December 2007, Vitoria ligt in de schaduw van het'mata atlantica', het atlantische bos, en laat me denken aan een minuscuul Rio de Janeiro, met haar zee, de granieten uitstulpingen en krommingen van de bergen aan de horizon. Doch daar houdt deze gelijkenis dan ook op. De stad werd gesticht in 1551 -niet ver van de plaats 'Vila Velha'. Het oude stadsgedeelte is gelegen in het hart van een eiland, dit nu verbonden wordt door vele bruggen met het vaste land. Ik bezocht de stad enkele malen en kwam ook ditmaal rond 6 uur aan op het grote busstation, vanuit Niteroi, waar ik om 23.00 was vertrokken. Vandaar is het een 30 minuten lopen tot het centrum, ik drink onderweg een kop koffie en eet een broodje met boter, luister naar de al druk converserende mannen en ga op weg naar het goedkope hotel 'Prata' in de buurt van het Anchieta Paleis. Het hotel is oud, maar met vriendelijke mensen en voor 23 reais ( zo'n 10 euro) 'cheap', zou de Amerikaan zeggen, en er is zelfs een ontbijt bij inbegrepen. De kamer is netjes, met een oud eiken bed en een kleiner in een hoek. Boven aan de plafond bengeld een grote ventilator, er is een douche en poeppot en ik voel me thuis op de 3de verdieping. Terug naar de geschiedenis van de stad waar het allemaal begon in 1500 als de Portugezen het eiland claimen. In 1530 kwamen de piraten die het voorzien hadden op de rijke grondstoffen en de Portugezen, die niet gek waren, maar meer middeleeuws, besloten, om het land te vededigen, een gedeelte daarvan aan mensen te schenken om te koloniseren. Dit land werd in de volksmond genoemd: Capitanias (degene die het land kreeg) en Hereditarias (de ergenaam van vader op zoon.) Als stichter van de staat Espirito Santo noemt men Vasco Coutinho, die op 23 mei 1535 de ingang van de baai, bij de Monte Moreno berg bereikte. De naam van de staat komt van de 3de persoon van de drie-eenheid, daar de namaak ontdekkers aankwamen op de dag van de Heilige Geest. De oorspronkelijke bewoners waren de Tupinquin Indianen, een stam die maïs en maniok verbouwden en in harmonie leefde met de natuur. Ook de Tupiniquin probeerde de invasie te voorkomen. Dit gebeurde aan het strand, maar na enkele vuurschoten der donderbussen vluchtten ze be bossen in, en de Portugezen betraden de voor hun ongewijde grond. Het kruis stond model voor de spotzieke strijders met knallende lopen, trompetten geschel en matrozen liederen, de zonen van de waterratten. De indringers bezette, wat men toen noemde het gebied wat nu'Vilha Velha' is, maar ze kregen geen rust van de Indianen die bleven strijden voor hun gebied. In 1537 zocht meneer Coutinho een betere plek om het genomen land te verdedigen. Hij vond dit aan de zuidflank, een groot eiland en moeilijk te bereiken. Hij verplaatste het kamp naar dit eiland en noemde het 'Vila Nova' (nieuwe stad), als alternatief voor het Vila Velha. De strijd van de Tupiniquim ging door tot 8 september 1551, toen ze voorgoed verdreven werden van hun geliefd land. Om dit groot (laat ik het triviaal) feest te vieren en te herinneren, werd 'Vila Nova' door de Portugezen omgedoopt tot: VITORIA, het dorp van de overwinning. De Indianen hadden ze, in zoverre, bedwongen, maar ze kregen geen rust van de andere duivelpiraten. Deze kapers lagen op de loer om de buit te jatten: Fransen, Engelsen en Hollanders. Ze bleven de Portugezen tarten om de machten van onmenselijkheid, de veldtochten, die ze dachten te voeren in het nieuwe land voor het veldboeket dat niet aanwezig was, om dit te schenken aan een vrouw. De vrouw waar de soldaten naar verlangden, waardoor vele indiaanse vrouwen werden genomen. De Jezuïeten, waren al in 1551 gekomen, hielpen dapper tussen de contacten der bezetters en de Indianen. Onder hun bevond zich ook José de Anchieta, hij, die hard zwoegde aan de kerstening van de Indianen. Ook probeerde hij hun rechten te verdedigen en te beschermen tegen de vernietigingsdrang van de Portugezen. Zeker, stel ik, een nobel daad, en hij was de éérste die een boek samenstelde van Tupi woorden. Hij was een van de stichters van de ruwe kapel, wat later de stad Sâo Paulo zou worden, een ondernemend man dus, doch ondertussen werden vraagtekens geplaatst bij het missionaire werk, bij deze edelmoedige 'hulp'. Doch dit gegeven vedient een verdere expressievere argumentatie, een boekdeel apart, en in deze context te kort om hierover uit te wijden. Boven in het oude gedeelte van Vitoria, in de 'cidade alta' is de tombe te zien van deze excentrieke man, een balsturige en een sluipschutter tegen de uitroeing van de Indianen, maar op hetzelfde moment een man der godheid, die de stammen de wet van God oplegde. En de indianen? Ja, die moesten soms kiezen voor hun oordeel, want de strijd tegen de ijzeren wapens was bloedig en soms embarmelijk. Toch waren de Tupiniquin kloeke vechters en vele vijanden werden neergeknuppeld door hun knotsen, waarna 'letterlijk' geroosterd, waarbij een soort houten stop tussen hun billen werd gestopt, dit om de ingewanden der vijanden te laten smeulen. De Tupiniquim waren kannibalen. wordt vervolgd...
