In het kamp

In het kamp te Cheribon (de Bersiap-periode)
De tijd van (ruwweg genomen) september 1945 tot december 1945 in Indonesië wordt de Bersiap-periode (siap = weest paraat) genoemd.
Deze periode bracht voor hen die buiten de kampen waren gebleven nog meer ellende en amper enige bescherming. Nadat Japan op 15 Augustus 1945 was gecapituleerd riep Soekarno op 17 Augustus onder pressie van radicale jongeren de onafhankelijkheid van Indonesië uit.
De Nederlanders waren toen nog niet in staat om van uit de kampen enige organisatie op te starten. De Engelsen, belast met het herstellen van de orde in Nederlands-Indië, moesten nog komen en konden uiteindelijk slechts een aantal bruggenhoofden in o.m. Batavia, Semarang en Soerabaja en later in Bandoeng bezetten.
De paramilitaire Japanse opleidingen waren gestopt. De hieruit ontslagen hongerige jongeren, maar ook andere kleinere roversbenden zagen in het ontstane gezagsvacuüm de kans om, vaak onder de mom van een strijd voor Merdeka ( =vrijheid) hun gang te gaan.
De (Indische) Nederlanders die buiten de kampen leefden werden geconfronteerd met voedselboycot, intimidatie, waterafsluiting, huisuitzetting.
Later werd dit gevolgd door plunderingen, kidnapping en zelfs moord.
In Ambarawa werden uit de gevangenis 500 gevangenen losgelaten die onder leiding van hun voormalige cipiers (Indonesiërs) op plundertocht gingen, ook onder de eigen bevolking. Nederlanders binnen en buiten de kampen werden aangevallen. Sommige schattingen gaan uit van 3.500 vermoorde personen tijdens de Bersiap. Andere gaan zelfs uit van 8.000 doden en 20.000 vermisten.
In deze beroering gingen de Indonesische autoriteiten over tot internering van de buitenlanders. Hierbij werden ook de Japanse soldaten ingeschakeld.
De redenen die worden aangevoerd waarom de Indonesiërs tot internering over gingen:
- De weerbare mannen en jongens waren potentiële tegenstanders.
- De geïnterneerden werden gebruikt als gijzelaars om uitgewisseld te worden tegen gevangen Indonesiërs. Deze eerste twee redenen zullen min of meer een rol hebben gespeeld.
Zelf noemden de Indonesiërs deze kampen - kamp perlindoengan - (beschermingskamp d.i. bescherming tegen de fanatieke extremistische jongeren). Toch hebben velen hun verblijf in de Indonesische interneringskampen als een gijzelaarsituatie beleefd.
In een dergelijke interneringskamp werd ook Georgine Louise (Sien) Persijn-van den Broek ondergebracht, samen met haar 2 zonen Johan en René (beheerder van deze weblog).
Ze werden op 18 oktober 1945 opgepakt in Cheribon, Tengah Tani, waar ze op dat moment verbleven in het huis van de ouders van Sien en op een motor met zijspan door een Japanse soldaat vervoerd naar Boei Lama (= oude gevangenis), de Pasisir-gevangenis.
Omdat de Japanner beide handen nodig had om zijn motor te besturen en zich daarbij echt moest concentreren om de vaak grote gaten in het wegdek te omzeilen moest Sien zijn klewang (=sabel) vasthouden (!).
Sommige kampen werden bewaakt door Japanners, andere door Indonesiërs.
Het kamp waar Sien en haar 2 zonen zaten werd bewaakt door Japanners en Indonesiërs.
Mevrouw Leidelmeyer, die één kind had) werd aangesteld als kampleidster.
De gebouwen die als kamp werden gebruikt waren vaak niet op die grote aantallen berekend. Veel kampen waren veel te vol. Dus te weinig toiletten, te weinig water, te weinig voeding.
Ik kan me ook nog herinneren dat in de regentijd het hele kamp blank lag omdat de riolering het vele regenwater niet kon verwerken. De WC’s (gewoon een gat in de grond) liepen over en de menselijke uitwerpselen dreven rond en langs je (betonnen) bed. Om eten te halen ( één maal per dag en meestal wat rijst met gekookte waterplanten) moest je dan als kleine jongen tot aan je borst door dat water waden en je etenskommetje boven je hoofd zien droog te houden.
Omdat het kamp overvol raakte werd een gedeelte van de geïnterneerden (310 van de 650 peronen), waaronder Sien, Johan en René, overgeplaatst naar een ander kamp (Tjangkol-kamp), een voormalig hotel ( hotel Cheribon). Dit gebeurde op 18 november 1945.
In dit kamp waren de omstandigheden iets beter dan in Boei Lama. Er was zelfs een polikliniekje (o.l.v. zuter Devos), maar er waren geen medicijnen en verbandmiddelen. Zuster Devos heeft dus heel wat moeten improviseren!
Op 26 april 1946 werden we per trein geëvacueerd naar Batavia waar we aankwamen op het station Manggarai.
In Batavia werd ons gezinnetje door bemiddeling van het Rode Kruis weer herenigd met vader Johan Eduard, die uit de Japanse internering was teruggekeerd.
We werden samen met nog enkele andere gezinnen tijdelijk in een woning ondergebracht en Nederlandse militairen voorzagen ons van water en brood met jam.
Het brood (bleek later) was oorlogsbrood (d.w.z. van een slechte kwaliteit), maar het smaakte me na al die gekookte moerasplanten als manna, brood uit de hemel. In mijn herinnering heb ik nooit zulk lekker brood meer gegeten!






