WELKOM OP DEZE WEBSITE GEWIJD AAN ALLE ASPECTEN VAN HET OUDE EGYPTE DER FARAO'S
Een herschikking van het blog is aan de gang om alle delen aanklikbaar te maken vanuit het centrale Inhoudsmenu. Enig geduld wordt op prijs gesteld. Ondertussen kan u nog steeds bij de artikels terecht via de inhoud in rechterkolom |
Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
WOORDENLIJST
A i ii a w b p f m n r h H x X s S k q g t T d D
Milo Ronald
De offerformule

De offerformuleEen tekst die u op vele stelae zult tegenkomen is de offerformule. Hier zitten een drietal stereotiepe uitdrukkingen in waaronder het
![]() De tekst is afkomstig van stela 558 in het British museum. De vertaling van de tekst luidt : een offer dat de koning geeft aan Osiris, heer van Djedoe, de grote god, de heer van Abydos (Abdjoe) opdat hij moge schenken een stem die offers geeft van [die offert in ] brood, bier, ossen, gevogelte, albast en linnen, alle goede en zuivere dingen waarvan een god leeft voor de ka van eerbiedwaardige Keii. We zullen deze uitdrukkingen één voor één onder de loupe nemen. Eerst het Hotep di nesoet ![]() We weten niet precies hoe al deze afkortingen tot stand gekomen zijn maar in het Midden-Rijk was het reeds een gestardaardiseerde formule. Hierachter kwam dan de naam van de God in dit geval Osiris op de schrijfwijze van zijn ![]() Bij deze vorm zien we dat peret heroe steeds geschreven wordt met het brood en bierteken erbij. Zelf wanneer er bij de offergave geen brood of bier aan te pas kwam werd dit nog zo geschreven. Ook kon het zijn dat brood en bier nadien nog eens specifiek werden geschreven. Deze tekengroep was dus tijdens de Twaalfde Dynastie een standaarduitdrukking geworden voor de offergaven zelf en zou vrij vertaald kunnen worden als "rituele offers". Deze zinsnede was toen reeds zo ver ingeburgerd en vastgeroest dat " een offerende stem" of "een stem die offers geeft" soms geschreven werd met eeen determinatief ( een offerbrood ) voor deze offers Zie hieronder. ![]() Wat dit deel van de offerformule betreft kan men direct aanvangen met peret-heroe maar vaak wordt dit zoals in ons voorbeeld voorafgegaan door di=f (opdat hij moge geven). Het is zelfs zo dat men aan het voorkomen of afwezig zijn van di=f de stela kan dateren. Namelijk peret heroe alleen is karakteristiek voor de Elfde Dynastie, in het begin van de Twaalfde Dynastie vindt men beide vormen maar tegen het midden van de Twaalfde dynastie alleen nog de vorm met di=f. Naast brood en bier worden nog andere dingen geofferd en deze zijn ook standaard afgekort. U vindt de uitleg in de figuur hieronder. Vaak wordt ook een aantal ( meest in duizenden) aangegeven door het nummer xA (cha) voor het offer te zetten. Ook de uitdrukking xA m (cha em) duizend van ( letterlijk duizend in)...wordt vaak gebruikt Andere offers zijn nog mrHt (merhet), olie, zalf- snTr(senetjer), wierook - DfAw, (djefaoe) voorraden of meer algemeen Htp of Htpt (hetep, hetepet) offergaven. De schrijfwijze hiervan kunt u weldra vinden een een woordenlijst die we gaan aanleggen van alle tot hiertoe gebruikte woorden. ![]() Voor de Ka van ( voor de ziel van) is de standaard uitdrukking die aanduidt wie de offergaven gaat ontvangen. Meestal volgt hierop nog imAx(w) = imachoe = de "geëerde..." of "eerbiedwaardige..." en dan de naam van de overledene voor wie de offergaven bestemd zijn. Ook aan de stijl van deze formule kan men de stela relatief dateren. In de Elfde Dynastie gebruikte men alleen imachoe en niet en-Ka-en, waarvan het gebruik pas opkomt in het begin van de Twaalfde Dynastie. De combinatie is gebruikelijk tot het midden van deze dynastie tot wanneer men op het eind van de Dynastie imachoe laat vallen om van dan af aan nog alleen en-Ka-en te gebruiken. |
Neferkaseker of Neferkasokar

Neferkaseker
Neferkaseker volgt in de rij van nesoet-biti namen op Neferka in de lijst van Sakkara maar ook van Aaka in de Turijnse kanon. Een andere getuigenis van het bestaan van deze koning vinden we op een zegel warvan men niet juist de oosrsprong kent. Zoals op een gelijkaardig zegel van koning Peribsen ( in Milaan) bevindt de naam zich in een cartouche en is gevolgd door het epitheton " mry ntrw" geliefd door de goden wat maakt dat we niet helemaal zeker zijn of het zegel wel uit de archaïsche periode stamt.
Zegel met cartouche van Neferka seker
Maar als we aannemen dat Sened, Noebnefer, Neferkara, Neferkaseker, Sechemiben Peribsen elkaar hebben opgevolgd dan zou deze cartouche in tijd de tweede zijn die we kennen na de eerder vernoemde van Nefersenedjra op een tichelsteen1
Het bewuste fragment van de papyrus Vindobonensis
De laatste vermelding van Neferkaseker vinden we in een demotische papyrus afkomstig uit de Fajoem en daterend van de tweede eeuw voor Christus2. Het is een traktaat dat handelt over de planning en het bouwen van tempels. De papyrus is sterk beschadigd en fragmentair maar op lijn (8 of X+III) vinden we enkele woorden di door Reymond als n3.w-nfr k3t n snte werden geïnterpreteerd maar M. Smith3 interpreteert deze zin als N3.w-nfr-k3-skr en dus de naam van deze koning. Wat er hier precies bedoeld wordt en waarover het handelt kan men door de fragmentaire staat van de papyrus niet uitmaken maar de auteur veronderstelt dat het zou kunnen gaan om een project dat geïnspireerd was op een gebouw van Nefrakaseker. We weten bv, dat Thoetmosis III te Dendera4 een project had aangevat geïnspireerd op plannen uit de tijd van Pepi I en Choefoe (Cheops). De koning die in deze papyrus bouwheer is noemt 'Ahmes' (we kennen er twee één uit de Achtiende Dynastie en één uit de Zesentwintigste Dynastie) 5
Eigentijdse inscripties, op misschien deze van het hoger genoemde rolzegel na, ontbreken. Geen privaat of koninklijk graf met inscripties van deze koning werd ooit gevonden..
Algemen besluit bij deze drie koningen:Noebnefer, Neferka en Neferkasoker6
Het is niet de eerste maal (en ook niet de laatste) dat grote vernieuwingen op godsdienstig, artistiek of architecturaal vlak hun oorsprong vinden in kritische perioden van de Oude Egyptische geschiedenis. Het midden van de Tweede Dynastie en haar weinig gekende koningen schijnt de bakermat geweest te zijn voor nieuwe religieuze denkbeelden zoals de cartouches en Seth naam( waarover later meer ) van de koning aantonen. In deze naam vinden we ook de eerste vermelding van de valkgod Sokar (Seker), alhoewel zijn bark waarschijnlijk al te zien is op de etiketplaatjes van de Eerste Dynastie en in een rotsinscriptie van de Wadi Fawakhir7
De naam Sesochris bij Manetho is niet te relateren met Neferkaseker. Het is een vergissing of de naam heeft betrekking op een andere koning.
1.Orientalia 57 p.300).
2.Papyrus Vindobonensis (Wenen ) D6319.
3.M.Smith, 1980, J.E.A. 66, p.173-4
4.H.G. Fischer, "Dendera" p. 44 vgl.
5.J.F. Quack, 2003, "Die Rolle des heiligen Tieres im Buch vom Tempel", IBAES IV, , p. 112).
6.F.Raffaele website
7. T. Wilkinson, 1999 "Early Dynastic Egypt", p. 170. Deze wadi ligt ongeveer 20 km ten oosten van de Wadi Hammamat site 5 graffito toegeschreven aan Nebra.
Neferkara

