Velen uren later kwam ik aan in Linhares, waar ik een hotel nam en me grondig verschoonde. Ik kon de slaap niet vatten en liep daarom in de ochtendzon parallel aan het meer van Juparana en probeerde enigzins tot rust te komen. Ik bad tot de Heer en vroeg om vergiffenis en beraadde me wat te doen. Ik was nu een moordenaar, een vervloekte beul, de gesel van zijn Heer. Ja ik, die de boeken zo goed had bestudeert en van wie men zei dat ik een uitzonderlijke theoloog was. Maar hoe had de duivel mijn ziel kunnen nemen?"Doch was mijn daad niet terecht?' vroeg ik mezelf af, want de pooier was een onverlaat geweest, een klerelijer, het leven niet waardig. Ook al ben ik evangelist, dit was mijn conclusie. Ik wilde niet terug naar Maria en mijn kinderen, ik kon niet verder leven als prdeikant van God met de moord in mijn gedachten. Diezelfde dag nog vertrok ik naar Mangaratiba, een kleine plaats in de buurt van Rio de janeiro, waar Emiliano, een neef van me woonde. Ik vertelde de ouwe man dat ik vrouw en kinderen verlaten had. Gewetenswroeging overviel me, maar ik dach dat de kerkgemeenschap wel voor hun zou opkomen en dat stelde me gerust. Doch ik vertelde mijn neef niets over de moord op de pooier. Ik wilde nu een nieuw leven beginnen en zo werd ik medebewoner in het huisje van de oude Emiliano die dit eigenlijk best waardeerde, een afleiding dat zijn godvrezende neef hem hier gezelschap hield. Ik kreeg een baantje als karsjouwer in de vishal en ik ontspande me in de mooie heuvels rondom, of bezocht het 'Ilha Grande', een eiland vol met tropisch bos, oude ruines en muskieten. Maar het deerde me niet en hier vond ik rust op het eiland waar papegaaien, kolibries, aapjes en miljoenen vlinders me deden geloven in het paradijs. In het oude gedeelte van Mangaratiba bezocht ik vaak de bar "Canto da peixada' en hier kwam ik Leda tegen, een negerin met een lang ei-achtig hoofd, grote mond, wijde ogen, kroesharen, grote tieten en stevige benen, die als zwartgoudpilaren glommen in de zon. Ze had twee kinderen en was getrouwd met een zekere Evaldo, een saaie man met Italiaans-Arabisch- en wat Duits bloed. En hoe, nondesju, wordt een mens zo snel verliefd? Toch in feite was Lena de drijfveer geweest, want ze verleidde me met haar wiegende kont en nam me op een dag mee naar een motel in Itaguai. Daar vertelde ze me dat haar liefde voor de saaie maar waanzinnige Evaldo geen bestaansrecht meer had, en dat ze alleen samen hokten voor de kinderen. Zo ging dat. We gingen elkaar liefhebben op een weer andere manier. Eerst stiekem in het motel dat onze geheime liefdesplek werd, waar we geluk zochten ver weg van de realiteit van Mangaratiba. Hier zwoeren we trouw, als tenminste zo iets bestaat. Liefde is een gegeven en deze werd zo sterk dat ik haar wilde meenemen naar een veraf gelegen land. Doch Leda had eerst haar twijfels, maar haar drang naar het avontuurlijke was te sterk, aangetrokken als een mier op suiker. Ze sprak met haar zuster die voor de kinderen zou zorgen en vertrok met mij, weg uit Mangaratiba naar een bestemming in Goias, het Braziliaanse hoogland. Een plek waar ze rust en liefde moest vinden tussen de runderen, in een houten kotje. Maar mijn lust werd weer buitensporig en ik werd bruut. Ik dacht aan mijn kleine vrouw Maria en aan de mulattin Isidra. Leda werd bang voor mij, dacht te veel aan haar kinderen en keerde op een dag terug naar Mangaratiba. Daar werd ze door haar man halfdood geslagen en ze vluchtte naar Rio, naar een favela waar een andere zus zich over haar ontfermde. Zo is het leven.
En ik? Ja... Ik vertrok naar Amazonas, waar ik nu leef in de buurt van Jabura langs de Purus rivier, waar ik me het lot aan trek van de caboclos, de halfbloeden en hun kinderen. Ik, die het weer als een roeping zag en mijn verleden probeerde te vergeten in de groene hel. Doch hoe sterk is de noodzaak van de innerlijke hartstocht? Zou ik een nieuwe vrouw vinden voor mijn driften, mijn gevoel dat ergens diep uit de hersenkernen moet komen, een barbaars gevoel, dat misschien ieder van ons in zich draagt?
Ik zeg u, ik kwam teneergeslagen aan in Itabuna. Vandaar nam ik een bus richting Vitoria de Conquista en vandaar kreeg ik een lift met een oude gammele truck tot aan Belo Horizonte. Ik leefde drie jaar in de stad van de mooie horizon, doch het waren geen opwindende. Ik werkte in een grote supermarkt en een frisdrankenfabriek en ging met regelmaat naar de hoeren en leefde verder voorbeeldig. Als men dit zo kan noemen. Op een dag werd ik overvallen door heimwee, een verlangen terug naar mijn oude pa in het vissersdorp Mamanguape in het verre noordoosten, daar waar de krabben dansten in de modderrivier en kinderen doken en spartelden als kleine waterratten. Daar waar armoede was en de herinnering aan mijn eerste liefde. En hoe moet ik u verklaren dat ik later een opleiding aanvaarde als pastor? Afgezant van de kerk 'God is Liefde"? Dat ik een strijder werd voor een betere toekomst voor de armen uit mijn geboorteplaats? Was dit een zegening? Misvatting? Missie? Vergoeilijking? Een excuus voor al hetgeen ik bewerkstelligde in negatieve zin?Was ik daarom de stappen gevolgd om de leer van God te aanvaarden? Vraagtekens. En is een vraagteken niet een thema, een middenweg der toekomst, een onzekere uitkomst, een het waarom van de hersenen die worden omgezet in twijfel. Ja, twijfel!
