de kunst van vermetelheid
mijn benen
strek ik
tot op de andere
lege zetel
zo een omzichtige daad
noem ik vermetel
jij zat er eerst
wist me geen raad
de kunst van vermetelheid
mijn benen
strek ik
tot op de andere
lege zetel
zo een omzichtige daad
noem ik vermetel
jij zat er eerst
wist me geen raad
als het verlangen sterftik wil zo graag
mijn diepste verlangen
ketenen aan mijn ziel
of strak omarmen
bezingen met
liefdesgezangen
het zegt zoveel
over het aardse lijden
nog meer over
ons menselijk bestaan
we willen de
onontkoombare
eenzaamheid
zo aldoor mijden
ik wil zo graag die
momenten herbeleven,
de tellen van intimiteit,
maar word dan gejaagd
voortgedreven
tracht me vast te klampen
door dromen begeleid
als ik dan de ander vind
die mij kent en begrijpt
zal ik langzaam gaan beseffen
wat mij aan het leven bindt
het gevoel er te mogen zijn
wordt hoe langer hoe meer gerijpt
het verlangen zal dan sterven
om de ware liefde te erven
de glazen stolp
de blauwe vlinder
hoe lieflijk en licht
gaat mijn blauwe vlinder
zij zweeft fladderend rond
in mijn gedachten
en wappert zachte wind
met haar tere vleugels
langs blad en bloem
wie zal daar niet
stilletjes naar smachten
als ik haar zie
en een glimlach schenk
voelt zij als het ware
de vreugde van een mens
in een stille wenk
verbindt zij wat geluk
in een niet verwoorde wens
met haar sprankelende
wuivende gebaren
licht zij harten op
laat mij voelen
wat niemand echt
kan verklaren
maar liefdevol
tederheid aan
de ander hecht
de wandeling
in een strakke trui
en dito broek
loopt zij mee in het groen
ze heeft een rode blos
en wapperend haar
met een blik in haar ogen
gericht op ver mededogen
nee, ze is hier duidelijk;
een spanning, sterk aanwezig
ik voel me soms een dier
zeker in het groen
ach, je kent mij
ik zou nimmer wat doen
ze is een lopend voetstuk
en kletst al maar door
ik zie haar wel, maar
niet dat ik haar hoor
ze is een engel uit
het maagdenkoor
haar blonde, wilde haren
winden mij erg op
en al dat ander
haar borsten met name
ach alles tezamen
maar ja, ik blijf koen
ik zou nimmer wat doen
o ja, het ging om
de honden
die laten we uit
een ommetje mag het heten
ik was het bijna vergeten
ik ben dan wel oud
maar nog niet versleten
wa ge in me oge lees
hoe kunde gij me kenne
als de deur me hinne zie
ge kunt ut noit witte
ik fuul me dan veugelvrie
nim munne ope hand
zo werm tussen dun oewe
worde ge dan nie overmand
over wie ik zij
bende dan nie angeland
zo wezenluk dichbij
da bin ik
unne mens van flees
heur munne siel roepe
di ben ik
wa ge in mun oge lees
die manne (iegene taole, eigen dichttaal)
su sieje for uut
in dencke versoncke
hie in sorge gesinckt
die bure in gewesend
gelieke unne droncke
sie komme nie frie
um hiere te sijne
skouder am aender
doch nimmer int reine
so goat die daghe
so stille ende vurt
icke fuule die swaore ruste
gelieke er bie heurt
so sie treffe mekaore
met unne seeje geskeide
dele die werlt
umme ut ene te mijde
so dele sie
aol in stille
sie kunne nie anders
sie souwe nie wille
ochtendgloren
het is nog vroeg
als de nacht eindigt en de
uil van het donkere licht
voor mij uit zweeft naar
de blauwe fontein
waar druppels
schitteren in vlagen
van de stervende
maneschijn
door knarsende kiezelstenen
schuifel ik naar de bank
gelegen aan het pad
langs de waterpartij
hier zet ik mij neder
en zie de dag traag
ontvouwen met een
schaduw aan mijn zij
deze plek van eindeloze duur
schept vreugde in een
onnoemelijk ogenblik
hier ontmoet ik de schepping
waar licht en teer ruisen
van de waterstralen
het wonder opnieuw
in mij laten dalen
werd je bemind?
