Zaterdag 25 augustus 2007
vrouw aan mijn zijde
ja, wat moet ik van haar zeggen: een vrouw moet ik naast mij neerleggen |
Geschreven door Julius Dreyfsandt zu Schlamm om 09:49
vrouw aan mijn zijdeja, wat moet ik van haar zeggen: een vrouw moet ik naast mij neerleggen |
winterdekenniet alleen de nacht schermt licht af van helder waarnemen waarin dromen mij soms ongevraagd meenemen naar diepe dalen van verwarring ook de dag kent momenten van onzichtbare schaduwen gevoed door gevoelens van verkrachte woorden zij overvallen soms mijn gemoed, zomaar, zonder te schuwen een muur met een zacht fundament is soms door een zuchtende wind om te duwen temeer daar in de winter het glazen plafond door koude is aangeslagen en dichter boven de dode aarde hangt alles is dan zwaarder te dragen het is dan een winterdeken die over mij hangt |
kerstmijmeringonder de oude middeleeuwse toren sta ik even stil als de bejaarde slag het angelus laat horen hij is een roepende over de winterse velden kijkt statig uit zonder dat men hem nog hoort of ziet als hemelse bruid hij draagt slechts een stenen verleden en echoënde psalmen naar verluidt laten we ons nog verwonderen door eenvoud en mystiek ik zou het niet weten: zie zoveel koude mimiek bij de geboorte van ieder mensenkind kan men slechts ervaren hoe de onvoorwaardelijke goddelijke verwachting mag worden bemind |
mijn vaderheden zoveel jaar na dato versteen ik het beeld van mijn vader houw de lagen van zijn persoon tracht zijn wezen te plaatsen in een menselijk kader een postuur van ruimtelijke omvang gevoed door smakelijkheden een zuivere inborst gevormd door haast verborgen verleden gaven deze kleine man met humor en weinig woorden een ongekende kracht: de zachte macht van ervarend voelen in de stilte van het ongezegde soms ook afvragend wat hij zou bedoelen mijn beitel breekt te vroeg zoek nu in mijzelf naar zijn diepte ik kan pas zeggen wie hij was als mij is gegund nog even niet mijn lijf voor het laatst neder te leggen |
sluit de ogen na het lezenin dit moment van eeuwige stilte waar vogels zwijgen en mijn hartslagen zich rustig aan elkander rijgen vertoef ik in tederland met zachte tonen van een fluisterende wind ervaar het warme zand onder mijn blote voeten en valt de rust mij toe verdwijnt al het moeten dit voortschrijdend genoegen van geluk en zaligheid doordrenkt al mijn vezels zonder enig zwoegen wil het delen met allen die mij vinden mij willen zien met mij zich willen verbinden |
wees mijn bruidwees mijn bruid als de avond valt en de zon van mijn ogen neerdaalt in mijn hart wees mijn gade als ik afdaal in de vergankelijkheid van geschapen smart rust je hand op mijn schouder en stuur mij zacht naar beminde wouden waar de ruis van vele zielen mij zullen dragen in voorbijgaande koude wees mijn bruid al is het voor even, een tel van eeuwigheid, streef voorbij wat was niets bleef nog heel draag mij om te weven door het ven van engelen lacht mij de schoonheid toe dan pas, voel ik het grootse dan pas heb ik weet van wat ik verlies wees nog even mijn bruid dat is leven, als ik onomkeerbaar de klokken luid |
de merelals een merel op de zomeravond zijn vreugde fluit doet hij dat zonder omwegen vraagt niet naar de liefde doet slechts wat anders wordt verzwegen hij zingt op zuivere toon hoor mij toch ik heb voor u uw morgen en avond uw gister en heden in mijn lied geborgen |
momenten van evenik zoek nog steeds de diepte van binnen tijden lang verlangen de weg te gaan naar verlichte gezangen op de ontgonnen heide waar een zachte mist de velden bekleedt schampt de wazige zon de wedergeboren aarde zij allen hebben weet van mijn innerlijke waarde ik zoek nog steeds de eeuwige verbinding naar herstellende heelheid verloren in mijn menszijn geschapen breekbaarheid in komen, zijn en gaan wie ben ik nog, zo denk ik in mijn tastbaar bestaan de schittering in je kleine ogen diep en vol vertrouwen heeft mij zonder enig denken eenvoudig naar mijn wezenlijke kern gezogen je hoefde slechts spontaan met je armpjes te wenken ik voelde me even niet door het leven bedrogen |