Ik trouwde met kleine Maria en ze schonk mij vier kinderen. Allen zonen. Was ik een uitverkorene? Had God me al vergeven? Maar wat had ik eigenlijk misdaan, zou een filosoof zich dat niet afvragen? Wat had die Arimathe eigenlijk fout gedaan? Was ik schuldig aan de dood van Xaxaxa? Was ik niet een robuuste rebelse jongeling geweest die zijn gevoelens niet kon beheersen? Die verlangde naar iets wat zijn verdriet en bitterheid voor de dood van zijn eerste liefde Analia niet kon verwerken? Was ik een les voor me zelf geweest, een spiegel der hersenkwabben? En zo nu en dan had ik, als liefdevolle evangelische pastor, toch nog een natte droom over een magere vrouw in Ilheus. en ik nam de volle beslissing om haar op te zoeken. Ik had het steeds weten te verdringen tot die nacht dat Isidra zo duidelijk en bevelend in mijn droom verscheen, zo paradijselijk, dat ik met een geraffineerde smoes tegen mijn lieve kleine vrouw zei: '...ik moet voor enkele dagen naar Salvador voor een retraite van de kerkgemeenschap...'' Ja, dit was de duivel in de mannendrang, de zenuwduivel, de verlangen-naar-de-vrouw-duivel. En zo geschiedde dat ik na acht jaar weer terug was in Ilheus. Ik was ondertussen iets ouder gewordn, dikker, had een baardje en bril, een vermomming uit angst. Want zou de ouwe Justo nog leven, de zeerot met de walvistatoeage? ja, daar was ik angstig voor. Vedomme! Maar dit bleek ongefundeerd want de varensgast was al op de zee van het hiernamaals, hij had zich op het aardse namelijk doodgezopen. Dus ging ik op zoek naar mijn mulattin Isidra. Neen, ze werkte allang niet meer in de bar, maar woonde in een oud huisje in een krottenwijk. Ik vond haar daar in het vervallen krotje dat stonk naar urine en stront. Ze was oud geworden en mager. Haar borsten hingen waggelend in een oude versleten blouse. Ze was een ander Isidra dan die ik gekend had. De vurige loopse halfnegerin. Ze zei dat ze leefde van een rijke veehouder, die haar drie maal per week neukte en buiten dat had ze een kankergezwel in haar maag. Ze zou sterven. Dat was wat de medici haar vertelden... en die moesten het weten, zei ze. Ze had gebeden tot moeder Oxum en de grote Oxalá, maar het was een illusie. Ik vertelde haar over mijn verlangen naar haar en ze lachte kalm. Wilde hij haar nog een keer beminnen? Ze keek verdwaast uit haar ogen en ging naar een vuil achterkamertje en kwam na enkele minuten terug. Ze was geheel naakt alleen een rode buikband en jarretelles sierde haar geplette buik. Het was warm en de penetrante reuk maakte me enigzins opgewonden. Nog eenmaal vergat ik alles. De wereld en God, zijn geweten, gedachtes, want de wereld was eigenlijk maar een fractie, een aftreksel van tijd, een abstractie als het aankwam op begeerte...
De tijd ging voorbij in Mamanguapa. Ik was al weer jaren bij mijn lieve vrouw Maria en mijn vier zonen. Martins, de jongste, Pedro, Zé en de oudste Joâo Maria, die nu vijftien was. Ja, ik had Isidra uit mijn geest verbannen. Het leven was een stroom van wensen en ik leefde in opdracht van de Heer tot de armen. Ik hield me intens bezig met de arme visssersfamilies en krottenbewoners tot op de dag dat ik wederom hersenschimmen kreeg van de gracieuze magere zieke mulattin Isidra. Ze raakte me weer in mijn hart en wéér ging ik terug naar Ilheus. Zou ze nog leven? Edoch alles liep ditmaal destructief. Ik ontmoette haar in het stinkend huisje. Ja, ze leefde nog steeds en had dit te danken aan haar wil, ten minste dat zeiden de doktoren. Maar ook een drankje dat ze kreeg van moeder Alminia, droge tuinkers met veel knoflook, kokosolie en Jatoba. Ze was nu een publieke hoer en nog magerder dan toen ik haar voor het laatst zag. Dan ontmoette in een zekere Ubaldo. Hij zei haar pooier te zijn, een gezwollen neger met grote ringen aan zijn vingers, boskatklauwen om zijn nek en vuile tanden in zijn bek. 'Wat kom je hier doen!?' brulde hij. 'Ik kom Isidra bezoeken...' 'Bezoeken? je kunt haar neuken en betalen... verdomde hoerenzoon!' Isidra huilde. 'Waarom huilt ze,' vroeg ik. 'Waarom ze huilt gaat je geen barst aan! Gesnopen! En tegen de magere Isidra schreeuwde hij: 'Hoe je bek verdomde hoer! en gaf haar een slag in haar al toegetakeld gezicht. Ik werd geraakt door mijn eergevoel. Ik hield eigenlijk van haar en dat was de reden dat ik de man tussen zijn ogen sloeg en hem onder zijn ballen schopte. De pooier greep een ijzeren staaf en sloeg op me in en raakte verdomme pijnlijk op mijn linkerschouder. Dan sloeg het noodlot toe want Isidra die er tussen wilde komen kreeg een slag van het ijzer op haar linker slaap, wat haar dood betekende. Het bloed gutste uit de wond. Ondertussen had ik mijn stilleto gegrepen, ja, die droeg ik immer bij me en die ik ooit van mijn vader kreeg, en stak de pooier in zijn vet lijf en doorsneed hem met een woeste slag zijn keel. De neger tuimelde en bleef rochelend op de grond liggen. Isidra gaf geen teken meer en stierf in mijn armen met een gepijnigd gezicht. Het bloed vloeide door de stinkende ruimte en ik, bezeten door paniekerige angst, vluchtte het huisje uit. Het was enigste oplossing in dit lugubere tafereel. Ik rende de vallende duisternis door naar het busstation en sprong tijdig in een bus die vertrok richting Linhares in de staat Espirito Santo. Niemand had me gzien en die me zagen moeten gedacht hebben dat ik een dronkenman was, een dief, of een idioot geworden cacao-slaaf, en de sporadische bloedsporen op mijn keding? Die waren te verwaarlozen.