Neferkara
Neferkara is de tweede koningsnaam die alleen bekend is uit de latere lijsten. Gardiner vertaalde de naam zolas hij voorkomt op de Turijnse papyrus II,25 tals Aaka. In een nota bij zijn publicatie van de papyrus beweerde hij dat er het het teken O29, dat als aA getranslitereerd wordt, staat en niet het teken F35 (nfr). Beide tekens alhoewel alle twee verticaal zijn nochtans moeilijk door elkaar te halen daar het nfr teken toch steeds op een circel onderaan eindigt (Moller's palaeography). Staan we hier voor een vergissing van de schrijver van de papyrus ? De lezing 'Nfrka' echter past goed bij de naam Neferkara die op de Sakkara lijst na Sened komt.
Neferka (?) and Neferkaseker op de Payrus van Turijn(II,25 and III,1 -Gardiner's transliteratie, 1959

In zijn reconstructie van 1981 van de Annalensteen gaat W.Barta voorbij aan Gardiners lezing 'Aaka) en beschouwd Nefrekara en neferka als identiek.
Koningslijst van Sakkara nr.8 en 9 : Neferkara and Neferkaseker
Neferkara wordt zoals gezegd vermeld op de lijst van Sakkara als de achtstre koning na Sened en voor Neferkaseker. De naam vinden we verder niet terug tenzij op het einde van het Oude Rijk met Pepi II en zijn opvolgers. De samenstelling van de naam volgens het X+Y+Ra patroon is altijd beschouwd geweest al zijnde in de mode op het einde van het Oude Rijk . Anderzijds vinden we in de reeds vernoemde Nefer-senedj-ra, gevonden op een tichelsteen 2rond de tombe van Ni-netjer te Sakkara dezelfde constructie terug en deze moet zeker uit de Tweede Dynastie stammen. De mogelijkheid echter dat we in het geval van Neferkara met een misinterpretatie of een uitvinding van de schrijver uit het Nieuwe Rijk te doen hebben moet niet zomaar overboord gegooid worden. Manetho's Nepherkheres is vrijwel zeker gelinkt aan deze naam.
1. Barta, " Die Chronologie des 1. bis 5. Dynastie nach angaben des rekonstruierten Annalenstens' in Z.Ä.S. 108, 1981 p. 11 ff en p. 19.2. Orientalia 57, 1988 p. 330
Noebnefer

Noebnefer
Samen met Neferkara en Neferseker behoort Noebnefer tot de minst bekende koningen van de Tweede Dynastie. Al deze namen zijn enkel gekend uit inscripties uit de necropool van Sakkara. Zoals we reeds onder Sened hebben besproken kunnen deze koningen gelijktijdig met Sechemib, Peribsen en Chasechem hebben geregeerd maar dan in Neder-Egypte. Meer waarschijnlijk echter regeerden ze in de 5 tot 10 jaar voor de zogenaamde lacune (hudjefa) die we terugvinden op de lijst van Sakkara en de Turijnse koningslijst. Na deze lacuna zouden dan Sechemhib en Peribsen hebben geregeerd. Belangrijk om te vermelden is wel dat de namen van al deze vorsten vermeld worden voor de lacune. De periode na hun regering moet dan obligaat nog duisterder geweest zijn.
Een andere hypothese echter laat vermoeden dat de beide lijsten de regering van Peribsen als deze lacune zouden laten voorkomen . Een beetje als een "damnatio memoriae (=vervloeking van de herinnering aan zijn naam)" door de schrijvers die in hun tijdperk ( we zullen zien dat dit niet zo was in de archaïsche periode) Peribsen en zijn religieuze hervormingen aanzagen als een ketter.
Volgens Manetho is Chaires, die zeventien jaar regeerde, de zesde koning van de tweede dynastie. Volgens de Turijnse koningslijst werd Sened opgevolgd door Neterka en hoewel deze op de lijsten van Abydos niet wordt vermeld is het mogelijk dat Net(f)erka en Chaires dezelfde persoon zijn. 1. De regeringsperiodelbij Manetho lijkt mij dan wel wat overdreven.
Men associëert Chaires van Manetho2 allen maar met Nwbnefer omdat dit de beste manier is om de volgende koningen bij Manetho n.m.l. Nephercheres and Sesochris te laten overeenkomen met Neferkara en Neferkaseker. Chaires kan echter wel mogelijks gelinkt worden aan een mysterieuze Kara, bekend van een zegel afkomstig uit El Kab3. Maar tenzij er ergens een fout in de lezing van de naam is opgetreden kan Chaires op geen enkele manier teruggebracht tot of afgeleid worden uit Nwbnefer.
De naam Noebnefer komt slechts voor op twee inscripties op de befaamde vazen uit het Djoser complex 4 te Sakkara waar we het reeds herhaaldelijk over gehad hebben. De eerste vaas komt uit de oostelijke gallerijen onder de pyramide en de tweede uit de put in het zuidelijke schatkamer.
Onder de nesoet biti tekens onderscheidt men duidelijk de gouden halsketting die staat voor nwb en het teken nfr.In het hwt (=paleis of tempel) teken merken we binnen duidelijk het bordspelteken Mn, gevolgd door t en een archaïsche vorm van het anch teken. Leesrichting:van rechts naar links en van boven naar onder. |
Beide inscripties zijn gegraveerde inscripties. Ze spreken beide over een paleis met naam "Hwt Mnt-'Anch Nswt-biti Nwbnefer" 5. Op de inscriptie Lacau en Lauer IV nr. 98 wordt hetzelfde gebouw Mnt-'Ankh in verband gebracht met de Gouden naam ( Rn) van Ni-Netjer. Noebnefer kan echter niet de nesoet-biti naam van Ni-Netjer zijn daar we deze kennen ( het is eveneens Ni-Netjer)6
B. Gunn 7 vraagt zich af of Nwbnfr niet de nesoet-biti naam van Nebra zou kunnen zijn ? Dit kan wel juist zijn want vrijwel geen enkele inscriptie op de stenen vazen vermeldt de naam Nebra. En de nesoet-biti naam van Horus Nebra is niet gekend en Noebnefer is dus wel kandidaat. Dit zou ook perfect passen bij de opmerking van W.Helck dat Ni-Netjer's en Noebnefer's regeringen in tijd weinig uit elkaar zouden hebben gelegen. Uit een aantal associaties kan inderdaad worden afgeleid dat Ni-Netjer en Noebnefer vrijwel contemporain waren8In dit geval zou Ni-Netjer de directe opvolger van Nebra (noebnefer) zijn.
Wat betreft de periode waarin Noebnefer zou hebben geregeerd postuleert W. Helck (op.cit) in zijn studie over de chronologie van de inscripties op de vazen in het Djoser's complex dat Nwbnefer in tijd dicht bij Ni-Netjer stond en mogelijks de derde in rij was na Oeneg en Sened.
P. Kaplony 9plaatst Noebnefer tussen Oeneg en Sened.
We zullen bij de volgende koning verder onderzoeken of Noebnefer dezelfde persoon kan zijn als Neferkara en Neferkaseker (beide ook nesoet-biti namen). Noebnefer wordt verder nergens genoemd in latere periodes. Deze koning kan slechts een paar jaar of misschien zelfs maar een paar maand hebben geregeerd . Er is overigens geen enkel monument noch koninklijk noch privaat gevonden waarop zijn naam bewaard bleef buiten hogergenoemde vazen.
1. W.Emery, 1963, " Het Oudste Egypte" p. 83
2. Dautzenberg in G.M. 94
3. Petrie 'Scarabs and Cylinders' pl. VIII; id. 'History' 7.ed p.26
4. Lacau en Lauer 1959. " Pyramide а Degrés IV Inscriptions gravées sur les vases", pl VI.3-4 (nos 99-100)
5. Kaplony leest de naam als 'Nfr-nb' i.p.v. Nwbnfr
6. T.Wilkinson 1999, Early Dynastic Egypt p.89
7.B.Gunn A.S.A.E.28
8. W.Helck 1979. "Die Datierung der Gefässaufschriften der Djoserpyramide", ZДS 106, p.124
9. P. Kaplony, 1965 "Bemerkungen zu einigen Stengefässe mit archaischen Königsnamenn M.D.A.I.K. 20, p.1-46

