In een contractpension


In een contractpension
Een contractpension was voor vele repatrianten de plek van eerste bewoning in Nederland na hun komst uit Indië (Indonesië). De bedoeling was dat men hier niet langer dan een half jaar zou blijven om daarna te vertrekken naar een eigen woning. In verband met de toen heersende woningnood verliep deze verhuizing vaak niet zo vlot. Een deel van de uitkering was bestemd voor de pensionhouder of met andere woorden: men kreeg alleen een zakgeld. De ervaringen zijn zo uiteenlopend als er contractpensions waren. In 1969 kwam er een einde aan dit fenomeen.
De familie Persijn, bestaande uit vader Johan Eduard Persijn, moeder Georgine Louise Persijn - van den Broek en de kinderen Johan Marcus Polydor, René Louis en Yvonne Louise, werd na aankomst in Nederland op 8 april 1956 ondergebracht in een contractpension te Hoenderloo. Het was het vakantiepark “De Woeste Hoogte”, aan de Krimweg 170. Verspreid in het bos, dat hoofdzakelijk uit naaldbomen bestond, stonden diverse stenen huisjes, voorzien van een eet-/zitkamer van ongeveer 3 bij 4 meter met een kolenkachel en 2 slaapkamertjes met op elke kamer een stapelbed.
Voor het toilet moest men buitenom naar de achterkant van het huisje lopen.
De beheerders van dit pension waren de heer en mevr. Eckebus. In tegenstelling tot andere gerepatrieerden, die in diverse (over het gehele land verspreide) contractpensions waren ondergebracht, hadden we over de verzorging in de “Woeste Hoogte” geen enkele reden tot klagen (die was in sommige pensions inderdaad beduidend minder!).
Her echtpaar Eckebus deed er alles aan om het hun Indische gasten naar de zin te maken. Beseffend dat deze Indo’s niet zo maar van de ene op de andere dag aan de Hollandse kost (bijv. erwtensoep, hutspot, zuurkool e.d.) zouden kunnen wennen, bedachten ze een plan. Eén maal in de week reed de heer Eckebus met een paar Indische ‘tantes’ uit het pension in zijn busje naar het dorp en naar de markt om inkopen te doen voor een Indische maaltijd die de kookgrage Indische dames uit het pension met assistentie van het keukenpersoneel van het pension in de grote keuken konden klaarmaken. Er werd in de keuken niet alleen goed gekookt, maar uiteraard ook flink wat afgelachen. Want als Indische ‘tantes’ gezellig beginnen te kletsen… (de Indischen hebben hier een specifiek woord voor: ‘ngobrol’).
Tot het Hollandse keukenpersoneel behoorde ook Pleuntje, een vrouw, die er alles aan deed om de Indische jongelui die naar school moesten gaan (dus ook ik!) alleen met een goed gevulde maag te laten vertrekken. Ze lette er streng op, dat er goed werd gegeten (brood, havermoutpap) en hun melk opdronken en ook dat er goed belegde boterhammen mee werden genomen naar school. En Pleuntje was hierin bijzonder streng!
De jongeren die naar school moesten werden door de heer Eckebus in zijn busje naar de bushalte gebracht aan de weg Arnhem – Apeldoorn, zodat ze van daaruit per openbaar vervoer naar school konden gaan. En als ze uit school kwamen stond het busje weer klaar bij de bushalte om hen weer naar de “Woeste Hoogte” te brengen.
Ik ging in die tijd in Apeldoorn naar de H.B.S. (Hogere Burgerschool).
----------------------------------------------------------------------------------------------------------
De HBS werd ingevoerd bij de Wet op het middelbaar onderwijs uit 1863. De nadruk lag op het onderwijs in wiskunde, exacte vakken en moderne talen.
Met de invoering van de Mammoetwet in 1968 werd de HBS opgevolgd door de HAVO en het VWO (met gymnasium en atheneum).
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------
Ik was bijzonder verbaasd (en misschien ook wel blij….) dat op de dag van aankomst in het pension bleek dat de bewoners van het huisje pal achter ons oude bekenden van me waren: de familie Winterkamp, met wie ik aan boord van de Oranje had kennisgemaakt. En natuurlijk hun dochter Irene…. (zie ook het artikel “Repatriëring” op deze weblog)
Omdat in elk huisje een kolenkachel stond (dus ook in dat van de familie Winterkamp) en de kolen elke dag in een kolenkit moesten worden opgehaald in een kolenhok achter de receptie bood ik de familie Winterkamp aan om elke dag voor hen de kolen te halen. Hun zoon Gregory was tenslotte pas 3 en kon die zware kit niet dragen (!). Dit aanbod werd gretig door mevr. Winterkamp aanvaard en Irene beloonde me telkens als ik kolen voor hen ging halen met een betoverende glimlach……
In het pension maakten we ook kennis met Chris Goldstein, een jongen die een paar jaar ouder was dan ik. Hij was met zijn vader (weduwnaar) en jongere zuster gerepatrieerd, maar woonde al een paar weken langer in Nederland. Hij was de ‘kou’ (20 graden) al gewend en lachte ons uit toen we bij deze temperatuur met de winterjassen aan rondom de kachel zaten te kleumen.
Ook de familie Schumacher (moeder met 5 kinderen) woonde in het pension. De oudste dochter Edith (zo’n 2 jaar ouder dan ik ) paste op de jongste kinderen uit het gezin.
Toen we op een dag met een heel stel jongens en meisjes verstoppetje gingen spelen op het terrein van de ‘Woeste Hoogte’, zei Edith tegen mij dat ze wel een goed plaatsje wist om ons te verbergen. Ze trok me aan de hand mee naar een huisje, dat helemaal aan de achterzijde van het terrein stond en dat (nog) niet was bewoond. We gingen er binnen en bleven heel lang ongemerkt voor de ‘zoeker’. Daar leerde Edith me hoe je op een ‘volwassen’ manier moest zoenen………
We verbleven in het pension totdat we een woning kregen toegewezen in Lobith (Bloemenstraat 13). Vanuit Lobith ging ik toen per fiets in Doetinchem op school, namelijk op het Gemeentelijk Lyceum aan de Ds. van Dijkweg.

