Schilderij van Benidito Calixio in het klooster van de ' Onze Vrouwe van de rots' (Nossa Senhora da Penha) te Vila Velha Toont een mis der Portugezen bij aankomst
Brug die Vitoria verbind met Vila Velha fotos storyteller
Mijn oom schreef vele artikelen in kranten en bladen, zo ook over de 'Sagradas' wegen die bestonden uit een soort gras dat geen ander gras liet groeien, en de zaadjes werden al plakkend aan de voeten van mensen en dieren verder verspreidt. Volgens de eerder genoemde Fransman De Mahieu werden deze wegen, die te vinden zijn in geheel zuid-Amerika, niet aangelegd door Indianen en was alleen de 'blanke' in staat deze wegen aan te leggen. Mijn oom stelt: "In de traditionele mondelinge verhalen van de oude bewoners van Cabo Frio nabij Rio, dat de blanke man niet bestond en dat we hier te maken hadden met Indianen, is geheel in contrast met de genetische wet, want hij had een witte baard, ging gekleed in een lang gewaad en bewandelde al prekend deze weg (hiermee bedoeld hij de weg van Cabo Frio naar Cabo de Sâo Tomé). Ook moeten we onze visie ten opzichte van de 'wilde Indiaan' herzien, waarvan de jesuiët Simâo de Vasconcelos zich afvraagt, welke cultuur het is dat dit volk heeft geërft, om een taal te spreken die zo perfect is als het Grieks of Latijns. Hier zien we dus dat het zo genoemde verloren paradijs, dat als onbekende cultuur teruggevonden wordt in de geschiedenis van onze regio ( rond Rio de Janeiro)." Hij gaat verder: "Uit de overleveringen van de Indianen weten we dat de apostel Santo Thomas, ook wel 'Pay Zumé' genoemd, hier gepredikt heeft, en vanuit Sâo Vincente in het zuiden werd verteld dat de apostel hun zowaar leerde 'hoe te eten' zonder ziek te worden. Er werd verhaald hoe de inboorlingen zich keerde tegen de leraar en hem beschoten met pijlen, maar deze troffen de apostel niet, doch keerde zich tégen de aanvallers. De verhalen worden doorverteld van vader op zoon, dat de apostel door hun gebied wandelde en dat zijn voetsporen aan de rand van een rivier te zien zouden zijn. Vier diepe indrukken van menselijke voeten, en de overlevering zegt verder dat de afdrukken ontstonden toen de heilige moest vluchten voor hun pijlen en het water zich opende zodat hij met droge voeten de overkant haalde. We weten nu dat deze 'voetsporen' - wegaanzijzers - waren van de Vikingwegen." De stelling van mijn oom is dan ook duidelijk: de blanken waren hier, Vikingen, aanbidders van de zonnencultus, die tussen het 900 en 1100 Brazilië bezochten. Ze waren de beruchte zeewolven uit her Europese noorden die hun sporen nalieten op de rotsen aan de zeekust en de oevers van rivieren, vele eeuwen vóór Pedro Cabral. Maar Tum Pieters werd miskent, doch volgens mij ten zeerste onderschat. Ooit zei hij tegen mij het volgende: "Het belang is natuurlijk dat wij zoeken naar de waarheid in de geschiedenis! De historie is tot heden vervalst en de Spanjaarden, Portugezen en óók de Hollanders hebben hun boekjes enkel geschreven zoals het hun te pas kwam! De rest... hebben zij netjes verborgen gehouden, en op die manier is de geschiedenis vervalst. Het verdere belang van die ontdekking is dat... als ik het kan bewijzen, zij al hun geschiedenisboekjes in de prullenbak kunnen gooien! Want ze zijn al veel te oude en achterhaald!" Voor Tum Pieters stond het als een paal boven water, er was géén twijfel dat de Vikingen, of blanke mannen in Zuid_Amerika waren: "Want alle sages van de Indianen vertellen over blanken die ooit onder hun leefden en spoorloos verdwenen en ooit zouden terugkeren. Zelfs op de meest antieke wereldkaard, die van Vossius, wordt de kustlijn van Brazilië aangeduid als: COSTA DANEA!, de kust van Denemarken," aldus de pater.
De grote wens van hem was ooit een bezoek te brengen aan het Titacaca-meer, het hoogstgelegen meer ter wereld, bijna 4000 meter boven de zeespiegel. Hier staan de overblijfselen van de ZONNENPOORT bij de stad TIAHUANACU, waarvan De Mahieu zegt gebouwd te zijn door de Vikingen (volgens mij fantasie, noot schrijver). De Noor Thor Heyerdahl vond daar het zinnebeeld dat hij op zijn zeil plaatste toen hij de overtocht maakte vanuit de Peruaanse kust naar de Polynesische eilanden, om te bewijzen dat de eerste bewoners van de eilanden blanken waren geweest. Heyerdahl noemde het vlot 'KON-TIKI', naar de zonnenGod van de Inca's. Hoe is het mogelijk dat de beeltenis op de stenen boven in Bolivia, dezelfde is als die Heyerdahl vond op de Polynesische eilanden? En dezelfde die Tum Pieters vond langs de rivier in Santa Catarina in het zuiden van Brazilië? De reis van het Titacaca-meer werd nooit verwezelijkt, we hadden plannen deze samen te maken, doch ík weet dat op deze plek zeker de psyche van Tum zal ronddwalen, ongetwijfeld om de waarheid te achterhalen.
In Venezuela leefden decennia geleden nog mensen van een blanke Indianenstam, de Parias. Deze zo goed als verdwenen stam bewoonden hutten in het bos tussen de rivieren Apuré en Orinoco, in het dorp 'Atlan'. De overlevering vertelt dat deze merkwaardige stam haar oorsprong had in een eiland midden in de Oceaan. Ik heb het nu over -Atlantis-, het grote eiland dat ineens verzonk in de zee. Heeft het bestaan? Dat is de grote stelling. Zo ja? Waar lag het dan? En wie waren de volkeren die daar leefden? De Parias zouden na de natuurramp, want zo moet de verdwijning van het eiland toch wel gezien worden, die het eiland vernietigde, erin geslaagd zijn te ontkomen en het land, wat nu Venezuela is, te bereiken. Een wonder? Mirakel? In Brazilë werd begin jaren vijftig van de vorige eeuw melding gemaakt dat een pater in het oerwoud een Indianenvolk had ontdekt. De stam verschilde van de andere stammen door hun grote en goed gevormde lichaamsbouw, en die blauwe ogen en heldere huidskleur hadden. men had al langer het vermoeden van het bestaan van de stam, die door andere Indianen 'Pausianis' werden genoemd. Ze leefden in paalhutten op meren en rivieren, en zouden verwant zijn met de Europese mens uit het stenentijdperk. Het gaat om een rasvermening die zich voordeed lang voordat Columbus weet had van Amerika.