Sened (Senedi)
NAAM EN INSCRIPTIES

De nesoet-biti nam Sened is zowel aanwezig op de koningslijst van Sakkara (in het graf van Tjoeloi), de lijst van Abydos in de tempel van Seti I als op de Koninklijke Papyrus van Turijn(cat.1874) en dit steeds als vijfde koning1 van de Tweede Dynastie. Hij volgde zoals deze documenten aantonen Oeneg(Oeadjnes) op. Over zijn opvolger bestaat er minder overeenkomst want respectievelijk Neferkara, Djadjatepi (Chasechemoei) en Aaka worden in deze lijsten als dusdanig vernoemd.
Ongelukkig genoeg zijn er geen goed bewezen eigentijdse bronnen voor deze koning. De meest overtuigende inscriptie is nog deze gevonden in de tempel van Chafra te Gizeh2. Het handelt om een hergebruikte schaal waarop "nswt-biti Snd" voorkomt. Het is mogelijk dat het handelt om een vaas uit de Tweede Dynastie alhoewel de epigrafie wijst op een lichtjes latere datum3(Derde Dynastie ?).
Valse deur uit het graf van Sheri.Foto John D. Degreef, Caпro 1384
Een inscriptie4 in het graf van Sheri (Mastaba MM B3), onbetwistbaar uit de Vierde Dynastie,13 toont een cartouche van koning Sened (zie figuur hierboven ). De titels van Sheri wijzen er dus op dat zijn begrafenis cultus te Sakkara werd gevierd en dat men zich deze koning nog herinnerde een hondertal jaar na zijn dood. De titels van Sheri zullen worden vertaald aan het eind van dit artikel5.
Voor sommigen6 getuigen Sheri's titels voor een connectie tussen de begrafeniscultussen van Sened en Peribsen. Van deze laatste zijn alleen vondsten in Opper-Egypte bekend. Indien Sened in het zuiden zou hebben geregeerd en Peribsen in het noorden kan het naast elkaar vieren te Sakkara van hun begrafeniscultus betekenen dat, althans in het begin, de territoriale verdeling van het rijk zoals voorgesteld na de dood van Ni-Netjer op een vreedzame basis werd doorgevoerd7. Het feit alleen dat er een opzichter van de Oeab-priesters van Peribsen bestond in de necropool van Sakkara tijdens de Vierde Dynastie vertelt heel wat over ons gebrek aan kennis over de koningen van de Tweede Dynastie.
Volgens andere geleerden zouden deze titels er eerder op wijzen dat beide namen Sened en Peribsen slechts ййn persoon aan duiden 8. De naam Snd die zou betekenen de "Verschrikkelijke", zou dan een pejoratieve naam zijn die men in het Nieuwe Rijk aan deze "ketterse" koning Peribsen heeft gegeven. De naam wordt echter beter vertaald als "Hij die vrees aanjaagt" en de koningen blijken duidelijk niet identiek te zijn. Immers een cartouche van Peribsen op een cilinderzegel in Milaan toont aan dat de nesoet-biti van Seth-Peribsen eveneens Peribsen en zeker niet Sened is9. Daarnaast zie ik niet goed in hoe de naam Sened pas in het Nieuwe Rijk zou zijn gegeven aan Peribsen terwijl beide namen reeds voorkomen op de valse deur in Sjeri's graf ( daterend uit de Vierde Dynastie). Bovendien is er een groot verschil in de afkomst van de bronnen van Peribsen en Chasechemoei en deze van de vijf eerste koningen van de Tweede Dynastie.
Een ander document uit het Nieuwe Rijk dat nog de nesoet-biti van Sened vernoemt is de Berlijnse Medische Papyrus (3038), die qua inhoud trouwens sterk gelijkt op de papyrus avn Ebers. Van deze papyrus wordt gezegd (15,1 1-3) dat hij behoorde aan koning Hspti (of Chasti / Zemti = Den uit de Eerste Dyn.) die hem zou gegeven hebben aan zijn opvolger Send (dit is historisch onmogelijk want op zijn minst 7 koningen zouden gedurende ongever 120 jaar tussen beide hebben geregeerd). De naam Sened wordt hier met het hiлroglief Gard. G 54 (geslachte gans) geschreven10.
Cartouche op riem van Berlijns brons 8433 cfr voetnoot 4 Wildung tav 4,1
Op de rugzijde van de riem van een bronzen beeldje (Berlijn n° 8433) uit de periode van de Zesentwintigste Dynsatie staat eveneens in een cartouche de naam van Sened. De naam is geschreven op de archaпsche wijze met drie tekens (s-n-d). In elk geval bewijst dit dat hoe obscuur Sened ook moge wezen voor de moderne Egyptologie men zich zijn naam nog eeuwen na zijn dood herinnerde.11
Vanuit de area van Ni-Netjer's gallerijen te Sakkara kent men een tichelsteen12met de cartouche naam van koning NeferSenedjRa. Dit is een aanduiding van de aanwezigheid van een offerschrijn of zelfs van het graf van deze koning in de nabijheid. Indien deze cartouche werkelijk op Sened zou duiden dan is het de oudst gekende cartouche naam die men kent en dus ouder dan deze op de zegels van Neferkaseker, Peribsen uit de Tweede en Nebka en Hoeni-Nisoeteh uit De Derde Dynastie.
Sened kent men, net als zijn voorganger, slechts uit vondsten van Neder-Egypte (PM V, 90 die Sheri te Abydos localiseert is duidelijk een vergissing) en ook evenals zijn voorganger Oeneg is er maar ййn graf te Sakkara S 3014 (niet gepubliceerd maar blijkbaar uit de tijd van Oeneg) waar materiaal betreffende deze koning gevonden werd.
HET GRAF
De tombe van Sened is nog niet gevonden maar gezien de inscripties op de valse deur in het graf van Sheri13 moet het ergens in de necropool van Sakkara en mogelijks in de buurt van Sjeri's graf gezocht gezocht worden. Wel werd er, zonder overigens over duidelijke bewijzen te beschikken geopperd dat de gallerijen onder het westelijk massief van het Djoser complex hiervoor in aanmerking zouden komen
De exacte plaats van Mastaba B3 te Sakkara is echter verloren maar het moet ongeveer in de omgeving van een plaats een 350 m (tot hoogstens 1500m )14 ten noorden van Djoser temenos geweest zijn waar zich nog andere graven uit de Vierde Dynastie bevindenen zoals Leps. 6 van Metjen.
