werd je bemind?
een kind
groeit in
eigenwaarde
als liefde
zijn weg vindt
was jij het
die het baarde
werd je
echt bemind?
werd je bemind?
een kind
groeit in
eigenwaarde
als liefde
zijn weg vindt
was jij het
die het baarde
werd je
echt bemind?
als lippen zuigen
mijn lippen zuigen
aan jouw vel
en als ik mijn tong
van passie vertel
kreunt het zuchten
van jouw lijf
en ruik ik al
het zwetend vocht
zijn we al
in een hemels verblijf?
ik ben dichter
ik ben dichter
van het eerste uur
nog sterker,
van het eerste kwartier
of twintig minuten
dus niet een noeste werker
of gedreven poëtendier
nee, ik zit en handel
en de woorden,
zo die komen,
gaan met mij aan de wandel
het is niet de romantiek
die u verwacht
van langhaar en snor,
een afgezakte bril
en sacherijnig geknor
het is wat toetsen aanslaan
op het bord
al schijn ik dat wel
met kracht uit te voeren
ja, immers na uiterlijk
een halfuur
moet ik weer voort
spiegelen
dag Hans
zeg ik
en zie mijzelf
in de etalageruit
je oogt niet slecht,
mijn jongen,
voor jouw leeftijd sta je
nog betrekkelijk recht
en zie nog goed
jouw strakke huid
dag Hans
zeg ik
en kijk nog dieper
in mijn ogen
duw haast mijn neus
tegen het raam
zeg ouwe viezerik
kan je het wel zien
ga naar binnen
en koop die blaadjes
over seks en
betaald beminnen
of loop door
maar blijf niet staan
mijn zwijgzaamheidnaarmate de jaren korten en seizoenen vervlakken groeit mijn zwijgzaamheid niet dat aan praten maar iets zou schorten het brengt niet bij voorbaat iemand in verlegenheid nee, als ik enkel kijk met uitnodigende ogen hoeft niets gezegd, of blijft iets verduisterd vaak is het zo dat zelfs beter naar mij wordt geluisterd |
mijn zwijgzaamheid (vervolg)naarmate de jaren korten en seizoenen vervlakken groeit mijn zwijgzaamheid soms schiet praten het doel voorbij er schort iets aan de brug naar de overkant planken vallen in diepten van ijskoude gevoelens onbereikbaar blijkt de waterkant mijn ogen spreken niet meer dof en verduisterd als zij zijn uitzichtloosheid krijst in verstopte oren wie kan in deze stilte de hartslag nog horen |
in deze nachtin deze nacht sluipt de zondag binnen door open deuren hoor ik de echo van de voorbije dag heb niet de wil een nieuw etmaal te beginnen soms is het fijn banden met gister te koesteren zaterdag is nog zo'n warme deken waarom zou ik mij er van losweken |
Gode zij dankook al is mijn nek gekroond met een hoofd het leidde niet tot zuivere rede de schepper had mij dat trouwens ook nooit beloofd Gode zij dank |
in de dood gedoopteen stukje vel van genegenheid is van mijn huid gestroopt naakt sta ik te kijken, andermaal uitgeblust heb moeten wijken voor een vroege doch eeuwige besnijdenis; als in de dood gedoopt |
de fiets met cyclaamzo even en niet onbekwaam passeerde een fiets met cyclaam die het meisje versierde op een omafiets langs banen door parken en lindelanen die mede voorjaar vierden het maakte mijn hart ook vrolijk ben voor toeschouwers dan olijk als een deerne mij belicht ik ben een warme zonnestraal een schijnend vreugdevol verhaal en op iedereen gericht |
vrouw aan mijn zijdeja, wat moet ik van haar zeggen: een vrouw moet ik naast mij neerleggen |
winterdekenniet alleen de nacht schermt licht af van helder waarnemen waarin dromen mij soms ongevraagd meenemen naar diepe dalen van verwarring ook de dag kent momenten van onzichtbare schaduwen gevoed door gevoelens van verkrachte woorden zij overvallen soms mijn gemoed, zomaar, zonder te schuwen een muur met een zacht fundament is soms door een zuchtende wind om te duwen temeer daar in de winter het glazen plafond door koude is aangeslagen en dichter boven de dode aarde hangt alles is dan zwaarder te dragen het is dan een winterdeken die over mij hangt |