RELAAS VAN ARIMATHE: 'Ik kwam berooid aan in Ilheus, Bahia. Ik was niet veel veranderd of het moest het dons zijn dat mijn mager geworden gezicht nu sierde. Hoe had ik sinds drie jaar ernaar verlangd om te vertrekken uit Mamanguape, een klein plaatsje ten noorden van Rio Grande Do Norte. Ik, Arimathe, zoon van de arme visser Gunzã, die langs de rivier naar krabben zocht en mijn moeder Natalia die stierf aan longtering. Ik kon het niet meer aan en droomde van Ilheus. Ik vertrok toen ik zeventien was en liet mijn pa achter, die me ten slotte met weemoed omhelsde. Ik zei hem dat ik ooit zou terugkeren en met 100 reais op zak vertrok ik. Eerst met een vrachtwagen tot aan Recife, dan met een andere tot Aracaju en met een derde naar Salvador. Daar bleef ik een week en werkte als vuilnisman, verdiende wat geld en trok de laatste kilometers verder naar Ilheus. Daar was het dat ik mijn hart verloor, en waarom? Ik werd verliefd op de stad en de zee. Niet dat andere steden geen zeekust hadden, maar Ilheus was mijn ankerplaats. Ik vertoefde met regelmaat in een bar genaamd 'Fonte da Mâe d' Agua'. (bron van de moeder der zee) Hier zag ik dat de barvrouw geile blikken naar me wierp en zo gebeurde het dat ik die avond in de armen van de kroegvrouw lag, een magere halfnegerin Isidra. De hete Isidra die me leerde wat liefde was, maar totaal verrrast was ik echter niet, want ik had het al vaker gedaan met met Analia langs het oude riviertje in het vissersplaatsje. Analia, mijn eerste liefde, vurig en hebberig, begerig en ontoegankelijk. Ja, de kleine heks was een heerlijkheid geweest. Verledentijd want ze werd ontvoerd, verkracht en vermoord. Zo is het leven. Vervloekt zijn de waanzinnige seksavonturiers, men zei dat het halve Indianen, anderen zeiden zigeuners en weer anderen dachten dat het Arabieren geweest waren die Analia meesleepten, in een oude bak stopten en haar vervoerden naar de dood. Wat er ook gebeurd was, daders vond men nooit in die streken en ik had gehuild als een kind. Ja, ook dit was een van de redenen dat ik vertrokken was, weg naar Ilheus waar ik zo vaak met haar over had gesproken. En nu lag ik in de armen van de mulattin en ze leerde me andere standjes, een leven vol kronkelingen. De dag erop had ze besloten me in huis te nemen, wat ik aanvaarde. Ik werd een soort dekhengst voor Isidra, een persoonlijk seksueel bezit van de mulata. Doch eens op een dag werd ik verblind door Xaxaxa. Ze was een vijftien jarige dochter van een sterrenwichelaarster. Haar vader was een gewezen zeeman die in de haven werkte waar ik een baan kreeg en cacao moest laden, want hier was het land van de cacao. Het land waar velen zwoegden als honden op de plantages voor de rijke eigenaars en waar velen stierven als ratten. Ook het leven in de haven was hard en ik sleepte de hele dag met zakken cacao zodat ik in de avond te moe was om Xaxaxa lief te hebben. Ik verdiende weinig en de helft moest ik afstaan aan haar vader Justo, de oude zeeman. Die zei dat het voor de kost was én zijn dochter. De oude zeebonk had een geweldige tatoeage op zijn borst van een walvis. Justo was een klootzak en een varkespoot, en als ik hem zou moeten uitdrukken in de overtreffende trap, dan was hij een aasgieren-gezwel. Isidra, de mulattin was, door jaloezie gedreven erop uit mij te herwinnen en bezocht me in de middag in de haven waar ze me verleidde en meenam naar de oude jutezakken afdeling, waar ze een rode deken spreidde en iets later haar benen. Ik werd waanzinnig van verlangen en hitsigheid en vergat mijn vermoeidheid door deze levendige feeks met de elastieken buikband met daaraan de rode jarratelles. Ze kon me betoveren en ik werd opnieuw verliefd op haar en liet de kleine Xaxaxa lopen. Die huilde, begreep het niet en zei zich van het leven te beroven. Doch het deerde mij niet, geen donder en twee dagen later was Xaxaxa dood, een opengereten hart. Het slagersmes lag naast haar, het was een zelfmoord der waanzin. Haar vader Justo was nu een monster en ik moest vluchtten, want de ex-zeeman zwoer bij de god der zee, Poseidon, mijn kloten af te snijden en mijn hart uit te rukken. Ik moest weg uit mijn geliefd Ilheus, weg van het koudebloed van Xaxaxa en het warme van Isidra, de begeerte. Ik verstopte me ergens buiten in een graanschuur en Isidra zou me helpen met een vluchtplan. Het was een oude truck die richting Itabuna ging en ik smeekte haar om mee te gaan. Doch hier hield de liefde op.
