Het vage vuur
soms walmt
van onder
een schedeldak
het vage vuur
van ijverzucht
ik ruik dan
gebakken lucht
van een zwart
geblakerde leugen
velen kennen
reeds de klucht
waarin meervoudige
persoonlijkheden
verre van deugen
Het vage vuursoms walmt
van onder
een schedeldak
het vage vuur
van ijverzucht
ik ruik dan
gebakken lucht
van een zwart
geblakerde leugen
velen kennen
reeds de klucht
waarin meervoudige
persoonlijkheden
verre van deugen
Een ochtend in Sussaxde betrokken mist
ontsnapt aan het
grijs van mijn brein
hangt nu in nevel
boven de oude
schuren van de
buurt
het vermoedt
een grauw
landschap
in de country
nabij Sussax
en sleept mijn
herinneringen
door de asgrauwe
wereld van amper
dertig minuten
opgewarmd met
een eerste Senseo
regulair
hij wil niet mijn
jochie
snuffelt wel
maar verlaat zich op
onzichtbare reuk
van lotgenoten
hij haat de ochtend
Een vlaag van verbeeldingeen sproeier met nat licht
wuift langs de statige gevel
de wind verdraait het zicht
heen en weer
snel of even
in de doorgaans proestige nevel
achter sombere ramen
bewegen figuren in zwart
zijn het weduwen
of één persoon op iedere wand apart
ik schuil aan de overkant
en staar naar binnen
zou men daar
alvast de spoken wekken
kruipen zij door vertrekken
theatraal daar midden op het plein
waar keien glimmen als kale hoofden
in de zaal met natte plekken
maakt men zich op
voor het spel van het verse lijk
met kolossale ogen
omgeven door een grauwe kleur
ik ruik aan mijn vingers
het geeft sfeer aan het drama
die indringende nicotinegeur
Een ronde hoeksoms is alleen zijn
stiller dan duizend
zwijgende soldaten
die in verstijfde houding
handen
niet ineen kunnen slaan
ben dan een pion
te midden
van roerloze maten
het doet armen en benen
verstrammen
aderen verstoppen
en ooit
hoor ik ver weg
diep in de grond
nog een hart kloppen
naar de ochtendstond
op zoek
*
ik ben het zelf
verdwaald in
een ronde hoek
Gedachten bij Harry Mulischik herken in mij
zijn habitus
niet zijn meesterschap
springt bij mij in beeld
maar de overwaarde
wanneer hij over zichzelf sprak
en het andere kleurde
naar diens eigen aard
juist hij
geworteld
in bruin en
Jodenster
droeg de oorlog
een leven lang
in hart en nieren
hij versloeg
de eigen tegenstand
erkende in zichzelf
de zwarte drek
aan de duivel verwant
ondanks
dat dit alles
in zijn bestaan
was opgeborgen
verkoos hij de
de eigenzinnige humor
en zijn aangescherpt verstand
*
daarom mocht,
juist hij,
ook zijn ongekend talent
overdadig vieren
waarom alleen
ellende duiden
en niet de overwinning
van liefdevolle gaven
zo menselijk versieren
Als bomen huilenik wrijf een
paar woorden
met handen
vol tederheid
langs de boom
die hersft huilt
zijn tranen
willen mijn lijf
omranden
omdat daarin
een herinnering
schuilt
So die heremiete seghtsonder siene lippe tu beweghe
seght die heremiete mie:
ghie bin unne frieje mins
nie sonder sorghe ende piene
losghaone kenne ep so floete
sie drieft op unne freemde ghetieje
unne ghebet gheliecke ghinn ent
ut draoght saote
da skient tu sterfe bie noghte
of wort aldore geskoont
in eensaome voghte
hore togh daor in 't lofe
unne noghtegaole singe
fult die stille naor ferre ghebiet
ut's gheliek dunne onsichbaore Ghottecke
maor die foggel tone in t'kliene die kraghte
so waor ons bliefe, hil vaoke,
unne eghte sottecke
(Iegene Taole)