van de lagere school was geslaagd ging ik naar de H.B.S. (Hogere Burger School) van de Carpentier Alting Stichting aan het Koningsplein (nu: Lapangan Merdeka).
We waren inmiddels verhuisd naar een ander adres: Vliegveldlaan 56 (later: Jalan Garuda) in de wijk Kemajoran, de wijk waar ik ook was geboren.
Mijn vader was in die tijd Hoofdopzichter Publieke Werken van de stadsgemeente Batavia / Djakarta / Jakarta.
Op dit adres hebben we gewoond tot aan onze repatriëring naar Holland in 1956. Ik was toen 17 jaar.