een kind
groeit in
eigenwaarde
als liefde
zijn weg vindt
was jij het
die het baarde
werd je
echt bemind?
als lippen zuigen
mijn lippen zuigen
aan jouw vel
en als ik mijn tong
van passie vertel
kreunt het zuchten
van jouw lijf
en ruik ik al
het zwetend vocht
zijn we al
in een hemels verblijf?
ik ben dichter
ik ben dichter
van het eerste uur
nog sterker,
van het eerste kwartier
of twintig minuten
dus niet een noeste werker
of gedreven poëtendier
nee, ik zit en handel
en de woorden,
zo die komen,
gaan met mij aan de wandel
het is niet de romantiek
die u verwacht
van langhaar en snor,
een afgezakte bril
en sacherijnig geknor
het is wat toetsen aanslaan
op het bord
al schijn ik dat wel
met kracht uit te voeren
ja, immers na uiterlijk
een halfuur
moet ik weer voort
spiegelen
dag Hans
zeg ik
en zie mijzelf
in de etalageruit
je oogt niet slecht,
mijn jongen,
voor jouw leeftijd sta je
nog betrekkelijk recht
en zie nog goed
jouw strakke huid
dag Hans
zeg ik
en kijk nog dieper
in mijn ogen
duw haast mijn neus
tegen het raam
zeg ouwe viezerik
kan je het wel zien
ga naar binnen
en koop die blaadjes
over seks en
betaald beminnen
of loop door
maar blijf niet staan
mijn zwijgzaamheidnaarmate de jaren korten en seizoenen vervlakken groeit mijn zwijgzaamheid niet dat aan praten maar iets zou schorten het brengt niet bij voorbaat iemand in verlegenheid nee, als ik enkel kijk met uitnodigende ogen hoeft niets gezegd, of blijft iets verduisterd vaak is het zo dat zelfs beter naar mij wordt geluisterd |
mijn zwijgzaamheid (vervolg)naarmate de jaren korten en seizoenen vervlakken groeit mijn zwijgzaamheid soms schiet praten het doel voorbij er schort iets aan de brug naar de overkant planken vallen in diepten van ijskoude gevoelens onbereikbaar blijkt de waterkant mijn ogen spreken niet meer dof en verduisterd als zij zijn uitzichtloosheid krijst in verstopte oren wie kan in deze stilte de hartslag nog horen |
in deze nachtin deze nacht sluipt de zondag binnen door open deuren hoor ik de echo van de voorbije dag heb niet de wil een nieuw etmaal te beginnen soms is het fijn banden met gister te koesteren zaterdag is nog zo'n warme deken waarom zou ik mij er van losweken |
Gode zij dankook al is mijn nek gekroond met een hoofd het leidde niet tot zuivere rede de schepper had mij dat trouwens ook nooit beloofd Gode zij dank |
in de dood gedoopteen stukje vel van genegenheid is van mijn huid gestroopt naakt sta ik te kijken, andermaal uitgeblust heb moeten wijken voor een vroege doch eeuwige besnijdenis; als in de dood gedoopt |
de fiets met cyclaamzo even en niet onbekwaam passeerde een fiets met cyclaam die het meisje versierde op een omafiets langs banen door parken en lindelanen die mede voorjaar vierden het maakte mijn hart ook vrolijk ben voor toeschouwers dan olijk als een deerne mij belicht ik ben een warme zonnestraal een schijnend vreugdevol verhaal en op iedereen gericht |
vrouw aan mijn zijdeja, wat moet ik van haar zeggen: een vrouw moet ik naast mij neerleggen |
winterdekenniet alleen de nacht schermt licht af van helder waarnemen waarin dromen mij soms ongevraagd meenemen naar diepe dalen van verwarring ook de dag kent momenten van onzichtbare schaduwen gevoed door gevoelens van verkrachte woorden zij overvallen soms mijn gemoed, zomaar, zonder te schuwen een muur met een zacht fundament is soms door een zuchtende wind om te duwen temeer daar in de winter het glazen plafond door koude is aangeslagen en dichter boven de dode aarde hangt alles is dan zwaarder te dragen het is dan een winterdeken die over mij hangt |