kerstmijmeringonder de oude middeleeuwse toren sta ik even stil als de bejaarde slag het angelus laat horen hij is een roepende over de winterse velden kijkt statig uit zonder dat men hem nog hoort of ziet als hemelse bruid hij draagt slechts een stenen verleden en echoënde psalmen naar verluidt laten we ons nog verwonderen door eenvoud en mystiek ik zou het niet weten: zie zoveel koude mimiek bij de geboorte van ieder mensenkind kan men slechts ervaren hoe de onvoorwaardelijke goddelijke verwachting mag worden bemind |
mijn vaderheden zoveel jaar na dato versteen ik het beeld van mijn vader houw de lagen van zijn persoon tracht zijn wezen te plaatsen in een menselijk kader een postuur van ruimtelijke omvang gevoed door smakelijkheden een zuivere inborst gevormd door haast verborgen verleden gaven deze kleine man met humor en weinig woorden een ongekende kracht: de zachte macht van ervarend voelen in de stilte van het ongezegde soms ook afvragend wat hij zou bedoelen mijn beitel breekt te vroeg zoek nu in mijzelf naar zijn diepte ik kan pas zeggen wie hij was als mij is gegund nog even niet mijn lijf voor het laatst neder te leggen |
sluit de ogen na het lezenin dit moment van eeuwige stilte waar vogels zwijgen en mijn hartslagen zich rustig aan elkander rijgen vertoef ik in tederland met zachte tonen van een fluisterende wind ervaar het warme zand onder mijn blote voeten en valt de rust mij toe verdwijnt al het moeten dit voortschrijdend genoegen van geluk en zaligheid doordrenkt al mijn vezels zonder enig zwoegen wil het delen met allen die mij vinden mij willen zien met mij zich willen verbinden |
wees mijn bruidwees mijn bruid als de avond valt en de zon van mijn ogen neerdaalt in mijn hart wees mijn gade als ik afdaal in de vergankelijkheid van geschapen smart rust je hand op mijn schouder en stuur mij zacht naar beminde wouden waar de ruis van vele zielen mij zullen dragen in voorbijgaande koude wees mijn bruid al is het voor even, een tel van eeuwigheid, streef voorbij wat was niets bleef nog heel draag mij om te weven door het ven van engelen lacht mij de schoonheid toe dan pas, voel ik het grootse dan pas heb ik weet van wat ik verlies wees nog even mijn bruid dat is leven, als ik onomkeerbaar de klokken luid |
de merelals een merel op de zomeravond zijn vreugde fluit doet hij dat zonder omwegen vraagt niet naar de liefde doet slechts wat anders wordt verzwegen hij zingt op zuivere toon hoor mij toch ik heb voor u uw morgen en avond uw gister en heden in mijn lied geborgen |
momenten van evenik zoek nog steeds de diepte van binnen tijden lang verlangen de weg te gaan naar verlichte gezangen op de ontgonnen heide waar een zachte mist de velden bekleedt schampt de wazige zon de wedergeboren aarde zij allen hebben weet van mijn innerlijke waarde ik zoek nog steeds de eeuwige verbinding naar herstellende heelheid verloren in mijn menszijn geschapen breekbaarheid in komen, zijn en gaan wie ben ik nog, zo denk ik in mijn tastbaar bestaan de schittering in je kleine ogen diep en vol vertrouwen heeft mij zonder enig denken eenvoudig naar mijn wezenlijke kern gezogen je hoefde slechts spontaan met je armpjes te wenken ik voelde me even niet door het leven bedrogen |
het is stilin de stilte wordt zichtbaar wat zuiver is ik spreek niet over kilte maar van rust in een woordloos gebaar woelige stromen drijven naar de zee waar ik in de ontluikende kim een groeiend vertrouwen omhoog zie komen in die stilte van rijzend genoegen waar zand en water komen en gaan vertelt mijn ziel dat eb en vloed mij altijd al droegen |
als kringen in de slootik voel mij in de rust van je schoot droom daar tijdloos genieten uitdijend als kringen in de sloot waar ik over schrijf zijn de koesterende blikken en strelende vingers, over mijn vragend lijf ik spreid mijn letters over stille gedachten waan mij even in jouw paradijs wat mag ik meer verwachten op deze herscheppende reis |