Op deze mooie zondagmorgen met 28 graden vertrek ik naar Santa Teresa op zo'n 75 kilometer noordwestelijk van Vitoria met 20.000 inwoners. De rit neemt zo'n 2 uur in beslag, meer door de mooie klim door het dichte bos naar het paradijsachtige plaatsje, dan gebrek aan mobiliteit van de bus. Als ik in Santa Teresa nader zie ik de Europese invloed zich kenbaar maken. Het is een koloniaal stadje en de eerste immigranten kwamen hier aan in 1875, hoofdzakelijk Italianen, maar ook enkele Poolse families en Russische joden. Men zegt dat de laatste golf Italianen aankwam in Vitoria in 1925. Ik waande me dan ook in een ander land, weg van de Rio de Janeiro hitte, de favelas en de zichtbare armoe. Hier was het een blanke overheersing, nou ja, af en toe was er een kleurling zichbaar, of neger, maar de rest was super-wit. Ik slenter door het stadje en loop een broodjeszaak binnen, goed georganiseerd en met heerlijke koffie, het blanke meisje stamt af van Italianen en is opgegaan in de Braziliaanse atmosfeer. Want ze zijn er trots op Braziliaan te zijn. Ik passeer de mooie kerk van 'Matriz', hier waar alles ook draait om het intense geloof dat de immigranten meenamen. Ik loop verder naar het mooie plein het 'Praça Domingos Martins' en informeer naar mijn eigenlijk doel, namelijk het 'Museu Biologia de Mello Leitâo'. Daar ga ik op zoek naar de geschiedenis van Augusto Russchi, afstammeling van Italiaanse immigranten en grondlegger van dit schitterend park. Hij was gespecialiseerd in de 'kolibri' of de 'Beijo Flor' bloemenkusser, zoals het vogeltje hier in Brazil genoemd wordt. Volgens een propaganda blaadje staat Santa Teresa bekent als dé stad van de kolibris met de meeste verscheidenheid van de vogeltjes wereldwijd. Ruschi was een voorvechter voor de natuurlijke omgeving, het behoud van het Atlantisch bos, een liefhebber van dieren, een interessant man lijkt mij, die ik graag ontmoet had, doch hij stierf in 1986, op 71 jarige leeftijd nadat hij vergiftigd was door secreties van een boom-kikker, die hij had verzameld op een van zijn vele expedities in het bos. Het museum 'De Mello Leitâo' is vernoemd naar zijn voormalig leeraar. Ik bezoek het huis waar hij leefde in eenvoed, nu zie ik, gezeten op de houten bank, de honderden schitterende vogeltjes, die komen aanvliegen en uit plastiek flessen drinken waar een toegevoegde zoete mineraal in zit. Ze lijken als het ware stil te staan in de lucht, hier bij het huis van de natuurmens. En als ik al de toeristen hier kon wegdenken, en de natuurlijke omgeving in mij opmam, ja, dan zou ik hier kunnen leven in dit huisje omgeven door bossen en kolibris, die me s'morgens deden ontwaken uit de dromerige sferen van eenzaamheid en geluk. Ik loop een stuk verder door de aangelegde paden, waarvan er eentje afgezet is door een omheining. Daarboven staan grote kooien met kleine aapjes, die van links naar rechts springen. Ik doorbreek de kettig en ga naar de kooien en bekijk de beestjes, die in quarataine verblijven. Ik wordt dan ook aangesproken door de bewaker, die mij uitlegt dat het gevaarlijk gebied was, daar de aapjes uit Amazonia kwamen, en blijkbaar nog niet geindentificeerde soorten zijn. Dat lijkt me iets uitzonderlijks, daar er zeker nog te ontdekken soorten zijn, maar hier zaten er velen. Buiten dat konden de dieren gevaarlijke ziektes overbrengen, zoals gele koorts. zei de op een ras-Europeaan gelijkende jongenman in een vlekkeloos kostuum. Ik vond dat als dit het gevaar-criterium was, men de beestjes beter moest afscheiden van de mensen. Hij vertelde me nog dat het park dag en nacht bewaakt werd en hij een goed baantje had, nou ja... Ik had intussen wel enkele fotos genomen en liep verder door het mooie park met honderden boomsoorten, bloemen en cactussen. Er tussen in liggen de verschillende gebouwtjes, of kooien, die dieren herbregen. Ik bezoek de slangen farm, met de mooiste kleuren opgesloten in glazen kooien, de duivels uit de bijbel, maar zo intrigerend. Ik zie de schitterende ara's, en voel een triesheid dat de vogels in de kooien zitten, ver weg van hun moederbos, ik bezoek het schildpadden domein, waar grote water en bos schildpadden rondschuifelen en ten slotte het grote gebouw waar honderden opgezette dieren te vinden zijn, van apen tot panter, schildpadden, vlinders, vogels, gordeldieren, een dode collectie, een vreemd sfeer, die iets dubbelzinnigs heeft. Soms lijken ze zo echt dat ze de benen kunnen nemen, wegvliegen, aanvallen, holen in kruipen, maar het is alleen míjn fantasie. Het is dood. Buiten is het aangenaam warm en ik loop naar de uitgang en het witte meisje vraagt me of ik het mooi vond, en ik beantwoord dat het een genoegen was hier te zijn en zeker zal terugkeren. Ik moest de bus in de namiddag terug hebben naar Vitoria en met een sierlijke zwang daalt ze af langs de mooie valleien en heuvels, tussen het bos waar het leven zo anders kan zijn dan onder waar de geluiden van de grootstad me al tegemoet komen. In de avond loop ik naar het busstation, drink een bier, zie dat de zwervers door bewakers worden verdreven van de stoeltjes waarop ze liggen te slapen, kijk naar de bevallige schonen, zie de mensen wéér slepen met hun bagage en denk aan Niteroi, de zusterstad van Rio de Janeiro, waar ik om halfzes volgende morgen zal arriveren. slot