Doch er zijn meerdere stellingen zoals die omtrent de Amazonas rivier, die haar naam onleent zou hebben aan blanke vrouwen. Deze woonden in 3 dorpen en waren de enige die wisten te ontsnappen aan de vervolging ingeleid door Indianenstammen tegen de Vikingen in Bolivia. Deze vrouwen waren de aanleiding voor de legendes der Amazones. De Spanjaarden kregen het kwaad met de deze blanke vrouwen, die de Indianen tegen hen aanvoerden. Ze waren onbevreesd voor de paarden en Spanjaarden. Betrouwvolle bronnen, meest van de hand van Spaanse missionarissen bevestigen deze versie. Ook Gaspar de Carjaval, een Dominicaner Pater geeft duidelijke aanduidingen in zijn haarfijn gedetaillieerd dagboek. Hij voer namelijk samen met de barbaarse expeditie van Francisco Orellano over de rivier die later Amazonas zou heten. Hij ontmoette de Amazonas vrouwen in een geweldadige strijd en werden bestookt met giftige pijlen: "De Amazonas gingen ongekleed, slechts hun schaamdelen waren bedekt. Ze hadden pijl en boog in de hand en vochten als voor tien man." Verder verklaarde de Pater nader dat de vrouwen lang en blank waren met gevlochten haren. Aan boord van de boot van de Spanjaarden bevond zich ook een Indiaanse hoorndrager, die Orellano had gevangen gemaakt. De wist veel informatie te geven over de vrouwen in het gebied. De Indiaan werd danig ondervraagd over de krijgshaftige vrouwen en Orellano waarschuwde de Indiaan de waarheid te spreken, ander zou hij hem de tong afsnijden. De Indiaan vertelde dat hij als kind geroofd was en naar een plek gebracht waar de mannen van Orellano hun eerste gevecht hadden geleverd. Daar was de cacique Couynco een machtig opperhoofd. Doch ondanks zijn macht, moest hij schatting betalen aan een koningin genaamd Conori. Haar stamgebied lag op vier a vijf dagen verwijderd van deze grote rivier aan de oevers van een zijrivier. De vrouwen hadden geen mannen. In de strijd droegen ze zo goed als geen kleding. Onder normale omstandigheden waren ze gekleed in straksluitende, van onder hun borsten tot aan de enkels reikende katoenen gewaden. Ze woonden in stenen huizen met houten deuren. In de stad waar Coroni woonde waren 5 grote zonnetempels. Ze noemden de zon: Caranain. In de tempels stonden godsbeelden en vrouwenfiguren van ziver en goud. Orellano vroeg of de vrouwen kinderen ter wereld brachten. De Indiaan vertelde dat de vrouwen nu en dan het rijk van de 'Witte koning' overvielen, dit bewoond werd door grote mensen, wel gevormd en bijna blank van huid. De vrouwen maakten alleen mannelijk gevangen. Zodra ze zwanger waren werden de gevangen naar hun eigen land teruggestuurd. Van de kleine jongens die werden geboren ontdeden zij zich, doch de hoorndrager wist niet of zij ze doodden of naar hun vaders brachten. De meisjes werden in enkele gereserveerde dorpen zeer zorgvuldig opgevoed. Hun voeding was er op gericht hen mooi en sterk te maken en ze kregen voortdurend les in het gebruik van wapens.
Wanneer ik de doorsnee Braziliaan aansprak over deze interesse mijnerzijds dan was er weinig begrip en begreep hij er niets van. Wie zou het hem ook verteld hebben? De geschiedenisboeken spreken hier niet over, want voor de boeken is er maar één ontdekker wat betreft Brazilié en dat is Pedro Cabral. punt uit! Ik denk dat de theorie der eerdere blanke bezoekers in overweging moet worden genomen. De Vikingen waren de-zwervers der zee- en als deze in het jaar 1000 de noordkust van Amerika aandeden, waarom zouden zij dan niet afgezakt zijn en centraal of Zuid-Amerika bereikt hebben, in dit geval Brazilië. Daar in het huidge New Foundland, het -vinland- moeten ze lange tijd verbleven hebben, want er zijn aanduidingen dat er 1500 kilometer verwijderd van de Atlantische oceaan, land in waarts, een runen steen is gevonden met daarop een onvolledig verslag van een Viking-expeditie, dus waarom zouden deze zeewolven niet Brazilië bereikt hebben? Volgens mijn oom was dit in Gávea, Rio de Janeiro en meer noordelijk bij de huidige plaats Cabo Frio (koude kaap). Daar zouden ze Tupi Indianen ontmoet hebben, die ze, waarschijnlijk, de naam 'Skaerlings' gaven, wat 'lelijke mensen' betekent, net als de Indianen die zij aan de Amerikaanse noordkust gezien hadden. Mijn speurtochten nar bijzondere optekeningen betreffende de Vikingen, brachten niets aan het licht. Zelfs geen vliegensvlugge aanwijzing, die verwees naar Zuid-Amerika. Zeker is dat de hele geschiedenis zuiver gebaseerd is op de verbale overdracht der Vikingen zelf die terugkeerden van hun reizen. Moderne veronderstellingen worden niet (ook al zijn deze aanneemelijk) geaccepteerd. Doch het is ook een gegeven dat velen Vikingschepen nooit meer terugkeerden. Wat gebeurde er met deze reuze eikenhouten schepen van soms 32 meter lengte die als walvissen over de zee gleden? Aangenomen kan worden dat ze vergaan zijn op de woeste golven. Maar zouden ze ook niet in spinnijdige stormen terecht zijn gekomen, waardoor ze ver afgdreven werden naar duister zuidelijkere plekken? Hoe dan ook, waar sommigen niet van willen weten en alles als kletspraat verwerpen, is het voor anderen een onderzoek naar de tekens en inscripties in de rotsen en grotten, die afkomstig moeten zijn van blanke veroveraars, lang vóór de Spanjaarden en Portugezen weet hadden van dit enorme land. Voor deze mensen is het een passie.
