|
Afgelopen week amper het huis uitgeraakt. Niet uit luiheid maar uit pure levenswijsheid. Veel te bang om een schuiver te maken. Zodra er sneeuw ligt, verandert mijn buurt namelijk in een soort hindernissenparcours waar ik vorig jaar al eens glorieus ben uitgeschakeld. Een weggetje zonder zon na een overigens zonnige wandeling, een ijsplek zonder waarschuwing, en daar lag ik, elegant als een omgevallen tuinkabouter.
Cesar die bij mij was, ging meteen braaf zitten. “Vrouwtje wat doe je nou?” Ik ben zelf terug op gekrabbeld, Cesar over zijn kop geaaid en gezegd dat hij braaf was. Want dat wàs hij, voor hetzelfde geld had hij, eindelijk eens niet vast aan een lijn, van deze plotselinge gelegenheid gebruikgemaakt om zijn vrijheid te vieren en het hazenpad te kiezen. Maar nee, onze César bleef gewoon zitten, alsof hij mijn persoonlijke reddingshond was.
Ik heb de leiband weer opgepakt en we zijn langzaam naar huis gelopen. Onze Cesar keek mij af en toe eens aan met zo’n blik van “Gaat het nog een beetje?”
Pijnlijk was het zeker. Maar ik kon stappen, dus waarschijnlijk niks gebroken, alleen mijn waardigheid gekneusd.
Nou ja, ik heb 3 weken niet normaal kunnen zitten en niet meer naar buiten gedurfd. En de palm van mijn linkerhand werd blauw en groen en toen geel en was pijnlijk. Toen die twee maanden later nog steeds protesteerde heb ik daar toch eens melding van gemaakt bij de huisarts. Er zijn foto’s gemaakt en een echo, niks gebroken, maar door de val wel licht beledigd, waardoor er een artrose is ontstaan, gewoon een paar pijnstillers en dan zou het wel overgaan.
Het was trouwens niet mijn eerste val-avontuur en er hoeft niet eens sneeuw of ijs aan te pas komen om mij onderuit te halen. Parijs heeft er ook eentje op mijn naam staan. Zo struikelde ik een paar jaar geleden over een stoeprand op de Champs-Elysées, terwijl ik met de Italiaanse sorellas liep te lachen en ondertussen links en rechts foto’s maakte.
Ik zag mezelf in slow motion richting een paal glijden die koppig niet opzij wilde gaan. Vervolgens stond “Tout Paris” om mij heen. “Madame, restez couchez, il y a du sang!” Ik wilde maar één ding, opstaan en zo vlug mogelijk verder. Maar “Les pompiers” waren al gebeld en binnen de 5 minuten stonden er twee heel mooie jonge mannen rond mij. Ze onderzochten me ter plekke, mijn bloeddruk en saturatie werd gemeten, ze maakten de hoofdwond schoon, en stelden allerlei vragen om te controleren of ik nog helder was. Het bleek dat alles boven de nek nog prima functioneerde.
Ze wilden ze mij meenemen voor een hechting, maar dat zag ik totaal niet zitten. Wij waren maar één dag in Parijs en over één uur zouden wij alweer naar huis vertrekken. Het vooruitzicht om de hele nacht in een Parijs ziekenhuis te zitten wachten tot ik aan de beurt was, sprak mij totaal niet aan.
Nu heb ik een heel klein plekje op de zijkant van mijn hoofd. Ergens waar mijn wenkbrauw eindigt. Een souvenir uit de Lichtstad.
En sindsdien luister ik naar mijn instinct. Als het glad is, blijf ik binnen. Als ik foto’s maak kijk ik uit waar ik loop. Uit ervaring. En misschien ook een beetje uit zelfkennis…
|