Via de Terceiro Ponte, of de Derde brug, kom ik in Vila Velha, de stad waar ik al eerder over sprak en met 300.000 inwoners Vitoria overtreft. Het klooster ligt op 154 meter en de moeite waard om naar boven te klauteren over het geplaveide straatje. Het is een soort penitentie naar de kapel van het hospitum. Niet dat ík een boete moet afleggen, maar de zonde is nooit ver weg, maar de meest devote maken de klim op hun knieën naar het beeld van de Onze lieve vrouw van de rots. Als ik boven arriveer zijn de toeristen al samengeklontert, zij die met auto's naar boven gingen, of busjes van de instantie. Neen, ik wil lopen om de gelijke vermoeidheid te voelen die de paters moeten hebben gehad, lang geleden toen ze het klooster stichtte. Dit was in 1570 boven op deze geweldige rots, waar de stichter van de orde Ignatius van Loyala trots zou zijn geweest op zijn broeders. Ja, zij die wisten hoe de zielen van de stammen te winnen in naam van Jezus, en ik vroeg mij voortdurend af of Jezus dit wel zo bedoeld had? Want was het niet een regelrechte bezetting? Waren de paters niet hier om de indianen in te lijven in het korps van geredde zielen? Laat ik zeggen een, in die tijd, brainwashing-partij-programma. Of... stuurde de orde aan op een zekere 'brainstorm' tegen over de broeders? Dit hen, nietsvermoedend, enigzins gek moest maken. Waren ze niet het slachtoffer van een machtsorde die hun zielen manipuleerde in naam van God? En zonder God geen duivel? Of was het een regelrechte overtuiging die inspiratie gaf aande bruinrokken. Wie zal het ooit weten, want ieder en allen zielen zijn nu eenmaal huichelachtig, vol van hypocritie en zullen zich ten immer boven alle tegenstand verheffen. Doch de Indianen verloren een deel van ziel en uit moralistisch oogpunt bekeken was de bekering der Indainen een grote vergissing in de werelpolitiek, ik meen te zeggen die van het geloof. Ik loop door het oude gebouw en ruik het oude jacaranda-hout van de kapelbanken waar de heilige madona wordt omgeven door vele kaarsen en mensen op hun knieén, die liggen te fluisteren. Ik bezoek een ruimte waar geofferd wordt 'ex'voto's', er hangen van alle soorten foto's, namaak-ledenmaten en spullen van de meest buigende pelgrims. Er zijn smeekbedes voor gunsten van de Vrouwe van de Rots, zij die hoop geeft aan velen. Het blijft een mysterie, een item dat men niet mag onderschatten. Ik loop naar buiten en heb een schitterend uitzicht op de omgeving en vertes van de streek. Ik loop weer de gang in, en kom een jogger tegen, een mulat, die enkel malen van onder naar boven loopt en omgekeerd. Een vreemde gewaarwording nu ik met mijn hoofd in de 16de eeuw zit. Nondesju! Maar zo is de wereld en in de glimmende gang wordt ik geïntrigeerd door de wandschilderijen. Het zijn panelen van 3 meter bij 2, een ervan geeft de aanval van de Hollanders weer. Wat me opvalt zijn de gelaatsuitdrukkingen, ja ze hebben overeenkomsten: bleke koppen met blossige wangen en dunne blauwe lippen. Het is een schitterend doek van Benidito Galixo uit 1923, dat ik reeds beschreef, de aanval van het Hollandse piratenkorps op het godshuis. Dat had ook te maken met de suikerriet-oorlog in de 17de eeuw en dit was het meest zuidelijks punt dat de Hollanders in 1649 aanvielen. Ze belegerden het klooster, maar werden door de monniken afgehouden, mede daar de 154 meter hoge heuvel zo goed als onneembaar bleek. De Hollanders werden verdreven naar dat een bevrijdingsleger vanuit Rio de Janeiro de Jezuïeten te hulp schoot. Er bevinden zich nog meerdere panelen aan de wanden met dezelfde afmeting en in een hoek ontdek ik een buste van de stichter der orde. O God... Hoe graag wilde ik hier een moment alleen zijn in dit gebouw, alleen met de tijd, en leven als een kloosterling, voor een tijdje, en de leer der christenheid een andere draai geven zodat het volk daarmaals de blanke gezien zou hebben als een vriend. Maar dan zou de macht mij ter varantwoording hebben groepen, want een heiden was een heiden en die kon géén vriendschap. Onder aan de ingang van de poort drink ik me een koude fles bier en bekijk op een kleine t.v het laatste nieuws en denk: wat is de wereld toch een puinhoop, de historie een oud boek, ja een naar wormen ruikend boek... geschreven door een bevende hand met een zekere arrogantie. Ik besluit een duik te nemem in de zee, daar bij de 'praia da Costa', daar waar de golven woest zijn en ik kon vergeten dat de geschiedenis nooit teruggedraaid kan worden. wordt vervolgd
Beeld van Franciscus Van Assisi met op de achtergrond het dok