In 1958 vertrok pater Tum Pieters, toen 37 jaar, vanuit Maastricht, via Antwerpen naar Brazilië om daar zijn geestelijk, maar meer sociaal werk te verrichten. Een arbeid die steeds meer een maatschappelijke functie ging inhouden. Op latere leeftijd begint ook zijn belangstelling voor de geschiedenis van de 'Vikingen', een grotere invloed uit te oefenen op zijn gemoed. Het werd een waar leerstuk, want zijn overtuiging was concreet: de Vikingen, of afstammelingen, deden Brazil aan, lang voordat de Portugees Pero Cabral voet aan wal zette, een stelling die hem danig bleef boeien. Mij zelf fascineerde het onderwerp zodanig dat ik dan ook geregeld gesprekken met hem had over dit thema. Trouwens hij zag zijn standpunt gegrond door een gedetailleerd geschrift van een zekere Fransman Jacques de Mahieu: 'De Vikingen in Brazilië'. Over die De Mahieu weet ik het volgende te zeggen, namelijk dat de man een racist was, een collarborationist en een fervent lid van de Duitse waffen ss, en was één van de eerste die na de verloren strijd naar Juan Peron's Argentina vluctte met steun van het Vaticaan. Hij schreef verschillende boeken omtrent het esoterisme, wat hij weer vermengde met antropologie en creeërde zo zijn wetenschappelijk racisme tot een stelling. Op zijn reizen door Paraquai claimde hij zelfs dat de Guyaki Indianen afstammelingen waren van de Vikingen. In 1974 reisde hij naar het noorden van Brazilië, de staat Piauï, waar hij het grote 'zeven steden' park toeschreef als een settlement en verwezelijking der Vikingen. Hij overleed in Buenos Aires in 1990. (Bij mijn later reisverslag aan de 'Zeven steden' in Piuaï zal zijn naam denkelijk weer vallen.) Dit gegeven was mij in die periode begin jaren '90 niet bekend. Doch nu heb ik dan ook bedenkingen over deze persoon, die het blanke ras superieur stelde boven welk ander volk, maar stroken in zijn opvattingen waren van belang in het onderzoek van de pater. Zo ver dit gegeven. De pater was eigenlijk een bescheiden archeoloog, en had een klein historisch museum opgezet in de stad Caçador in de zuidelijke staat Santa Catarina. Het gebouwtje was letterlijk gevuld met stenen en gebruiksvoorwerepen van de Indianen. De Brazilianen zelf zien er, volgens mij, niets in de geschiedenis een andere draai te geven, door de Vikingen (of andere blanken?) als eerste blanken Brazilië te laten ontdekken. Maar er waren volgens mijn oom bewijzen, zoals de kaart van cartograaf Vossius uit de 16de eeuw, die duidelijk Brasil aangeeft als /costa Danea/, de kust van de Denen. Vandaag de dag zijn nog veel inscripties te vinden in rotsen die dit onderbouwen. In het museum in Caçador bevinden zich stenen, gevonden aan een zijrivier van de Iguaçu rivier, die overeenkomsten vertonen met de stenen figuren aan de zonnetempel in Bolivia. Een pater, Alfredo Rohr, toendertijd directeur van het nationale instituut voor archelogisch onderzoek in Brazilië, zegt dat deze stenen authentiek zijn en zeer waarschijnlijk het werk van Indianen, die contact hadden met blanken. (enkele van deze stenen heb ik na de dood van mijn oom weten te bemachtigen en naar Nederland meegenomen.) In oude tijden was het mogelijk via de grote rivieren af te dalen tot aan de vindplaats van deze unieke stenen in Zuid-Amerika. De oude landkaarten vermelden Duits klinkende namen, zoal 'Storting', hetgeen in het Noors: Vergaderplaats of Parlement betekent. Xique-Xique is een regio waar zich dit voordoet. De vissersplaats Itacotiara, langs het strand van de Sâo Francisco rivier is het bewijs. Enkele kilometers verderop de rivier bevindt zich een 50 meter hoge rots, waar boven in Runen tekens staan, die een magische betekins wordt toegeschreven in het oud-Germaans toverritueel. De tekens in de rots kunnen daar alleen aangebracht zijn door Noormannen, volgens de pater. Men vindt daar ook de naam van 'ULF' de 'God van de jacht', en verder meetpunten die aangegeven zijn met pijlen, terwijl boven op de rots een beeldhouwerk van een drakenschip te zien is. Een belangrijk gegeven is dat het waterpeil van de Francisco rivier vroeger hoger moet zijn geweest, waardoor zich op sommige plaatsen een binnenzee gevormd had. Zonder twijfel kan men stellen dat de Noormannen daar hun schepen afmeerden en de inscripties aanbrachten om hun aanwezigheid te markeren. De naam van de rots 'Itacotiara', betekent in de plaatselijk Indianentaal: 'Beschilderde rots'. In Rio de Janeiro bevindt zich de 'Pedra de Gávea' waat ook inscripties werden aangebracht die overeenstemmen met die van Itacotiara. De tekens zijn meer als 20 meter lang ( ij vormen een groot discussie punt, daar tegenstanders van de stelling dit toeschrijven aan de natuur.) DE vertaling der tekens zijn 'dat er eikenhout kan worden gevonden bij het strand van grote kiezelstenen'. De schepen die gehavend de baai binnen voeren gebruikten dit soort hout voor reperatie en andere doeleindes. De grote rots, gezien vanaf de zee, heeft het profiel van een gigantisch mensenhoofd met een baard en helm. Doch het blijft een uitdagende stelling, van het hoe en waarom de Vikingen deze tekens aanbrachten op een bijna niet bereikbare plek, doch de voorstanders zeggen dat de Vikingen doorzetters waren en de tijd namen voor dit werk.
wordt vervolgd...
