Mijn opa George Ferdinand Polidor van den Broek

Mijn grootvader van mijn moeders kant, George Ferdinand Polidor van den Broek, werd geboren op 17 augustus 1880 in Bengkalis op Sumatra als zoon van Carel Ferdinand van den Broek en Louisa Engelina Caroline Lans.
Op 30 september 1942 stierf opa in Cheribon en werd hij begraven op de begraafplaats Cigendeng aan de Jalan Cipto Mangunkusumo.
Na zijn overlijden werd zijn pensioen van de SCS (Semarang-Cheribon Stoomtram Maatschappij) toegekend aan zijn weduwe (mijn oma) Katie. Uit een personeelsdossier van de SCS (bewaard in het Nationaal Archief te Den Haag) blijkt dat dit pensioen f 224,- bedroeg.
Opa en oma (een Madoerese vrouw) trouwden op 25 december 1922 (eerste kerstdag) in Poerwodadi. Mijn oma was toen ongeveer 36 jaar. Haar leeftijd werd bij de huwelijksvoltrekking geschat omdat er van Indonesische personen in die tijd geen geboortegegevens bekend waren. De kinderen werden bij hun geboorte nergens officieel aangegeven!
Op 30 april 1910 werd hun enige kind, een dochter (mijn moeder Georgine Louise van den Broek), geboren, maar eerst bij het huwelijk van haar ouders (dus op 25 december 1922) werd haar geboorte gewettigd. Zij was toen al 12 jaar.
Mijn opa heeft in diverse plaatsen gewoond. Zoals al vermeld werd hij geboren op Sumatra (in Bengkalis),
maar hij heeft onder meer gewoond in Marengan (een dorpje vlak bij Soemenep op het eiland Madoera), Tjepoe, Mantingan (ten zuiden van Jepara), Semarang, Rembang, Poerwodadi (waar hij trouwde met oma Katie), Tegal en uiteindelijk in de havenplaats Cheribon, in het oostelijk gedeelte van West-Java aan de noordkust.
Toen hij nog op Sumatra woonde was hij werkzaam bij de Stoomtram Atjeh als onderopzichter. Later werkte opa bij de Madoera-Sitoebondo Stoomtram Maatschappij (eveneens als onderopzichter), bij de Semarang-Joanna Stoomtram Maatschappij, achtereenvolgens als lijnopzichter, opzichter 1ste klas en hoofdopzichter 2de klas tot juli 1926.
Vanaf 10 juli 1926 woonde en werkte hij in Cheribon. Hij was daar hoofdopzichter 2de klas bij de Semarang-Cheribon Stoomtram Maatschappij.
Volgens gegevens uit het personeelsdossier van de SCS ( Nationaal Archief te Den Haag) had opa toen een salaris van f 600,- per maand. Voor die tijd (dacht ik) een behoorlijk inkomen.
Oma en hij kochten dan ook een groot huis in het Cheribonse, waar mijn moeder, broer en ik ook nog hebben gewoond toen mijn vader in Japan geïnterneerd was (zie ook het artikel ‘In het kamp’ ).
De woning bestond uit een hoofdgebouw met onder meer een grote open galerij, een eetkamer, een zitkamer, een achterkamer en 3 slaapkamers, waarvan 1 door mijn opa werd gebruikt als kantoor.
Dan was er nog een keuken en een bijkeuken en in de bijgebouwen nog zo’n 6 kamers. Verder had mijn grootvader een garage laten bouwen en een volière in de tuin. Die tuin was toch groot genoeg en bedroeg ongeveer 10.000 vierkante meter (10.740 m2).
De tuin was voordat mijn opa die kocht een soort proeftuin van de landbouwschool. Daar stonden dan ook fruitbomen in van allerlei soort. Van haast elke soort vruchtboom die op Java groeide stond in de tuin tenminste 1 exemplaar, meestal meerdere exemplaren. Zo konden we in de tijd dat we bij opa en oma woonden altijd kiezen uit diverse soorten fruit uit eigen tuin, zoals kokosnoten, ananas, jamboe (guyava), ramboetan, sawoh, mango (verschillende soorten), blimbing (sterfruit), bananen (diverse soorten) en nog andere soorten vruchten.
Mijn opa had in de voortuin een bak laten bouwen om goerami’s (een karperachtige vis) te kweken.
Deze bak bestond uit drie delen, van elkaar gescheiden door een muurtje met daarin een opening waardoor wel alle kleine vissen konden zwemmen, maar niet de grotere exemplaren. De grootste vissen zaten in 1 bak en deze waren bestemd voor de consumptie. Mijn oma was een goede kokkin en kon heerlijk vis bereiden. Als ik er nu aan terugdenk….. loopt het water me meteen in de mond….
Natuurlijk moest deze kweekvijver regelmatig van vers water worden voorzien en toen mijn moeder, broer en ik daar woonden was het een leuke job voor mijn broer en voor mij.
In de tuin stonden namelijk op diverse plaatsen waterputten. En het was onze taak om water te putten voor de viskweekbak.
Na de oorlog met Japan en na de roerige Bersiap-tijd woonde oma Katie (zie was toen al weduwe) bij ons in. We woonden toen in Batavia (Djakarta / Jakarta) aan de Vliegveldlaan (later: Jalan Garoeda) 56.
Daar is oma gestorven op 8 februari 1955 in de leeftijd van (ongeveer) 69 jaar.