Een alternatieve locatie is in de necropolis van het Nieuwe Rijk, waar Horemheb's graf gelegen is (ten zuiden van de gallerijen A en B (graven van Hetepsechemwoei en Ni-Netjer)en ten oosten van het Sechemhet complex. Begin 2002 werd hier door Dr. Raven en R.Van Walsem15 van de Universiteit van Leiden een graf en gallerijen ontdekt behorende aan Merineith-Merira (een hogepriester van Aton te Memfis en Achetaton -tijdens de regering van de ketterse farao Achnaton uit de Achtiende Dynastie). Het ondergrondse deel bleek bijna geheel te bestaan uit herbuikte delen daterende uit de Tweede Dynastie ( we komen hier later op terug). Maar tot nader order zijn de graven van Sened en Oeneg voorlopig nog niet gelocaliseerd.16
Delen van de muurreliлfs van de door Mariette 17 ontdekte Mastaba B3 van Sheri in Sakkara zijn verspreid over musea in de ganse wereld 18 : Cairo(1384), Florence (2554), London (B.M.1192), Oxford (Ashm.Mus. 794), Aix en Provence en een copij, naar het origineel in Caпro, van de valse deur in de Museo archeologico Napoli19.
De laatste koningen van de Tweede Dynastie (Sechemib, Peribsen en Chasechemoei) zijn slechts vaag bekend te Sakkara (maar dit kan natuurlijk louter het gevolg van een "archeologisch toeval" zijn of meer waarschijnlijk te wijten aan de aanwezigheid van de uitgebreide bouwwerken van de Derde Dynastie die bij hun aanleg deze van de voorgaande dynsatie zouden vernietigd hebben ). Er bestaat dus nog een kleine kans dat nog vondsten van deze koningen te Sakkara worden gedaan. Minder waarschijnlijk is het daarentegen dat er te Abydos nog vondsten van de alleen in het noorden bekende fara's worden gedaan.
Er is misschien een kleine kans dat Peribsen, Sened heeft opgevolgd 20 maar dan kunnen we Neferkara-Aaka, Neferkaseker, Sechemib-Perenmaat niet meer plaatsen in deze dynastie. Een interval van 10-20 jaar tussen beide koningen is in elk geval beter aanvaardbaar. Dan kunnen we in deze periode te Memfis Neferkara-Aaka, Neferkaseker, laten regeren en te Abydos Sechemib waarna dan Peribsen dan op de troon komt.
Het voorkomen van hun cultusgoed dicht bij elkaar te Sakkara schijnt niet te wijzen op een breuk of burgeroorlog. Volgens F.Raffaele was er tijdens deze periode alleen maar een crisis ( zoals in de Derde en Vierde Dynastie ook voorkomt) spruitende uit moeilijkheden bij de opvolging, korte regeringen en economische en omgevingsfactoren en misschien de religieuze hervormingen van Peribsen, wat zich dan uit in een zwakke centrale autoriteit en een relatieve schaarsheid van de bronnen.Maar catastrofes of buitengewone gebeurtenissen dat niet.
In een artikel van 1979 21(Z.A.S. 106 p. 120-32) bespreekt W. Helck de chronologie van de inscripties op de stenen vazen gepubliceerd door Lacau-Lauer in hun studie van het Djoser complex. Hij besluit dat Ni-Netjer opgevolgd werd door Peribsen,Sechemib en Chasechem in Opper-Egypte en ongeveer gelijktijdig met voornoemden en in vrede met hen levend door Oeneg , Sened , Noebnefer en mogelijks een tweetal ander koningen in Neder-Egypte. Het zou dan Chasechemi zijn die beide rijken terug verenigde. De titels van Sjeri zouden dan niet alleen aantonen dat Sened en Peribsen twee verschillende koningen waren en ze zouden tevens geen argumenten aanbrengen om aan te nemen dat Peribsen ook in Neder-Egypte had geregeerd maar wel dat beide rijken op goede voet met elkaar stonden (enige moeilijkheden later in de dynastie daar gelaten).
P. Kaplony geeft in een studie over stenen vazen 22 een lijst van voorkomen van opschriften van de koningen na Ni-Netjer in volgende volgorde: Wng (10) Nfr-nb (2), Snd (1), Prj-ib-sn (2), Schm-ib /Prj-n-maat (10), Chaj-sechemwy (11). Wat opvalt is de posities die hij toeschrijft aan Nfr-nb (Noebnefer) en Sechemib-Perenmaat . Daarnaast blijkt hieruit dat het opschrift op de vaas ( met uitsluiting van de Nefersenedjra tichelsteen) de enige getuige is voor het bestaan van Sened darterend uit zijn eigen tijd.
Wildung 23 besluit de paragraaf handelend over dit onderwerp aldus :" in ihm (Seth - Peribsen) nicht einen selbstandigen Herrscher zu sehen,sondern einen lokal gebundenen Aspekt des zusammen mit ihm in den Inschriften genannten Snd, der uns unter diesem Namen noch mehrfach in der spatern Uberlieferung begegnen wird ".
BESLUIT
Met de huidige kennis van zaken moeten we helaas besluiten dat men niet met zekerheid kan zeggen of Sened en Peribsen:- twee verschillende koningen waren die onmiddellijk na elkaar regeerden. Grdseloff 24 stelt zelfs een vader zoon relatie voor.
- twee verschillende koningen waren wiens regeringen ongeveer 5 tot 20 jaar uit elkaar lagen met enkele korte regeringen er tussenin.
- twee verschillende koningen waren die gelijktijdig min of meer in vrede naast elkaar regerden te in Neder- en Opper-Egypte.
- ze slechts twee aspekten vormden van een koning waarbij Snd de naam van de koning in Neder-Egypte en Peribsen de Seth (=Horus) naam was van deze koning in Opper-Egypte. Deze laatste hypothese is echter de minst waarschijnlijke want zowel de titels van Sjeri als de cartouche met de nesoet-biti naam van Peribsen , eveneeens Peribsen op het cylinderzegel van Milaan (Milan Civ. Racc. R.a.n. 997.02.01) spreken deze theorie tegen.
De reconstructies van de Analensteen laten voor de periode tussen de dood van Ni-Netjer en de troonsbestijging van Chasechem plaats voor een veertigtal jaar. Persoonlijk ben ik eerder geneigd te geloven dat een dergelijke periode beter past bij een reeks koningen die elkaar opvolgen dan bij een gelijktijdige reeks in Opper- en NederEgypte waarbij Sened en Peribsen twee verschillende koningen zouden zijn die mekaar niet direct zijn opgevolgd. Dit blijft uiteraard een hypothese.
De tekst op de valse deur van sheri

Tracht op zijn minst al de cartouches te vertalen morgen geef ik de transliteratie en overmorgen de vertaling

Hieronder de transliteratie van de tekst. Let er op dat de cartouche van Peribseb vooraan werd gezet uit eerbied. Deze van Sened staat op zijn plaats in de bovenste zin maar eveneens vooraan in de twee andere. Sjeri bij alle zinnen helemaal achteraan is de naam van de ambtenaar.