Het Vikinghoofd 'pedra de Gávea' bij Rio de Janeiro
Pater Tum met twee van zijn stenen
Steen gevonden langs rivier in het zuiden van Brazilië... ongeveer. 17 cm. Wie maakte deze stenen? Noors uiterlijk?
Het bed waarin zij ligt is als een verdwaald schip op een zee van geweld. Haar verlangen is weggespoelt door eenzaamheid, terug naar het land van geboorte. Ze speelt met het laken en denkt aan de tijden die gaan komen, de stormige die wegvloeien over de geest. Ze was nooit die vrouw, die, de liefde aanbiddend, die liefde werkelijk kon omarmen. Ze hield van lange strelen en asem van de on-macho, die haar fluisterende woorden toespeelt op zijn gitaar. Liefde is iets dat men niet zoekt, toch het wordt geboren op momenten dat men het niet verwacht. Ze gelooft in liefde op het eerste gezicht, maar dit is onwerkelijk, want liefde groeit, net als een vrucht aan een mangaboom. Ze weet dat hij ver weg is, in een ander land, met dromen der uitspattingen. zij, is alleen in het oude bed in een warme zee, waar de wind nauwelijks part heeft. Ze verlangt naar hem als naar een koud glas water, naar een warmte, die, de warmte haar niet kan geven. Ze is eenzaam in haar belevenis, haar dromen zijn als kalm water, haar gedachten nadien als een openbaring. Ze wil opstaan maar is neerslachtig. Ze mijmert verder, maar waar zijn de feeën? Waar zijn de sprookjes die haar zouden moeten vervoeren naar andere sfeeren? Waarom zijn wegen soms zo kwetsbaar, onduidelijk, de wegen der zigeuners, die de toekomst zo mooi doen lijken. De weg is bepaald, allang vóór ze kon denken aan liefde. Haar liefde is de minnenzanger, zeeman, vluchteling, een avonturier, die ze alleen wil hebben om 'hem'. Zijn warmte en andere ogenkleur. De liefdesgoden roepen haar naam; ze is verward, en de stem van haar geliefde is donker, doordrenkt met whiskey en zware tabak. Zijn beeld is een spiegel, een waterglans, maar ze houdt van hem. Niets kan haar weerhouden van het huilen, tranen zout als de zee, die háár, scheidt van hem.
DORETHY STANG 12 februari 2005 Het is half acht in de morgen op een afgelegen weg op 53 km van van de plaats Anapu in de staat Para. Wanneer ze de non naderen vragen de mannen: 'ben je gewapend?' Ze beaamt dit en zegt: 'Dit is míjn wapen!' en toont een bijbel, waarna ze nog enkele woorden uit de bijbel richt tot de mannen die haar later zouden vermoorden. De 73 jarige zuster werden gedood met 7 schoten in het hoofd. Zo kwam een einde aan het leven van een van de meest gemotiveerde verdedigers van het Amazone-woud. Sind 1970 leefde ze in de regio en werkte met landelijke boeren in het Xingu gebied. Ze zorgde ervoor dat er werk was voor de mensen in herbebossings-projecten langs de transamazone weg en richtte zich ook op het verminderen van landconflicten. Ze kreeg vele doodsbedreigingen maar liet zich nooit intimideren: 'Ik zal niet weglopen en de strijd van de arme boeren hier in het hart van het regenwoud achterlaten... Ze hebben het heilige recht op een beter leven, op een land waar ze in waardigheid kunnen leven en planten, zonder de natuur te vernietigen...'
BRASILIÁ Vakbondsleider Bartlomeu Morais Da Silva, beter bekend onder de naam Brasiliá, werd gekidnapt, gemarteld en vermoord met 12 schoten door het hoofd. Zijn lichaam werd langs de Santarém-Cuiabá hoofdweg gedumpt in de buurt van het Castelo dos Sonhos districht, waar hij woonde en werkte als leider van de landarbeiders van de Altamira bond en tevens als vervangend stadsraadslid voor de PT (partij der Arbeiders). De Altamira vakbond had de INCRA (landelijk instituut voor kolonistaite en agrarische hervorming) en het gouverment van de staat sinds 1997 onder druk gezet om serieuze landconflicten in de regio op te lossen. De schedel van het slachtoffer, ingeslagen met een sledgehammer, werd gevonden op het busstation plein in Belo Horizonte in 1989, terwijl verondersteld was dat de schedel zich bij de lijkschouwer bevond.
VINCENTE CAÑAS Cañas is een van de bekendste advocaten betreffende Indiaanse rechten in de Mato Grosso. Zijn dood op 6 april 1987 was een duidelijk voorbeeld van de landelijke rijkheid (grootgrondbezitters) en de constituële autoriteiten om groot-landbezit uit te breidden ten koste van levens der bewoners. Vincente werd gedood in het huisje waar hij alleen woonde langs de oevers van de Iquê rivier, een zijarm van de Jurena, in het gebied van de Enawanê-nawê, in het centraal noordelijk deel van Mato Grosso. Het politieonderzoek in de zaak nam 6 jaar in beslag en ging gepaard met corruptie en verdijning van bewijzen.
MIGUEL De 44 jarige Miguel Freitas da Silva, vader van 8 kinderen, werd vermoord op 1 september 2001. Hij was de leider van bond van landarbeiders in Ipaú. Hij werd vermoord voor zijn huisje door twee mannen op een motor, waarvan een vroeg: 'Wie is hier Miguel?' 'Dat ben ik,' antwoorde hij, waarna de mannen hun wapens trokken en enkele malen vuurden. Twee kogels raakten hem in de borst en hij stierf op weg naar het hospitaal. Buiten dat hij een vakbondleider was, bepleitte hij tevens zaken aangaande onteigening van onbenutte stukken grond.
