Zielenrust
als een ziel
zich aan
de winter schenkt
is dat slechts schijn
als zij even
onzichtbaar wenkt
lijkt het sterven
doch ze draagt
in duisternis
dolende pijn
Zielenrustals een ziel
zich aan
de winter schenkt
is dat slechts schijn
als zij even
onzichtbaar wenkt
lijkt het sterven
doch ze draagt
in duisternis
dolende pijn
Mémoire 2rust maar zacht
jij, naamloze ik
op velden met
eindeloze lanen
geëerd met marmer
of zomaar onder zoden
zonder tranen
stille held
ooit in bange dagen
uitgezonden
ook al dreigen
beelden te verbleken
je leeft nog
altijd voort
in verre wonden
Mémoiremijn hoofd
is niet ovaal, haast
vierkant van nature
daarin die grote
bolle ogen
blauw geheten
in de volksmond
vervlakt grijs
als ik het zeggen mag
een neus
met geringe Joodse inslag
zorgt voor een
verweesd gebaar
de glazen hangen immers
onder het vlak mijner blikken
terwijl mijn lippen
dun de bovenste
de onderste dan
wat meer van inhoud
geluid doen zwijgen
immers
zij zijn de paraplu
van de sokkel
een kin
als een
gevlakte ondergrond
waar mijn
gezicht
als doodskop
op de familieschaal
staande kan pronken
naast de suikerpot
Het cirkeldenkenwat rijmt stilte
toch vaak op schaduw
ook al hebben ze
onze taal niet gemeen
of storm die weet heeft
van mijn luwte
terwijl ik wolken
beeldhouw uit steen
zo adem ik
grijs naar binnen
ervaar de heerlijke smaak
van genadeloos vergif
ook al heb ik vaak verloren
het kleurt toch
de geur van overwinnen
zo kan ik ook borsten
in onbestemde omvang
wellustig bekoren
hoe weet mijn gedachte
lelijkheid te overtreffen
en toch een ziel te zien
in de beul die mijn naaste heet
het is haast onmenselijk
eenvoud te beseffen
In de winterachter
mijn aangezicht
huilt het leven
machteloos
zo lijkt
en tijdloos van aard
om verlies
met pijn te verweven
heeft het gevoel
verdriet gebaard
de avond heeft zich
van de lente vervreemd
is in koude ondergedompeld
rest nog de troost
die aan het verlangen
blijkt uitgeleend
Het vage vuursoms walmt
van onder
een schedeldak
het vage vuur
van ijverzucht
ik ruik dan
gebakken lucht
van een zwart
geblakerde leugen
velen kennen
reeds de klucht
waarin meervoudige
persoonlijkheden
verre van deugen
Een ochtend in Sussaxde betrokken mist
ontsnapt aan het
grijs van mijn brein
hangt nu in nevel
boven de oude
schuren van de
buurt
het vermoedt
een grauw
landschap
in de country
nabij Sussax
en sleept mijn
herinneringen
door de asgrauwe
wereld van amper
dertig minuten
opgewarmd met
een eerste Senseo
regulair
hij wil niet mijn
jochie
snuffelt wel
maar verlaat zich op
onzichtbare reuk
van lotgenoten
hij haat de ochtend
Een vlaag van verbeeldingeen sproeier met nat licht
wuift langs de statige gevel
de wind verdraait het zicht
heen en weer
snel of even
in de doorgaans proestige nevel
achter sombere ramen
bewegen figuren in zwart
zijn het weduwen
of één persoon op iedere wand apart
ik schuil aan de overkant
en staar naar binnen
zou men daar
alvast de spoken wekken
kruipen zij door vertrekken
theatraal daar midden op het plein
waar keien glimmen als kale hoofden
in de zaal met natte plekken
maakt men zich op
voor het spel van het verse lijk
met kolossale ogen
omgeven door een grauwe kleur
ik ruik aan mijn vingers
het geeft sfeer aan het drama
die indringende nicotinegeur
Een ronde hoeksoms is alleen zijn
stiller dan duizend
zwijgende soldaten
die in verstijfde houding
handen
niet ineen kunnen slaan
ben dan een pion
te midden
van roerloze maten
het doet armen en benen
verstrammen
aderen verstoppen
en ooit
hoor ik ver weg
diep in de grond
nog een hart kloppen
naar de ochtendstond
op zoek
*
ik ben het zelf
verdwaald in
een ronde hoek
Gedachten bij Harry Mulischik herken in mij
zijn habitus
niet zijn meesterschap
springt bij mij in beeld
maar de overwaarde
wanneer hij over zichzelf sprak
en het andere kleurde
naar diens eigen aard
juist hij
geworteld
in bruin en
Jodenster
droeg de oorlog
een leven lang
in hart en nieren
hij versloeg
de eigen tegenstand
erkende in zichzelf
de zwarte drek
aan de duivel verwant
ondanks
dat dit alles
in zijn bestaan
was opgeborgen
verkoos hij de
de eigenzinnige humor
en zijn aangescherpt verstand
*
daarom mocht,
juist hij,
ook zijn ongekend talent
overdadig vieren
waarom alleen
ellende duiden
en niet de overwinning
van liefdevolle gaven
zo menselijk versieren
Als bomen huilenik wrijf een
paar woorden
met handen
vol tederheid
langs de boom
die hersft huilt
zijn tranen
willen mijn lijf
omranden
omdat daarin
een herinnering
schuilt
So die heremiete seghtsonder siene lippe tu beweghe
seght die heremiete mie:
ghie bin unne frieje mins
nie sonder sorghe ende piene
losghaone kenne ep so floete
sie drieft op unne freemde ghetieje
unne ghebet gheliecke ghinn ent
ut draoght saote
da skient tu sterfe bie noghte
of wort aldore geskoont
in eensaome voghte
hore togh daor in 't lofe
unne noghtegaole singe
fult die stille naor ferre ghebiet
ut's gheliek dunne onsichbaore Ghottecke
maor die foggel tone in t'kliene die kraghte
so waor ons bliefe, hil vaoke,
unne eghte sottecke
(Iegene Taole)