Vertaling :
- Zin 1. De opzichter van de Oeab-priesters van Peribsen in de necropool van Sened in het paleis, en in al de plaatsen van hem ( van zijn cultus) de meester van de dingen vn de koning ( de verantwoordelijke voor de koninklijke zaken ) Sjeri.
- Zin 2.De opzichter (directeur) van de begrafenispriesters van Sened in de necropool, Sjeri
- Zin 3.Priester van Sened in zijn graf, meester van het dak (?), Sjeri
- Zin 1. De opzichter van de Oeab-priesters van Peribsen in de necropool van Sened in het paleis, en in al de plaatsen van hem ( van zijn cultus) de meester van de dingen vn de koning ( de verantwoordelijke voor de koninklijke zaken ) Sjeri.
1.W.Helck, 1984 "Sened", LÄ:849<br>
2.Steindorff in U. Hцlscher 1912:"Das Grabendenkmal des Königs Chephren", p.106.<br>
3.T.Wilkinson,1999, "Early Dynastic Egypt", p.88<br>
4.B.Grdseloff 1944, "Notes d'épigraphie archaïпque", ASAE 44:294;D. Wildung 1969," Die Rolle Ägyptischer Könige im Bewusstsein ihrer Nachwelt", MДS, pl.III.2;W. Kaiser, 1991, "Zur Nennung von Sened und Peribsen in Sakkara B3", GM 122:49-55
5.F.Raffaele website
6.T Wilkinson, 1999, op.cit. p 88<br>
7.W.Helck, "Die Datierung der Gefässaufschriften der Djoserpyramide", ZДS 106: p.132<br>
8.Barta, 1981,"Die Chronologie der 1. bis 5. Dynastie nach Angaben des reconstruierten Annalensteins, Z.Д.S. 108,p. 23-33.
9.Seth-Peribsen moet één tot vier regeringen en zowat 10 tot 20 jaar later hebben geregeerd dan Sened.<br>
10.D. Wildung 1969, op. cit. p. 45-51<br>
11.D. Wildung 1969, op cit. p.51, tav. IV,1; p. 45-51 <br>
12.Orientalia 57, 1988 p. 330<br>
13. W.S. Smith "A History of Eg. Sculpture and Painting in the Old Kingdom' p.173' ;W.S.Smith 'A History of Egyptian Sculpture and Painting in the Old Kingdom' p.173" plaats de datering van Sjeri tussen het midden en het einde van de Vierde Dynastie. Helck dateert de mastaba van Sjeri tijdens de regering van Khafra (Khefren); cfr. i.e. id. in M.D.A.I.K. 15, 1957 p. 93 . Hij werd daarin gevolgd door Weill in "La IIe et la IIIe dynasties" 1908 p. 35, 333 en A.Moret "Fragments du Mastaba de Shery, prêtre des Rois Peribsen et Send' Fondation Piot 25, Paris 1922 ;p. 298 <br>
14.A.Dodson, 1996, "The mysterious 2nd Dynastie", KMT 7:2 p.24<br>
15.R. Van Walsem, Phoenix 47, 1/2 2001 p. 68-89<br>
16. Voor de localisatie van zijn graf houde men in het achterhoofd
<ol><LI>Dat Sjeri de begrafenis-cultus van Sened leidde wat ons laat vermoeden dat zijn graf zich te Sakkara bevindt (cf. Kaiser, in: GM 122, 1991)<LI> Oeneg moet een figuur van belang zijn geweest tijdens de regering van Ni-Netjer (misschien zelfs zijn zoon) en dit des te meer als hij blijkt identiek te zijn met Oer-Maaoe Oeadj-sen, bekend van de inkt-inscripties op stenen vazen gevonden in het Djoser complex. Het zou dan logisch zijn dat hij zijn graf zo dicht mogelijk bij dit van zijn beroemde voorganger zou laten oprichten. <LI> De hoegergenoemde tichelsteen met de cartouche van Nefer-Sened-Ra (en die zowel uit de archaпsche periode als uit de tijd van de Ramsessiden kan stammen) zou er in het eerste geval op wijzen dat het graf van Sened ( die in dit geval vrijwel zeker identiek is met Nefer-Sened-Ra) niet ver uit de buurt van de vindplaats moet liggen. Het artikel in Orientalia 57, 1988 p.330 specifieert echter niet de exacte schrijwijze van de naam Nefer-Senedj-Ra.<br></OL>
17. A.Mariette 'Les Mastabas des l' Ancient Empire' 1889 p. 92-4; <br>
18. Moret,1922, op. cit. wijdt een ganse studie aan al deze stukken; Wildung 1969 op. cit. p.47 n4.<br>
19.F.Raffaele op zijn website <br>
20. Zoals gesugereerd door Grdseloff 1944, op.cit. 294<br>
21. W.Helck 1979, Z.Ä.S. 106 p. 132 <br>
22. P. Kaplony, 1965 , "Bemerkungen zu einigen Steingefässe mit archaischen Königsnamen, M.D.A.I.K. 20 , 1965 p. 1 -46<br>
23. D.Wildung ,1969, op.cit. p. 48<br>
24. B.Grdseloff, 1944, op. cit. p 294<br>
25. Verder nog W.Kaiser 'Zur Nennung von Sened und Peribsen in Sakkara B3' G.M 122, 1991 p. 49-55; W.Helck 'Thinitenzeit' p. 103-6; Vercoutter 'L'Egypte et la Vallee du Nil' t. I.
BA