CHICO De moord op rubbertapper vakbondleider Chico Mendes is reeds besproken. Hij werd op 22 december 1988 vermoord bij zijn huisje in Xapuri in Acre. Zijn moordenaars waren vader Dalcy Alves da Silva en zoon Darcy, die werden veroordeeld tot 19 jaar. Darly wist te ontsnappen (denkelijk met hulp van politie) en vond onderdak in een hut van de INCRA in de staat Para, terwijl hij zelfs finaciële steun kreeg van de 'bank van Amazone' onder en valse naam. Hij werd opnieuw opgepakt in 1996, en krreg er 2 jaar en 8 maanden bij voor vervalsing van documenten. In december 2007, op de week af 19 jaar na de moord op Chico, rechter Manafsi e Manafsi beloonde de rancher Darly Alves da Silva met het recht de rest van zijn straf onder huisarrest uit te zitten, tot zijn vrijlating in maart 2008.
MANAUS, maart 1897 Eustaquio en Pau Indio komen aan in de bosstad op een regenachtige dag. De plaats is vol van verhalen over de nederlaag van de rebellen onder leiding van een zekere Antonio Conselheiro, de Messias, hij die duizenden volgelingen had en stierf in het plaatsje Canudos, in de woestijn van Bahia. Die volgelingen waren gewone burgers, geestelijken en bandieten, zij, die vochten tegen de barbaarsheid van de republiek van Brazilië. Doch er waren vier expedities nodig om het hele volk van Canudos, 20.000 mensen af te slachten! En was dit gen schande voor de Braziliaanse regering? Doch de elite in Manaus schreeuwden: 'Weg met de geesteszieken, de rebellen, leve de republiek!' Manaus was een stad vol weelde, en, zoals Eustaquio het noemde, gefortuneerd repaille in een imitatie-wereldstad. En, hoewel ze Belém al kenden was Manaus toch het slotnummer, zeker hier in de woestenij van Amazonas, waar bomen, water, muskieten, en... rubber de overmacht hadden. Hier in het centrum van de stad langs de 'boulevard Amazonas' zagen ze het goedgeklede schorremorrie en was goud betaal middel bij uitstek, want de rubber deed wonderen. Er waren enorme chique dubieuze gebouwen waar onderhandeld werd en waar cognac en whisky werd gedronken, ja, zelf, zelfs goede champagne. Hier waar de elektrische tram van de 'Manaus railway co' door de stad ratelde als een vrouwtjespauw en waar het veelkleurige dak van het operagebouw uitstak als een bizarre koepel. 'Ja, een monsterlijk gedrocht!' vond Eastaquio. Het gebouw werd vorig jaar voltooid en opgezet als een versnapering voor de met Franse odeur gesoigneerde dames en hun exorbitante mannen, de machtduivels van de rubber. Ja, de ouwe en Pau Indio waren niet te naïef, zeker niet de eerste, die toch enige mensenkennis had en zelfs primitief kon lezen. Maar ze zagen óók de havenloze, de arme donder van Manaus, die als een lid van een verworpen kaste der Hindoes de stad herbergde. Wat niet zagen waren de velen hard zwoegende rubbertappers, de slaven van de baronnen, zij die zorgden dat de bomen werden opengereten en bloedde voor het kapitaal. De rubbermannen leefden in de bossen rondom de stad en verder landinwaarts. Hoe dan ook de ouwe en de Indiaan bleven twee jaar in Manaus. Ondertussen had Eustaquio een zaakje geopend aan de Avenida Itacoatiara, waar enkele dames ,iraculeuze liefdestafereeltjes teweeg brachten. Iets later was Pau, meer uit belangstelling om de zeeën op te gaan, vertrokken met het stoomschip 'SANTA CRUZ', dit vol geladen was met rubber van de 'Booth Line' naar New York. Hij keerde terug naar 7 maanden en vertelde dan uren over zijn ervaringen in de grote stad. Speciaal de hoeren, of 'hookers, zoals men daar pleegde te zeggen in de volksmond, die waren daar verdomd anders dan hier in Brazilië. Hij vertelde ook dat de meeste vrouwen deksels veel leken op de vrouwen die ze in het bos ontmoet hadden, die zonder rechterborst. En Eustaquio vertelde hem dat de bosvrouwen vermoedelijk afstammelingen waren van de 'Amazonas'. Ja, dit was hem ten oren gekomen in en gesprek met een Duitse filosoof, een wereldmens, Anton Zorn. En Eustaquio zei dat die Zorn geregeld naar het hoerenhuis kwam, in ruil voor lessen in filosofie. Doch hier had Eustaquio het moeilijk mee, want zijn levensvisie was volgens hem realistischer dan die van Korn, die alles uit de boeken had en maar sprak over het 'zijn' en het 'leven', en dat die twee onderwerpen de hoogtste waarden waren van de mensheid. zoeken naar je balance en hij lulde maar over ene Immanuel Kant, een Duitse denker. Eustaquio werd erg gek van en zei tot Korn op een dag: '... je Kunt het bordeel alleen nog bezoeken om te neuken met een van de dames... zelfs gratis! Je Kunt je piemel in hun volle rode mond stoppen... maar stop met je gelul over het diepe van de ziel... Nondesju!. Ik ben misschien te reëel!' Wel beste lezer nu, dit terzijde.