het is stilin de stilte wordt zichtbaar wat zuiver is ik spreek niet over kilte maar van rust in een woordloos gebaar woelige stromen drijven naar de zee waar ik in de ontluikende kim een groeiend vertrouwen omhoog zie komen in die stilte van rijzend genoegen waar zand en water komen en gaan vertelt mijn ziel dat eb en vloed mij altijd al droegen |
als kringen in de slootik voel mij in de rust van je schoot droom daar tijdloos genieten uitdijend als kringen in de sloot waar ik over schrijf zijn de koesterende blikken en strelende vingers, over mijn vragend lijf ik spreid mijn letters over stille gedachten waan mij even in jouw paradijs wat mag ik meer verwachten op deze herscheppende reis |
éléganceik vier de vreugde van de druiven het zoete feest langs jouw ranken streel bladeren met vingertoppen terwijl een zomerwind getuigt van zuchtende klanken mijn fluwelen deerne plukt de gerijpte vruchten met kwetsbare élégance laat ze mijn mond raken op mijn lippen dansen |
de kunst van revenzonder eenzaamheid op zijn tijd zou ik niet kunnen leven hoe kan ik anders in de storm van al dat lawaai de eigen melodie reven |
de kunst van zingevingik zoek mijzelf met strakke lippen de handen sluiten steeds meer de vingers in behoef ook geen woorden meer uit mijn verbeelding te knippen ik bemin de dode zin |
de kunst van het afscheidvaak een zaak van laten vallen vroeg aangeleerd en getroost met zacht papier waar ik eerst ongevraagd werd neergezet vertoef ik nu spontaan en dagelijks op het toilet |
Du Rainlant Sageut was diep in du poldur
waar sij furscheen nei, ut was geen koldur un mait tur been gehil bloot en fel ovur beein iederu somur
as du son saktu kwam sai tu vorschain alwaor sij du avont paktu int dorrup
nabaigelegu groeidu un grottu freeis sou sij du mannu verlaiju en du klainu kinderu un sortement van weeis? du waiven settu un fal
toen du son ging sakku met aisuru pinnu wildu su da waif pakku achtur un struik gelegu
raaktu sai opgufokt vursot oppun segu as sai indu fal sou wordu gulokt da komt su an
du borstu ontbloot du frouwu begonnu tu schreeiwu wai willu ju doot sij priktu ut aisur in haar laif
jai bentur geweeist maar hoe su ok stake as un wilt beeist du mait paktu du avont su was un schaduwgeeist en gunoot ut meeist ga henu sai du geeist
en ontkleet ju net as mai geein fent sal hier dan komme want bai du meeist blotu staa du keruls in du rai |
het is wat| het is wat zei ik en schraapte mijn keel ja, knikte zij het is al jaren zo dat ik je verveel het is wat zei ik weer de deur viel toe, voor de laatste keer |
alo alo|
alo alo ben je daar nog
ik kijk even om de hoek
zie je zitten
je was een open boek
maar was je nabij vergeten
het beeld was in de verte
danig versleten
je lijkt nog enigszins
als voorheen
de haren wat aangetopt
uiterlijk in een
andere kleur gesopt
wat langzaam zakkende
delen
(die mij voorheen nimmer
deden vervelen)
voor de rest ben je het echt
en tot mijn vreugde
niet meer in een vlecht
gaat het wel met je
je kijkt zo onbestemd
kan ook zijn
dat je mij bent kwijtgeraakt
natuurlijk
daardoor was je al die tijd
moedeloos en geremd
|
een spiegeleen dichter zoekt als het ware zijn eigen lijden hoe anders kan hij zijn zucht naar woorden verklaren of raakt hij ontspoord door zijn eigen werkelijkheid waar een glanzende spiegel hem tot nietigheid verleidt |
eens, ja eenseens, ja eens zal een schrijfsel van mij tot gedicht worden verheven zullen de kassa's rinkelen dan word ik verheven in de rij der groten dan ben ik opgetogen, zo blij dat de heer het heeft beschikt een oogje dicht te doen en mij gelijk te behandelen met een redactionele zoen zal ik dan naast mijn schoenen lopen of nog gewoon normaal doen? ik kan het nog niet weten immers men wil mijn werk in de verste verte niet kopen ik ga door, fier en onverdroten |
ik schenk je gladiolenmocht je denken mijn gedachten zijn slechts gericht de ander te krenken neen, ik getuig; niet elke waarheid hoeft men te gedenken niets van zulk een zwaar gewicht heb ik mijzelf toegedicht gering zijn mijn daden doch ga voor zuivere ideeën op zonneschijn gericht schenk u mijn rode gladiolen, de liefste feeën ja, zomaar mijn idolen zij verzachten de weeën van worstelende criticasters die net als jullie, menselijk, op aarde ronddolen |