Enkele bA-woordenWe gaven reeds eerder in deze rubriek een aantal woorden die met kA , de ziel begonnen. Nu geven we een aantal woorden die met bA een ander aspect van de ziel uitdrukt maar dat we voor het gemak ook met ziel zullen vertalen. Op de eerst regel zien we hoe de ziel zelf geschreven wordt met het bA teken dat een jabiroe voorstelt een soort kraanvogel, om zeer precies te zijn de ephipiorhynchus senegalensis. Als ideogram dus met een streepje achter wordt het teken dus gebruikt om de ziel uit te drukken. Een variant is zonder ideogram streepje maar met een wierookvatje voor. Dit zegt ook wat het dient te zeggen en nog een andere variant toont een vogel met een mensenhoofd wat ook een ( maar eerder de pictografische dan de klankvoorstellende) afbeelding van het "ba" aspect van de ziel was. Hier is dan zowel het wierookvatje als ideogramteken bij aangebracht. Op de tweede regel gaat het om een meervoud met toch een wat bijzondere betekenis. Het wordt geschreven met drie jabiroevogels wat dus een gewone vorm van meervoud of met op het eind de meervoudsstreepjes. Verder is het woord identiek aan de laatste vorm van het enkelvoud maar komt er als determinatief of als ideogram een zittende koning bij. Het translitereert als bAw= baoe = en betekent de zielen van de overleden koningen van .....en wordt dan meestal gevolgd door de naam van een stad Ioenoe of Ion, Heliopolis bv. Op de derde rij staat het werkwoord " zijn", " een ziel bezitten". Ik bezit een ziel dus ik ben. Descartes was dus niet de eerste met zijn "cogito ergo sum" ( ik denk dus ik ben) ![]() Op de derde rij zien we dat "er zijn" voor de doorsnee Egyptenaar "werken" betekende vandaar bAk=werken met als determinatief een arm met de stok van de opzichter die zal slaan als het werk niet snel genoeg vordert . Verder de zelfstandigen naamwoorden bAK= dienaar , hij die werkt en met de vrouwelijke uitgang "t" erbij de dienares. Het geslacht kan ook afgelezen uit het determinatief man of vrouw aan het eind van het woord. Op de volgende twee regels zijn het been (b) en de gier (A), fonetische complementen voor ba= luipaardhuid. Het stukje staart en huid staat hier als determinatief. Voor de penis of bAH is het orgaan zelf in volle werking determinatief de bAH staat zo (mede) aan de oorsprong van het ba of het zijn. Er moet gewerkt worden voor er een nieuwe ziel of zijn aangemaakt wordt. Voegen we de bA-deel van de ziel (met het been (b) als fonetisch complement vooraan) bij het kA-deel van de ziel dan breekt er na de nacht ( ster als determinatief voor de tijd) een nieuwe morgen aan want BAkA betekent zowel "morgen" als de "morgen" Tenslotte nog een woordspeling als we in het Nederlands bakbak doen dan bakken we in het Egyptisch een cake. Het korreltje staat hier als determinatief wellicht als graankorreltje met het meervoud erbij om aan te duiden dat een cake uit veel korreltjes graan gemaakt wordt.Ik had wel graag eens geweten of jullie deze reeksen zinvol vinden. Mij lijkt het een aangname manier om wat woordenschat op te bouwen. Maar wat denken jullie daarvan. Ik heb nog nooit antwoord gekregen op mijn vragen maar ik blijf hopen. |
OENEG

OENEGMen vermoedt, zoals hoger reeds werd aangegeven, dat er op het einde van Ni-Netjers regering een verzwakking van het centrale gezag is opgetreden met als gevolg een periode van troebelen, die pas een einde nam tegen het eind van de Tweede Dynastie. Het is zelfs niet onmogelijk dat het land uit elkaar viel en dat de nu volgende koningen niet over het ganse land heersten. Dit is mogelijks het geval voor Ni-Netjer's kandidaat opvolger Oeneg van wie er buiten Sakkara geen vondsten werden gedaan en wiens gezag zich mogelijks niet tot het zuiden uitstrekte. Over de oorzaken van deze crisis tasten we in het duister al kunnen de uiterst lage waterstanden bij de overstroming van de Nijl tijdens de laatste jaren van Ni-Netjer, zoals aangegeven op de Palermo steen, ons laten vermoeden dat mogelijks hongersnood of een andere economische factor aan de basis lag van de troebelen. Het is echter niet geweten of de opsplitisng , als er al een opsplitsing was, te wijten was aan een vreedzame opdeling van het land tussen b.v. twee broers of het gevolg van een oorlog. W. Barta's reconstructie van de annalensteen 1 geeft vijf jaar voor de duur van de regering van Oeneg wat zeer aanvardbaar lijkt.Volgens Manetho regeerde Tlas met wie we deze koning zullen vereenzelvigen zeventien jaar. NAMEN VAN DE KONING
OBJECTEN VAN DEZE KONINGGegraveerde inscripties op vazen uit Noord Sakkara![]()
Inscripties in inktAndere stenen vazen met ditmaal inscripties in inkt en die gedateerd werden tijdens de regering van Ni-Netjer vermelden een Oer Maaoe Oe-adjnes of Oe-adsjen (wr mAAw waDns) die volgens Helck de volgende opvolger van Ni-Netjer zou kunnen zijn. HET GRAF VAN OENEGHet graf van deze koning werd nog niet gevonden. Het zou kunnen dat het zoals de graven van de eerdere koningen uit de Tweede Dynastie een reeks ondergrondse gallerijen bevat en kan zich dan mogelijks in het noordwesten onder het Noordelijke Plein van het Djoser complex bevinden. Een andere mogelijk is dat er ten zuiden van de gallerij-graven van Hetepsechemoei en Ni-Netjer nog koninklijke graven uit de Tweede Dynastie zouden bevinden, wat meteen zou verklaren waarom de afsluiting van Sechemchet trappenpyramide zich iets meer naar het westen bevindt. Beide areas zijn echter momenteel nog niet obderzocht en helaas werd de area ten oosten van Sechemchets trappenpyramide gedeeltelijk ontmanteld voor de aanleg van de pyramide en de verhoogde weg van Oenas Daarnaast werd nog en ander gebied voorgesteld n.m.l.het noorwestelijk deel van de begraafplaast uit het Nieuwe Rijk ten zuiden van het Djoser complex ergens rond de tombe van Horemheb. We herhalen nogmaals dat het graf van Merineith-Merire, hogepriester van Aton te Memfis en Achetaton tijdens de regering van Achnaton volgens de onderzoekers10 een hergebruikt graf is waarschijnlijk uit de periode van Oeneg en Sened en mogelijks zelfs het graf van ййn van beiden waarbij de voorkeur zou uitgaan naar Sened. ![]() Voor voetnoten en kleine tekst gebruik het vergrootglas aan 150 en 200 % boven in de linkerkolom
|
Werkwoorden

De werkwoordenMen onderscheidt verschillende klassen van werkwoorden in het Egyptisch. Maar laten we eerst het volgende zeggen: verschillende grammaticale begrippen in het Egyptisch komen niet overeen met de inhoud zoals wij die er aangeven. Een voorbeeld: Wanneer wij spreken over de infinitief (de onbepaalde wijs) in het Egyptisch van b.v. "horen" heeft dit niet dezelfde betekenis als bij ons. De infinitief van een Egyptisch werkwoord kan bijna worden gelijkgesteld met een zelfstandig naamwoord (substantief) n.m.l. "het horen" of "een horen". In dit opzicht wordt de infinitief vaak gebruikt als toelichting bij een afbeelding a.h.w. de benoeming of ondertiteling van de momentopname van de afbeelding. Zie onderstaande afbeelding. Het binden ( snoeren) van een boot = spt smH (de boot is een determinatief) het teken ervoor lezen we als mH en de rest zijn éénlettertekens). In dezelfde betekenis kan het ook staan als inleiding van een hoofdstuk of als spreuk. Er zijn nog vele andere mogelijkheden maar we zullen ons in het begin op deze toeleggen. ![]() HOE VORMT MEN DE INFINITIEF Wel dat zal afhangen van de klasse van het werkwoord. We zullen niet ingaan op alle klassen van werkwoorden maar in hoofdzaak vier klassen onderscheiden.
|