Dan op een zwoele dag liep het ook mis in Manaus. Wat gebeurde er: Pau Indio wilde namelijk op de kade een 'cimmaron' (gevluchte negerslaaf), verdedigen tegenover een rubberbaas, die nagenoeg in gezelschap was van enkele pistoleiros. Pau schoot zonder omzien twee revolvermannen naar de verdoemenis en verwonde de 'chef'. De stier was los nu hij door het corrupte vrienden-kliekje werd gezocht om te worden gelyncht. Ja, gelyncht, een nette uitdrukking. Misschien levend gevild, want zover waren de wettelijke statuten nog niet doorgedrongen in de namaakstad in Amazonas. Dus waren beiden weer op weg, nu samen met de negerslaaf Congon, de zwarte man die zes jaar als slaaf werkte op de plantage van Jesus Filho do Fogo, een gefrustreerde onnozele zoon van een Portugees en een Russische moeder. De arme neger werd geketend met ijzerballen zo groot als balonnen aan zijn voeten. Maar hij wist te ontsnappen met behulp van de oude smid Thomás, die zijn ketenen verbrak. De oude smid werd meteen gevild, met mieren ingewreven en opgehangen. Congon werd achtervolgd tot in de haven van Manaus en daar zag Pau Indio de onschuld in de ogen van de zwarte man en redde zijn leven. Na vele omzwervingen kwamen ze terug in het geboorteland van Eustaquio, zijn geliefd Paraiba. Daar sloten ze zich aan bij een bende 'cangaçeiros' en zij overvielen grote boerderijen en de plutocraten waren de gulle gevers en moesten dansen tussen de catussen. De angst die de bende inboezemden was compleet. Toch bleven de hoge stekelbomen, de reuzencactussen, de elite garde van de rijkdommen, de heersers van de woestijn, de sertâo, het land waar zelfs de duivel naar water zocht. Ze waren meer dan 20 jaar de ruiters die onverschrokken raasden over de vlaktes van de woestijn. Eustaquio werd bendeleider en tolereerde géén wangedrang van zijn mannen, en díegene die een vrouw tot last was werd meteen opengereten met zijn 'façâo', het hakmes, of werd aan een xique-xique geprikt. Punt uit! Hij was een, laat ik zeggen, cassanova-bandiet, alhoewel die omschrijving misschien te sprookjesachtig is. Een van de weinige in de woestijn, maar Eustaquio was er eentje met ballen, ja, dat zei hijzelf. Hij gaf voedsel aan de armen en stal van de doorvoede. Zo was Eustaquio, de opponent van de macht en de rijke grootgrondbezitters hadden het moeilijk. Zij zochten naar de geschikte pistoolmannen die het geweld van de bende kon beteugelen, maar al diegenen die het probeerden werden afgeslacht. Pau reed als een ware Caraja Indiaan als rechterhand van Eustaquio aan zijn zijde op zijn wit paard, terwijl de neger Congon altijd aan de linkerzijde reed als een soort oude page. Het leven was hard, anderzijds romantisch. Nooit zouden zij het vaarwel kunnen zeggen, nooit... alleen de dood zou dit kunnen bewerkstelligen. Alleen de dood!
Die dood kwam vandaag. De ouwe Eustaquio voelde dat zijn ziel klaar was om te gaan. Zijn zoon Pau Indio moest er een einde aan maken met de vlijmscherp gesneden tak van de joazeiro-boom. Zo geschiedde. Het was het jaar 1922.
En was Pau geen Indiaan? Een vreemde jongeling, gezonden om het bloed zuiver te houden in de stam en samen te gaan met de vrouwen? De oude Indiaan was wijs want hij voorspelde dat in de toekomst meer vreemde mannen met baarden, en grote beesten met woeste koppen, het gebied zouden doorkruisen. Hij was dan ook de medicijnman van de stam. Eustaquio en Pau konden niet veel uitrichten en, om zichzelf te beschermen, gingen ze mee naar het dorp. Die nacht moest Pau de liefde bedrijven men een jong meisje dat zich Luti noemde en de ouwe Eustaquio kreeg een oudere vrouw met een kaal hoofd, die zich als Gu-ara aanduidde. Ze kregen weer brijachtige drank te drinken, waar vóór het drinken de vrouwen nog eens driftig in spuwden. Het gegiste spul leek op bruine drap, maar smaakte zoet als honing. De nacht was warm en de mannen deden hun plicht en ze dachten weer aan de andere vrouwen waardoor ze argwanend werden. Toch hier ging het om andere redenen. De dag erop vond de inwijding plaats van de jongens. Ze moesten hun moed bewijzen om verder te leven en overleven in het woud. De grootste uitdaging was de mand met grote Tocandira mieren. De mieren zaten al drie dagen in de afgesloten mand zonder voedsel en waren hierdoor als kleine agressieve draken geworden. Er was een kleine opening gemaakt waar de jongens hun handen in moesten steken. De mieren vielen aan en beten de huid kapot. De jongens moesten hun moed tonen en mochten geen krimp geven. De pijn moet hevig geweest zijn en wordt vergeleken met de beet van een giftige spin. Tranen liepen uit de ogen van de jongelingen, tranen van dapperheid en pijn. Daarna moesten ze dansen, vierentwintig uur aan een stuk, dan zouden ze de geesten zien van hun voorouders. Ze zouden sterke mannen worden, mannen die de stam nodig had om te overleven. Eustaquio en Pau werden bij de hand genomen door andere vrouwen en weer kregen ze de brij te drinken en moesten ze neuken. Pau kon enkele stamwoorden begrijpen en de oude Indiaan verlangde dat ze bleven en krijgers werden voor de stam. Ze zouden de mooiste vrouwen kunnen uitzoeken en anderen roven van de vijandige stammen.
Na een snel overleg besloten beide echter wederom te vluchten. Het was een sluwe onderneming. Het gebeurde op de dag dat ze op jacht waren met twee Tapirape's. Ver uit de buurt van het dorp doodde ze de mannen met messen en verdwenen door de jungle. Weer volgden ze de zon en leefden van vruchten die ze apen zagen eten. Ze vingen vissen, vogels, bosmuizen en hagedissen, die werden geroosterd, maar de schildpadeieren en dikke gele maden, die onder de boomschors leefden, werden rauw verorberd, want daat zat de meeste proteïne in. En Pau? Ja, die was een goede woudloper. Eenmaal wisten ze een tapir te doden met hun mes, want revolvers hadden ze niet meer, die hadden de wilde vrouwen zonder rechterborst bemachtigd. Zij maakten een vuur en smulde van het dier. Dan hoorden ze dat enkele mannen hen omsingelden. Deze hadden geweren en zagen eruit als jagers, maar zeiden goudzoekers te zijn en hun kamp was dicht in de buurt. Toen de bende zag dat ze een buidel met geld hadden, iets waar de vrouwen totaal geen belang in hadden gesteld, werd hen die afhandig gemaakt. De woeste mannen handelden vreemd: ze gaven een klein deel van het geld terug en de rest was voor de kano die ze hun zonder tegenspraak verkochten. Dus goeie mannen, ja, ook die vond men in de wilde bossen. Ze zeiden dat naar het noorden de stad Manaus lag. Ze brachten Eustaquio en Pau naar een rivier waar de kano zich bevond en zeiden dat ze die rivier moesten opvaren totdat ze de grote Madeira rivier bereikten. Eustaquio vertelde over de barbaarse vrouwenstam, maar de mannen zeiden niets te weten over een dergelijke stam en zouden ze het weten, dat zou het een feest worden. 'Nondesju', schreeuwde er eentje: '... een neukfestein... nondesju!' en hij krabde zich tussen zijn benen en gierde van het brullen. De waarschuwingen van Eustaquio en Pau deerde hen totaal niet en zij zouden de stam zelfs gaan zoeken, al was het alleen al maar voor de neukpartijen. Dus lieten beide mannen het er maar bij. Misschien kwamen ze de vrouwen nog wel tegen en daarom lachten ze mee met de goudzoekersbende.