De volgende dag besluit ik in het centrum rond te dwalen. Het is warm en ik loop langs de kades waar grote schepen zijn afgemeerd. Aan de overzijde staat nog steeds het mooie beeld van de zwerver met bundel op zijn rug. Ik vraag dan ook voorbijgangers naar zijn naam, maar de meesten weten het niet of zijn onzeker. Een negerin geef mij duidelijke taal en zegt dat het natuurlijk de heilige Franciscus van Assisi betreft, de vereenzelving van de arme en patroon van de zwervers. Ik voel me aangesproken en groet dan ook de goeie man dagelijks. Ik ben ten slotte de zwerver op zoek naar? Ja, een filosofisch item. Ik zoek namelijk de mens in mij, een waarlijke 'ik', de zin van het leven. We worden ouder, wijzer, leren, zegt men, maar dat geldt niet voor iedereen, sommigen bijven steken op een bepaald punt. Ook het geestelijk verwarde meisje kom ik weer tegen. Ze lachtt me toe als een oude bekende, ze dwaalt door de straten van Vitoria als een vrije mus, maar ze weet zich te handhaven. Ze zijn de 'anderen' van iedere stad, dorp en straat, zij die leven met hun ziel, die anders blijkt dan God hen gegeven heeft. Doch ze hebben inzicht in hún wereld. Anders dan de verloren fascisten-geesten van mensen die denken dat macht en onderdrukking de maatstaf is, en zij die, gedreven door jaloezie en vermeende superintelignetie, der rassen verdelen. Ik bedoel het zijn de klootzakken van de straat. Ik ontmoet een van hun op het centrale plein 8: 'Praça Oito'. Er is een openlucht tentoonsteling ter nagedachtenis der 'amnestie' die werd opgesteld in 1979, tijdens de militaire dictatuur in Brazilië, door de 'heren' generaals. (Nu wordt deze wet aangevochten, daar het een soort ontoerekenbaarheid en vrijbrief geeft voor het martelen der militairen van mensen in die periode. Het is dus het tegenovergestelde van 'begenadiging', amnestie. noot schrijver) Verder moeten de grote aanplakborden de waarheid omtrent die periode weergeven . Er waren vele foto's afgebeeld met uitleg over de verfoeilijke episode uit de Braziliaanse geschiedenis. dan komt er een man naast me staan en spreekt me als volgt aan: "'... Dit had nooit moeten ophouden... toen was het nog goed in Brazilië... toen was er orde en gezag!" en hij kijkt me aan als een dictator. Als ik de de bizarre persoon bekijk lijkt hij me een afstammeling van Europeese immigranten. Hij lijkt me in de zestig en draagt een zwarte zonnenbril. Ik geef hem antwoord dat die periode een misplaatst iets was in de geschiedenis van Brazilië. (Dit is een weergaven van hoe ik me de conversatie herinner.) "Wat! Toen was ik militair in Rio... alles was goed, ieder had te eten, de militairen hadden alles onder controle!" "Onder controle? Het was een onderdrukking, een regelrecht totalitair regiem... Brazilië moet een meer sociaal beleidt voeren... recht voor iedereen, Indianen, zwarte mensen, zigeuners..." "Het rijke deel van Brazilië zorgt voor alles, snap je?" zegt hij geagiteerd. "Neen, ik snap er niks van! Het kapitaal is de vernietiging voor de wereld..." en ik wordt grimmiger. De man lijkt op een on-braziliaanse 'Gröss-leider', een racist in pure vorm. "Het kapitaal is goed voor alles, de economie, werk en ook de arme profiteren hiervan!" "De armen? Weet je dat een kwart van het Braziliaanse land in bezit is van grootgrondbezitters? Een ander deel van de rijke buitenlandse imperialisten?" "Sperma! Brazilië gaat na de klote man... waar kom jij vandaan? Europa... Holanda zeg je? Ja, jij hebt goed lullen! Hier wordt alles verpest door de negers... die niets uitvoeren, zij die maar neuken en kinderen maken... snap je 'ficken' (duits woord voor neuken)' zegt hij overtuigend en hij maakt het bekende gebaar met de duim tussen wijs en middelvinger, alsof ik hem dan beter begrijpt. (door dit duits woord vermoed ik dat hij van Duitse, Zwitserse of misschien noord-Italiaanse komaf is). "... Ze moeten die verdomde luiaards van negers tegen de muur zetten en afknallen... godverdomme!" Mijn geduld raakt op, de man lijkt me idioot en dronken, in de negatieve zin van het woord. "Ik geloof dat je niet bij je hoofd bent... je bent gek!" De man speurt enigzins een veranderende houding in mijn spreken en loopt scheldend weg. Ik voel me opgedraait, verdomme! Doch de meeste mensen die ik aansprak rond de borden op het plein waren begrijpelijk, sommigen hadden een afkeer, anderen schuldgevoel... jongere interesse... Maar voor het juist aangehaalde ontmoeting met de fascist, die in een figuratief Mussolini pak zat, was de wereld een hopeloze brij. Deze mensen zijn, ook al in de minderheid, een waarschuwing. Ik loop naar de overkant en bij het Perreira plein eet ik een deegbroodje en drink een suikerrietsap, en ik zie de mensen die zoveel anders zijn, zij die gelukkig zijn met hun deel, ook als ik dit niet eenvoudig. Ik denk aan de zwervers, de eenlingen waar politiek geen boodschap voor is, zij die alleen maar honger en dorst hebben en niet weten waarom het hun niet al te goed gaat, of aan het naïeve meisje, met de onschuldige glimlach, die meer ziel heeft dan menig andere, die denken dat kapitaal en macht de redding is. Ik loop naar het oude gedeelt van de stad via mooie trappen, koop wat broodjes en drank voor het avondmaal en lig peinzend op het oude bed. Morgen ga ik het oude klooster bezoeken in Vila Velha en een duik nemen in de zee om met Imanja en Neptune te converseren.