|
In Noord-Sakkara bevinden zich vijf graven van edelen met inhoud daterend uit de tijd van Ni-Netjer Een relatieve datering werd opgesteld door Helck1.De opzichter van de beeldhouwers (medjh gnoetioe) Roeaben behoort tot het eerste gedeelte van de regering van Ni-netjer, opgevolgd door Nihptiptah en in het laatste gedeelte van de regering door Khnoemneferhotep (Nfr-htp-Khnemoe) en Khnoemenii (Ii-en-Khnemoe).1
|
Verder vervolg Ni-Netjer
vervolg NI-NETJERZegelafdrukken en het graf van Ni-netjerZegelafdrukken werden gevonden in zes private graven en graf V te Oem el Qaab en het koningsgraf B te Sakkara. De private graven zijn de nummers 2171, 2302, 2498, 3009 te Sakkara, een graf te Gizeh en graf 505 H 4 te Helwan. De zegels van Ni-netjers graf te Sakkara werden niet gepubliceerd in het artikel van Hassan over het graf (A.S.A.E. 38, 1938, 521) maar enkele ervan kan men vinden in Munro (S.A.K. 10, 1983 p. 279). Bij het zegel uit tombe V te Oem el Qaab ( Chasechemoei) kan men alleen het teken Netjer lezen in de Horus naam met ernaast nog "Baoe Pe" en theoretisch zou het dus ook nog om Netjerihet ( Djoser) kunnen handelen.
|
Vervolg Ninetjer

vervolg NI-NETJERNinjeter's inscripties op fragmenten van stenen vazenAbydosTe Abydos werden twee inscripties gevonden : Eentje met de naam van het domein van Nebra 'Hoet-Ha-Sa' opnieuw beschreven door Ninetjer met "Iz i'a ra-neb Neswoet-biti Nebti Ninetjer" (Personeel van de dagelijkse reininging van Ninetjer.); op de ander staat de koning zijn nesoetbiti naam boven het teken van een boot. Beide komen uit de tombe van Peribsen (cfr. Petrie R.T. II pl. VIII, 12 and 13). Afkomst onbekendZes stuks opgenoemd in het corpus van Kahl) : Kaplony 'Steingefasse' 39 (17) ; id. I.A.F. III, 862 ; id. M.D.A.I.K. 20 p. 26 n.50; id. I.A.F.Supp. 1074; id. K.B.I.A.F. 1137; Helck Z.A.S. 83 p. 94. Uit het pyramide complex van Sechemhet te SakkaraEen inscriptie aldaar (Goneim 1957 pl. 65 a) is mogelijks toe te schrijven aan een hofdignitaris van Ninetjer (de naam is echter niet bewaard) (Kahl corpus n.2822 en ook Goneim I , 21 tav. 25a ; Helck Z.A.S. 106 p. 125,130). ![]() Inscripties van een zekere Chnoemenii (Ij-n-Khnemoe) en Renoety werden gevonden te Boeto (P. Kaplony 'Archaische Siegel und Siegelabrollungen aus dem Delta...' in Van den Brink ed. The Nile Delta in Transition, 1992 p. 23-30; T. van der Way, 'Zur Datierung des "Labyrinth-Gebaudes" auf dem Tell el-Fara'in (Buto)' in G.M. 157, 1997 p.107-111). In Djosers (Horus Netjerihet) trappenpyramide te Sakkara.Deze site heeft sinds het eind van de twintigerjaren tot in de vijftiger jaren van vorige eeuw meer dan 20.000 fragmenten en honderden inscripties opgeleverd. (Gunn A.S.A.E.26 and 28 voor de twintiger jaren en Lacau-Lauer 'La Pyramide a Degrees' vol. IV, 1959- gebeitelde inscripties- en vol V, 1965-inscripties in inkt voor het vijfde decennium) Zij vormen een van de voornaamste bronnen om inzicht te krijgen in het functioneren van de administratie in het Vroege Tijdperk. Een uiterst nauwkeurige cataloog ervan (dynastieën 0 tot 3) vinden we in het corpus (=verzamel werk, cataloog) van Kahl 1994.De vazen van Ninetjer die in Sakkara gevonden werden zijn genummerd 2104 tot 2821. De ganse verzameling van Ninetjer bestrijkt de nummers 2097 tot 2848. Van de 717 gevonden in de trappenpyramide zijn er maar 20 die de naam van de koning dragen de andere 700 werden door Helck aan zijn regering toegeschreven (Z.A.S. 106, 1979 p.120-32 expec. p.130). Maar in ambitieus project, dat van start ging in 2002, om alle voorwerpen uit de koninklijke graven van de eerste dynastieën te Abydos, die bewaard worden in het Koninklijk Museum van Kunst en Geschiedenis te Brussel opnieuw te bestuderen werden door de ploeg van Hendrickx heel wat nieuwe bevindingen gedaan (Hendrickx, Van Winkel, Bull. MRAH, 64, 1993, 5-38; Hendrickx, Bielen, De Paepe, in: MDAIK 57, 2001, 73-108; S. Bielen, niet gepubliceerde MA thesis. S. Bielen, in: S. Hendrickx et al. (eds.), Egypt at its Origins, 2004, 621-635). In het bijzonder gaat de aandacht naar het werk van Ilona Regulski, die data verzamelt voor haar doctoraatsthesis over Palaeografie (dit is een hulpwetenschap van de geschiedschrijving die zich bezig houdt met het bestuderen en ontcijferen van oude handschriften en archiefstukken) van het Vroeg Egyptisch schrift van Nagada IID-IIID tot Netjerichet-Djoser. In een recent artikel (2006) "Inkt inscripties van de Tweede Dynastie uit Sakkara (in: S. Hendrickx et al. (eds.), Egypt at its Origins, 2004, 949-970) stelt zij dat de grote massa van de stenen vazen, ook die afkomstig van het Vroeg-Dynastisch kerkhof te Sakkara en het trappenpyramide complex aldaar, origineel van Abydos afkomstig zouden zijn. Verder stelt zij nieuwe regels voor om de uit Sakkara afkomstige met inkt beschreven vazen te dateren. Voornamelijk deze afkomstig uit het de oostelijke gallerijen VI-VII van het TPC van Netjerichet/Djoser zou ze eerder tijdens de regering van Chasechemoei situeren dan tijdens deze van Ninetjer zoals eerder werd aangenomen door de studie van Helck We komen hier later nog op terug. Het is onmogelijk om hier zelfs in algemene trekken een overzicht te geven over de verschillende aspecten van dit corpus. Het volstaat om te zeggen dat veel administratieve titels, topografische namen, domeinen, en namen van hofdignitarissen (Chnoemneferhotep, Chnoemenii), van enkel obscure koningen en verder namen van paleizen, goden en feesten genoemd worden. Deze kunnen min of meer geordend worden in een chronologisch raamwerk door paleografie en door het herhaald voorkomen van de namen van enkele stichtingen en domeinen. Het talrijk voorkomen van deze laatste tijdens de regering van Ninetjer getuigt van een uitzonderlijke graad van welvaart en een strikt georganiseerde staatsbureaucratie. Iets wat beter te vergelijken valt met de regeringen van Den en Qa'a dan met deze van zijn onmiddellijke voorgangers.
![]()
Eigenaardig genoeg vinden we nergens een vermelding van het Heb-sed jubileumfeest dat hij toch minstens éénmaal moeten hebben gevierd. Maar sommige van de inkt-inscripties, die door Helck in het tweede deel van zijn regering werden gedateerd ( onder ambtenaar Chnoemenii) vermelden wel een Heb-sed feest alhoewel dit nergens direct verbonden is met de naam van de koning.(Pyr.Deg. V n. 273,4; cfr. Helck op.cit. p. 128). Verschillende van deze vazen, meestal daterend uit de Eerste Dynastie, zouden door Ninetjer aan sommige hoge ambtenaren zijn geschonken als koninklijke gift. Enkele van deze vazen dragen dan ook in inkt aan de binnenzijde van de vaas inscripties van deze ambtenaren terwijl er aan de buitenzijde inscripties uit de Eerste Dynastie zijn ingegraveerd.(PD IV 22, 30, 41, 97). De vrij ingewikkelde geschiedenis van deze vazen, ontdekt in het trappyramidecomplex van Djoser (Pyr.Deg. IV-voor de gegraveerde koningsnamen en Pyr. Deg. V - voor de inkt inscripties van private personen)werd gereconstrueerd door Helck 1979 in het van hem afkomstig en hogerop aangehaalde artikel (ZAS 106, 120ff.). Hij veronderstelt dat er op zijn minst drie groepen van vazen dienen te worden onderscheiden: de eerste en grootste groep uitgemaakt door deze die door Ninetjer in de tweede helft van zijn regering werden bijeen verzameld en daarna door Peribsen en later nog door Chasechemoei, naar alle waarschijnlijkheid uit magazijnen van Ninetjer's tombe of uit de bovenbouw ervan, werden ontvreemd om tenslotte definitief te belanden in de oostelijke gallerijen onder het TPC (trappyramidecomplex) van Djoser of elders waar ze door hem werden geplaatst in het eerste deel van zijn regering > De befaamde Heb-sed albasten vaas uit het TPC (Cairo Museum JdE 64872; Firth-Quibell, Step Pyr., 1935, 135, pl. 104) vertoont een deel van een bijna uitgewiste inscriptie in inkt die verwijst naar het vierde feest van Sokar (cfr. de Palermo Steen voor de vorige vier feesten). Op een ander vaas komt een beter bewaarde inscriptie voor met een jaar dat naar de Shemsoe Hor, de zeventiende census van het vee, een aanduiding van de Oeadj-Hor phyle en van de Inj-Setjet (cfr. Peribsen) verwijst. [Lacau-Lauer, Pyr. Deg. V, 274, fig. 153]. Alhoewel geen koningsnaam voorkomt schijnt alles er toch op te wijzen dat deze vaas aan Ninetjer toebehoorde. [A.M. Roth, Egyptian Phyles...1991, 223; D. Gould, in: Bickel-Loprieno (eds.) Aeg. Helvet. 17, 31]. Onder meer de phyle naam, de "jaarfeiten" en andere epigrafische en stylistische argumenten samen met de vorm van de vaas ( zeer gelijkend op de eenhorige albasten vaas met de naam van Hetepsechemwoei cfr. PD IV, nr. 50) lijken in die richting te wijzen . Vervolg ( zegelafdrukken en graf van deze koning ) binnenkort |
Vervolg van Farao Ninetjer (Tweede Dynastie)

