

.



oude stenenals ik drijf op de schaduw van heden
en het mij voelbaar ontbreekt aan gerief
maakt het ademen diepe sneden
roept de rust en komt de nacht als een dief
niet dat ik door het sterven ben aangeraakt
of vast de wakken tel voor morgen,
door deze of gene word gelaakt
neen, de ziel is gedwongen verborgen
toch bouw ik op oude stenen
zij vormen het beeld met geduld
om weer iets van de toekomst te lenen
dat nu nog met nevel is omhuld
paradijs
mijn gedachten zijn vaak
door verwachten bevangen
alsof jij of jij nog zal komen
waarom blijft toch mijn ziel
aldoor naar het ideaal verlangen
waarom blijf ik, mens, dromen
wil zo graag vergeten
aldoor wat was
en door mijn verdriet
al vele malen is opgegeten
opdat ik vlucht voor wat is geweest
en mij slechts hoop wil aanmeten?
ik leef de droom van Eden
bron van stromende liefde
het maakt me zwevend in het heden
zie de onmiskenbare schoonheid
kom, ga met me mee
naar de glimlachende blijheid
holle vaten
dit dicht vlak en braak vol ledigheid
kent geen noemenswaardige inhoud
er is zoveel onzinnigs geschreven
dat ik mij daarom van harte onthoud
van scheutigheid door mij bedreven
niet dat ik niets heb te vertellen
oh, je kent me van haver tot gort
vandaag ontzie ik jou te kwellen
heden geen overpeinzing of
nutteloos ongerijmd gedicht
op jouw overdadig besmeurd bord
ik reik jou de doodsaaie verveling aan
vol met nietszeggende woorden
ik dacht nog over mijzelf te praten,
het eeuwig wederkerend fileleed
of de vlieg die ik wilde vermoorden
maar nee, ook dat zijn holle vaten
slaapverwekkend is nu mijn schrijven
nodigt uit tot lege armzalige gedachten
wat heerlijk eens niet te moeten
niets stichtelijks of pijn te verzachten
niet naar rijmend gezeur te smachten
ik ga dan maar, wel op blote voeten
ik en mijn vinger
ik roer mijn vinger
door het schuim
van de cappuccino
dat blijft altijd achter
omdat ik snel de koffie drink
wat ongeduldig,
een onverklaarbare haast
zonde denk ik vaak
dat witte schuim
en lik mijn vingers af
met de cacao nasmaak
wat een genot
eerst slurpen
en dan de rand
van het kopje aftasten
alsof ik
een vrouwenlijf
betast
en gejaagd
verorber
nog een graag
ober
bevangen gevangen
in mijn glazen woning
getralied door geweten
voel ik zo vaak
het verlangen
naar het lichte buiten
alsof ik ben bezeten
door illusie bevangen
waarom verscheurt
buiten en binnen
mijn diepe wens
door liefde gekleurd
is het de verstilde leegte
door stilstaand bloed
tot ijzig verbeurd
ik versterf door de dagen heen
slechts terend op enkele tellen
schrijnend gehouwen
in mijn grafsteen van ooit
wil ik dat nog voelen
dit eeuwig kwellen?
de violist
hij kwam langs,
onverwachts
en toch gehoopt
hij speelde met snaren
van een verborgen viool
wat heeft hem toch genoopt
het klankspel niet voor
zichzelf te bewaren
of een stille plek te zoeken
een verborgen begraafplaats
waar hij voor niemand
en toch allen
een bescheiden triomf
kon boeken
waarom sneed hij mij
door hart en ziel
en deed mijn
wereld bestormen
ik zal de klanken
moeten doven
in stil verdriet
de trillingen dempen
in verdrongen dieptes
van verdorde ranken
denken zal ik slechts
aan het kruisigingsmoment
van een verleden lente
ik zoek dan opnieuw
mijn weg
zomaar, dwalend,
haast dromerig blind
zo ga ik weer binnen
in mijn zwartomrande heg
de kunst van vermetelheid
mijn benen
strek ik
tot op de andere
lege zetel
zo een omzichtige daad
noem ik vermetel
jij zat er eerst
wist me geen raad
als het verlangen sterftik wil zo graag
mijn diepste verlangen
ketenen aan mijn ziel
of strak omarmen
bezingen met
liefdesgezangen
het zegt zoveel
over het aardse lijden
nog meer over
ons menselijk bestaan
we willen de
onontkoombare
eenzaamheid
zo aldoor mijden
ik wil zo graag die
momenten herbeleven,
de tellen van intimiteit,
maar word dan gejaagd
voortgedreven
tracht me vast te klampen
door dromen begeleid
als ik dan de ander vind
die mij kent en begrijpt
zal ik langzaam gaan beseffen
wat mij aan het leven bindt
het gevoel er te mogen zijn
wordt hoe langer hoe meer gerijpt
het verlangen zal dan sterven
om de ware liefde te erven
de glazen stolp