|
D’r man is dood. En natuurlijk leef ik met haar mee. Vijftig jaar samen. Haar wereld is ingestort en iedereen moet meeleven. Aan de buitenkant leek hij aardig en charmant, de vriendelijkheid zelve.
Maar ik en anderen met mij wisten beter. Hij maakte nare opmerkingen, kleineerde haar vaak, ging vreemd, dronk en had losse handjes. En zij, zij sloofde zich nog eens extra uit. Vaak dacht ik, wat een nare man is dat, nadat ik ook een tijd gedacht had dat hij aardig was, tot ik ook recht had op een sneer. Het masker viel, en ik wist dat zijn glimlach niets meer was dan een façade.
“Ik was allang weggeweest” dacht ik vaak. Maar niet zij, Altijd zocht zij naar nog meer excuses en bovendien, als ze weg zou gaan zouden ze hun huis moeten verkopen en zou ze financieel veel minder kunnen doen. Zij had tenminste gevochten voor hun huwelijk en vooral voor de schone schijn.
En nu staan ze daar, buren en vrienden, met hun keurige woorden van troost. Ze prijzen zijn glimlach, zijn joviale grapjes, alsof dat de waarheid was. Niemand durft te zeggen wat ze eigenlijk denken. Want kwaadspreken van een dode, dat doet men niet. Dus herhalen ze anekdotes, de schone schijn, en zij knikt beleefd mee. Alsof ze zelf ook vergeten is wat hij haar aandeed. Alsof rouw een toneelstuk is dat je samen opvoert.
En het wrange is: dit soort heldinnen kijken vaak neer op vrouwen die wel de moed hebben zo’n vent te verlaten en voor hun eigen leven kiezen. Alsof volharden in vernedering een hogere vorm van trouw is, en vrijheid slechts een zwaktebod. Ze dragen hun martelaarschap als een medaille, terwijl anderen hun rug recht houden en weggaan. En toch blijft de buitenwereld hen prijzen, want schone schijn weegt zwaarder dan moed.
|