Het oude Vitoria is eigenlijk gebouwd op een steile heuvel van waaruit ik de havendokken kan zien, want het is een havenstad, waar de schepen liggen afgeankerd met als decor de heuvels en de 'Penedo' berg in Vila Velha aan de baai, terwijl in het midden van het eiland zich steile heuvels bevinden en de 'Pedra dos dois Olhos', de 'twee-ogen rots'. Ik verlaat het hotel, zeg goeie dag tegen de vriendelijke vrouw en loop de straat af naar het hart van de stad. Dit is het 'Praça Costa Perreira', het plein waar verkopers actief zijn, predikanten staan te joelen, kruidendokters verschillende kruiden tot moes slaan in oeroude houten Jacaranda potten, waarna het pulver in een fles drank wordt gestopt. De oude mannen genieten van het kijken naar alles wat beweegt, als ware ze bezeten door de leer van het bloed, want ze zien zwijgend en lachend naar de mooie honhingvrouwen die rondfladderen als vlinders. Jonge meisjes met veelkleurig bloed, zigeunerinnen (en waar in Brazil kom ik ze niet tegen), negerinnen en blanken met blosjes op de wangen. Ik begeef me langs de avenida Beira Mar, waar langs de baai Vitoria de nachtbars liggen met Scandinavische namen. Hier waar menig zeeman zijn vertier zoekt, en soms voel ik mij een zeeman, afgemeerd met een groot containerschip vanuit een fictief land. En de mensen? Ja sommigen zien me denkenlijk ook zo, een verdwaalde zeerot. Anderzijds kan ik natuurlijk een Zwitser zijn, Duitser, of noord-Italiaan, verdomme, een afstammeling van immigranten die hier rond 1900 zich vestigden in de heuvels om daar het land te bewerken, op zoek naar iets dat ze in hun geboorteland niet konden vinden. Of het waren avonturiers, die hier hun halt vonden, in de schitterend heuvels van Espiritu Santo, de kleinste staat van Brazilië. In ieder geval voel ik me wel op mijn gemak in de stad van de 'overwinning' alhoewel ik dit woord in die zin verfoei. Daar het een ketting vormt met de uitroeining der Indianen, de Capixaba, waar men nu de inwoners van de stad naar vernoemt.
Ik besluit een bezoek te brengen aan de 'Gruta da Onça', de 'JaguarGrot', want grotten en jaguars hebben een bepaalde emanatie op me. De grot ligt zo goed als in het centrum, niet ver van het centrale plein Perreira. Nou is -grot- een overdreven naam voor de kleine inham. Een klimpad leidt naar boven, parallel aan tropische plantengroei. Hier is het Atlantische regenwoud dat men probeert te behouden voor de wereld. Halverwege de klim bevindt zich het kleine ronde kappeltje, een soort rustplek met binnen in een fraaie muurschildering, die gesigneerd is door een zekere Ely Vincentim, die de natuur is al zijn glorie uitbeeld: Het doorzichtig Atlantisch woud, verstengelde boomwortelen, keien, een watervalletje met vallende vis, een toekan, paegaai, een exentriek aapje en in het midden gelegen op een boomstronk een panter. Bij de grot ontmoet ik een jonge man, Fernando, bewaker van het park. Hij zegt me dat hij erop moet letten dat er niet teveel rotzooi gemaakt wordt boven en in het bos. Nou ja. Ik besluit een pad te volgen tussen de bomen en wordt belaagd door de miljoenen muskieten, die hier vrijspel hebben. Ik ruik de humus, zie de geweldige vormen van de bomen en rotsen, en wegflitsende gekkos. Het Atlantisch regenwoud, laat het blijven bestaan. De muskieten bezorgen me vele jeukerige rode bulten en ik besluit terug te keren naar het hoofdpad. Ik loop hogerop en kom terecht bij de grot inham. Het heeft iets intiems en water sijpelt van boven als helder kristal. Ook deze grot heeft zijn 'lenda', een legende van het ontstaan en staat beschreven bij de ingang. DE GROT BEVINDT ZICH MIDDEN IN HET BOS VANWAAR OOIT EEN BRON ONTSPRONG. OP EEN DAG PROBEERT EEN INDIAAN ZICH HIER IN DEZE GROT TE VESTIGEN EN ZOEKT NAAR DRINKWATER OM ZIJN DORST TE LESSEN. ALS HIJ HET WATER ONTDEKT ZIET HIJ IN DE WATERSPIEGEL HET BEELD VAN EEN ENORME JAGUAR, KLAAR OM AAN TE VALLEN. DE INDIAAN SCHRIKT EN VLUCHT, AL RENNEND NAAR DE ZEE, DIE HET STRAND KUST BIJ DE PENEDO BERG. SINDSDIEN BEWAAKT DE ONÇA DE GROT, EN LEEFT ER NOG STEEDS. Nu zijn deze verhalen fantastisch, bescheiden, aanemelijk? Geplaats in de