Grandioos en grotendeels onsterfelijk.

| Over onsterfelijkheid. Uit "Tao van winnen en verliezen"
De Chinese Klasieken doen geheimzinnig over “de onsterfelijken van weleer”. Wie waren ze? Waar leefden ze en zijn alle mensen niet per definitie sterfelijk? Onsterfelijken bleken ook maar gewone sterfelijken te zijn die gewone dingen op een ongewone en vanzelfsprekende manier konden doen. Zij bleken buitengewoon gewoon. Vergeleken met vroeger zijn er tegenwoordig wel minder onsterfelijken. Zo heb ik eens persoonlijk een onsterfelijke ontmoet op een late zomermiddag in de Dordogne. De naam van het dorpje is mij ontschoten. Ik zie een leeg en moe dorps pleintje, ik ruik nog de geuren en ik zie nog de kleuren. Ik herinner mij dat het op een stille namiddag moet geweest zijn ergens midden augustus. Voor een Romaans kerkje uit de twaalfde eeuw en dan plots zag ik ze: de onsterfelijke van weleer. Zij, dat versleten kromme vrouwtje met die zwarte hoofddoek dat precies vier kerk drempels voor de toegangsdeur van haar dorps kerkje schoon veegde. Vier treden schoonvegen, één voor elk seizoen. Nu nog hoor ik het krassen van haar rieten bezem over het graniet van de drempels, ik zie nu nog haar naamloos gelaat. De naar binnen gekeerde breed uitgestreken meditatieve gebaren van haar vegen. Ik voel nu nog de aandacht waarmee ze haar bezem streek, het gestadig de weg schoonvegen voor al wie binnen zou gaan komen. Misschien veegde zij voor niemand of voor God in Frankrijk? Misschien veegde zij wel voor zichzelf dacht ik toen, misschien zullen anderen ze straks in haar eigen kist over dezelfde drempels die ze nu zo nauwgezet schoon veegt naar binnen dragen. Misschien. Och, het was geen spectaculaire ontmoeting. Meisjes uit vervlogen dagen zijn zelden spectaculair, ze zijn eerder afwezig aanwezig. Ze had mij niet eens opgemerkt, maar toch heeft precies dit meisje mijn belangstelling voor Romaanse kunst uit de twaalfde eeuw gewekt want zij alleen kon dit doen. Zij alleen mocht dit doen, en over Romaanse bouwkunst uit de twaalfde eeuw weet ik zo ongeveer alles. Zij, dat meisje uit vervlogen dagen, zij ligt ook aan de basis van mijn passie voor het concept “tijd”, zij gaf de aanzet tot mijn zoeken naar zin en betekenis. Zij heeft mij een dieper inzicht in Tao meegegeven dan mijn taichi leraars, die ik overigens zeer dankbaar ben. Zij heeft mij het woord "religie" leren begrijpen. Zij toonde stilte en verstilling. Zij was pure schoonheid, en hoe kan ik haar dan vergeten? Dat kan ik niet. Boeken zijn niet meer dan wat platte tekst en woorden, zwijg mij daar toch over, want er bestaat geen enkele taal die in één uur meer kan zeggen dan hetgeen zo'n meisje uit vervlogen dagen mij in één halve seconde kon tonen. Zij toonde inhoud die vorm geworden was, en voor mij is ze “het onsterfelijke meisje van weleer”. Voor dit leven is ze al lang verloren, maar ze heeft voor altijd mijn hart gewonnen. ![]()
|
In het voetbalstadion van mijn stad werd einde jaren zestig van vorige eeuw een bescheiden bronzen gedenkplaat ingemetseld: “Jef Van Camp, stervoetballer uit de glansperiode van KFC Diest, toonbeeld van sportiviteit”. Jef was een voetballende volksjongen die in zijn grote dagen richting doel stormde om vervolgens verwoestend uit te halen. Klein maar dapper. Op het voetbalveld stak hij nooit een beschuldigend vingertje op, hij verloor nooit de zelfcontrole en vocht nooit één scheidsrechterlijke beslissing aan. Hij dacht niet aan transfereren, in het midden van vorige eeuw kwamen mijn stadsgenoten niet op zulke gedachten. Dat was het dan.
JEF voetbalde zich in mijn stadje onsterfelijk. Hij bleef bescheiden, maar nooit zo bescheiden dat hij zichzelf voor de voeten liep. Waarom wachten tot het laatste oordeel om iemand onsterfelijk te verklaren, het laatste oordeel vindt op alle dagen en op alle plaatsen plaats.
OVER GEWONE EN NIET GEWONE STERFELIJKE
ONSTERFELIJKE MENSEN.
![]() |
Gewone mensen zijn per definitie sterfelijk en niet gewone zijn dat ook. Maar toch zijn ze allebei onsterfelijk want als sterfelijkheid bestaat dan moet onsterfelijkheid ook bestaan. Alle mensen zijn dus onsterfelijk sterfelijk.
In de menselijke praktijk lijken gewone mensen gewone en zeer banale problemen te hebben, maar niet gewone mensen menen dat zij buitengewoon ongewone problemen hebben. Gewone mensen liggen wakker van problemen waar niet gewone mensen helemaal niet van wakker liggen en niet gewone mensen liggen wakker van problemen waarvan gewone mensen niet eens het bestaan vermoeden.
Voor gewone mensen lijkt het alsof niet gewone mensen geen problemen zouden hebben en omgekeerd is dit ook het geval. Nu rest nog de vraag:" Wie is er nu een gewoon mens en wie is er een ongewoon mens?" Tenslotte zijn alle mensen gewone en toch niet gewone , sterfelijke onsterfelijke mensen.
Auteur: Walter Marsoul.
Uit "Tao van winnen en verliezen”.







