Op de derde dag, terwijl ze nog steeds geboeid waren met de koorden, sterk als metaal, werden ze door een van de vrouwen bezocht. Pau zag een slanke grote vrouw, die hem omtdeed van zijn boeien en hem wenkte te volgen. Hij kwam terecht in een kleine hut, waar zich een jong meisje bevond, misschien veertien. Haar haren hingen tot haar beginnende uitholling van haar kont. Haar gezicht was als dat van een pop met kleine sproeten en haar ogen groengrijs. Haar kleine borsten leken als verboden vruchten de levens. Ze keek Pau strak aan en ontdeed zich van een klein driehoekig lerenstipje. Ze sprak woorden, die hij weer niet kon plaatsen. De andere vrouw ontklede hem en streelde zijn penis terwijl het jonge meisje ging liggen op een bed van papegaaienveren. Pau keek ontdaan naar de naakte schoonheid, en haar getinte huid zoals hij maar zelden aanschouwde. Ze had een tatoeage van een wolf op haar onderbuik, en rond haar geschoren vagina was een circel van tekens getatoeëerd. De oudere vrouw, misschien vijftig, gebaarde dat hij naast het meisje moest gaan liggen, waarna ze de hut verliet. Pau moest nog ontwaken uit de verrassing voordat hij zich overgaf aan zijn gevoelens en zijn piemel begon te zwellen. De kleine was wild en woest en vibreerde als een cobra onder hem. Nadat hij was klaargekomen sprong ze lenig en zelfingenomen als een kat op, schreeuwde enkele woorden en vertrok. Pau verbluft en na trillend van genot achterlatend. Later vertelde Eustaquio dat hem hetzelfde was overkomen, alleen had hij een mulattin gehad en deze bleek nog vuriger dan wat Pau hem vertelde over de kleine kat met sproetjes. De kleine Mulatta was niet niet veel ouder geweest en had boven op de ouwe zitten draaien en vreemde liedjes gezongen. In haar hand had ze een slang die ze voortdurend kuste en toen hij zijn orgasme bereikte had ze de slangenkop in zijn mond gestopt. Ze sprak een taal van war, kuste zijn voorhoofd, sprong overeind en verliet glimlachend de hut. Eustaquio was nog steeds bang, daar de slan van een soort was geweest dat hij niet kon thuisbrengen, zwart met witte oogjes, alleen het uiteinde van de staart was geelrood. Misschien was ze wel giftig... misschien...
De dagen erop mochten ze doen wat ze wilden, andere vrouwen lieten zich neuken en gaven hun een dikke brijachtige drank te drinken, die hun penis steeds weer deed herleven. Het begon te lijken op een sekshemel, toch de ouwe Eustaquio had zo zijn bedenkingen en werd achterdochtig. Hij had altijd al op zijn intuïtie kunnen rekenen en dit zei hem nu dat er iets bizars aan de hand was in het dorp. Hij zag dat van de pasgeboren kinderen alleen de jongentjes gedood werden, dit door een stoot met een kapmes door het hartje. Hij was er nu zeker van, dit was een vrouwendorp, doch wie waren deze vrouwen? Hoe wist hij niet, maar er was iets dat hem zei dat dit zou eindigen met hun dood. Hij probeerde contact te krijgen met een blonde man die gebrekkig Portugees sprak, en zich Zug-Caro noemde, de fokstier van het dorp. Hij vertelde hem dat hij hier geboren was en zijn vader een avonturier, die ooit de bossen was ingetrokken met een expeditie om goud te zoeken en door de vrouwen werd gevangen genomen. De andere leden van de groep werden geofferd aan de goden en in stukken gesneden, alleen de oude Zona, een Fransman, overleefde. Dit had hij te danken aan zijn geslachtsdrift en magie, waar de vrouwen een bijzondere waardering voor hadden. Die Zona was de blonde man Zug-Caro zijn vader. Deze verklaring was voldoende voor Eustaquio en Pau Indio en zij besloten te vluchten en verdwenen als stille panters. Ze liepen alleen in de nacht en sliepen overdag. Ze verwijderden zich van het vrouwendorp in een traag tempo richting de zinkende zon. Ze moeten drie maanden gelopen hebben en beleefden velen avonturen. Een hiervan is het vermelden waard: dat was de nacht dat ze op een kleine stam stootte, die zich Tapirapé noemden. De mensen waren timide maar nieuwsgierig. Enkele jonge krijgers wilde Eustaquio en Pau meteen doden, daar ze zeiden dat ze ongeluk zouden brengen en spionnen waren van de 'witmannen' die ooit hun dorp naderden. Toen ontstond er een ruzie door onbegrip en de schraapzucht van de blanken, en de stam doodde vier mannen. De anderen vluchten op hoge vreemde dieren met grote wilde koppen en zeiden terug te komen. Doch een oude man dacht anders over Eustaquio en Pau en nodigde hen uit mee te komen naar het kamp. Het was de dag dat enkele jongelingen werden ingewijd tot man en krijger. Ze zouden als vreemdelingen dit moeten meemaken, want zei de oude Indiaan: '... ze zijn gezonden door de geesten...'