tijd. Wel, ik blijf nog enige tijd wachten op en teken van de jaguar, maar de tijden schijnen veranderd te zijn, of misschien was hij het drukke verkeer onder aan de voet van de grot moe? Of bang voor de voorbij razende bussen? Nu heeft men een grote kunstjaguar boven op de grot plaatst en de waarlijke? Die zal wel in het woud ronddwalen, of vertrokken naar de binnenlanden van Minas Gerais waar nog rotten in overvloed zijn. Onder langs de avenida staat het beeld van de Indiaan die vluchtte voor de jaguar, en als ik het later bezoek blijkt dat men van het mooie beeld, de Indiaan Ariaboia, zit gehurkt en spant zijn boog, de boog heeft gestolen. Ik praat met enkel autowachters die zeggen dat men de boog onlangs heeft gestolen voor de waarde. "Wat moet hij nu zonder pijl en boog?" zeg ik hun nog, en de mannen lachen om deze gringo, die hun vertelde dat hij speciaal naar hier was gekomen om het verhaal van de angstige Indiaan te beschrijven en waarvoor men een beeld had opgericht. Ja, de legende heeft voor sommigen hier in Vitoria weiniger waarde dan de opbrengst van brons. Terug naar beneden bij de kapel ontmoet in Miguel, een man van in de veertig, die het leven in Vitoria wel gezien heeft. Hij is meer het exentrieke type, en vraagt of ik een Kroatiër ben. Dat heeft te maken daar hij veel in de haven werkte met het lossen van schepen die uit Europa aankwamen. Nou ja, ik leg hem maar uit dat ik een Hollander ben, een avonturier, geschiedschrijver op weg naar onbekende streken, een wijsgeer naar het menselijk brein. Hij zegt dat Vitoria eigenlijk maar klein is, en hoopt in de toekomst een hut te kunnen bouwen in het binneland, wat aanplant, wat kippen, een varken en wat maconha (marijuana), en het leven kan goed zijn. Ik wens de symphatieke gast geluk en daal naar onder waar het stinkende stadsverkeer me tegemoet komt.
In 1625 kwamen de Hollanders terug. Ze waren gefrustreerd en gingen aan land, vielen aan, maar de Portugezen vochten terug met alles wat hun terzijde stond: mannen, vrouwen, kinderen, ja, zelfs Indianen die zij tot vriend gemaakt hadden. Dan was er het 'godskruis' en een zekere Maria Otriz, zij stond daar boven aan de oude stad en goot kokend water over de furieuze vlamingen. Nu waren de Hollanders toch al niet bemind waar ze ook kwamen. Ze waren wilde mannen en in de ogen van critici kregen ze felle kritiek, eentje, een Katholieke Spanjaard Luiz Veralez beschreef de Hollanders als volgt: "Ze zijn groot en log, met dunne blauwe lippen waar een stekelige knevel en een onverzorgde baard omheen liggen. Met grijze kille ogen waar de dood uit loert. Een sombere zuiplap waarvoor zelfs de havenmeiden bang zijn. Een grommende vreetzak wiens zelfs stinkend vlees nog goed schijnt te bekomen. Een bekrompen vijand van ons heilig geloof die telkens nieuwe duivelachtigheden weet te bedenken als hij de klauw op religieuze personen kan leggen. Zijn taal klinkt als het knarsen van folterwerktuigen, zijn plezier is martelen en doden, zijn onbestreden koningkrijk is de zee.... " Later wisten de Portugezen de Hollanders te verslaan met hulp van een zekere Correia de Sa, die net van Bahia terugkeerde. In 1640 werden de Hollanders andermaal verslagen, nadat ze herrezen waren om bloed te vergieten en de macht te nemen. Denkelijk was het alleen om die macht, doch net gelijk de Portugezen, en alle andere kolonie jagers. Allen, beste lezer! Zonder uitzondering! Allen hadden een onverbiddelijke dwang naar elan en bloed, niets wees erop dat er énig besef was van wat er met de inheemse bevolking moest gebeuren. De Indianen waren allang onderdanig... op een enkeling na. Vila Velha werd door de Hollanders niet gespaard en het schilderij van Benedito Calixo in de Galarie 'Dos Milagres' van het klooster de 'Nossa Senhora da Penha' is daar getuigenis van en geeft een beeld van de interventie van het klooster door de Hollanders en het verdedigen van het heiligdom door de monniken. Op mijn bezoek aan dit klooster kom ik later terug bij mijn bezoek aan Vila Velha. wordt vervolgd...
"Het zicht van het klooster door de Hollanders in 1643" geschilderd door Benedito Calixo 1927