vervolg NI-NETJEROBJECTEN VAN DEZE KONINGHet beeldje in de Michailidis collectie. Zoals hogerop reeds gezegd zou dit beeldje het eerste driedimensionaal portret zijn van een Egyptische farao, dat bewaard bleef en met zekerheid toe te wijzen is aan een specifieke koning omdat zijn naam er op voorkomt. Het ivoren beeldje van Narme, en delen van de houten beeldjes van Djer, Den Qa'a zijn ofwel zonder opschrift ofwel fragmentair odf de naam kan niet met zekerheid worden uitgemaakt zoals op de Min collossen of het beeldje uit het Mьnchener Museum. Het beeld behoort tot een van de belangrijkste private collecties van Vroeg-Dynastische voorwerpen "Georges Michailides'. Het werd door W.K. Simpson in 1956 (JEA 42, 44-49) gepubliceerd maar recnete opmerkingen door G. Dreyer (Elephantine VIII, 1986, 65, n. 164) hebben een schaduw van twijel geworpen over de authenticiteit ervan (Kahl, Das System, 1994, 12, n.9). Het beeldje heeft ee, basis van 8,8 x 4,8 cm en is 13.5 cm hoog. Het materiaal waaruit het gemaakt is werd door Simpson geïdentificeerd als een op albast gelijkende harde steen met een groen-gele schijn. Het oppervlak is gepolierd en de stat van bewaring behoorlijk goed. De koning zit op een troon waarop aan beide zijden de inscriptie 'Nesoetbiti Nebti Ninetjer' voorkomt. De troon maakt een bocht juist achter de top van de witte kroon. De koning draagt het lange Heb kleed, de witte kroon van Boven-Egypte en houdt in zijn handel de gesel en staf die in relief op de borst voorgesteld worden. Een lange bard eindigt juist boven de rechterhand. Het algemeen voorkomen doet denken aan de beelden van Chasechem in Caпro en Oxfor meer deze zijn toch verfijnder en meer gepolierd en hebben niet het plompe gezicht en de plompe voeten van het Ni-netjer beeldje. Het gelijkt inderdaad meer op het ivoren beeldje van Choefoe van Abydos en nog meer op het hoofd in rood kwartsiet van Huni-Choefoe in Brookly. De auteur van het artikel vernoemt ook de sterke gelijkenis in houding en kleding van het beeldje met een beeld van Menkaoehor (Ve dynastie) afkomstig uit Rahinah. Men kan niet besluiten dat het beeldje tijdens het Oude Rijk werd gemaakt of later als offerbeeldje voor deze koning daar men de algemene kenmerken van het beeldhouwwerk tijdens het Vroeg-Dynastisch tijdperk nog maar fragmentarisch en dus onvoldoende kent. Ninetjer en de Analen van de Palermo steen![]() Palermo Steen - Recto, lijn 4 ( jaar 6-20 ) Vijftien jaar van Ninetjer's regering zijn bewaard op deze ananeln uit de vijfde dynastie. Volgens de voorgestelde reconstructie wordt deze regering als volgt ingedeeld 5 jaar (die ontbreken ) aan de rechter kant van de steen van Palermo, 15 jaar die bewaard bleven zijn, daarnaast 15 of 16 jaar ( die ontbreken) aan de linkerzijde van de steen en tenslotte de laatste negen jaar die bewaard bleven (maar zeer zwakjes en nauwelijks leesbaar ) op het Caпro 1 fragment; in totaal dus ongeveer 45 jaar (cf. Barta, ZAS 108, 11-23; Helck, MDAIK 30, 31-5; Kaiser, ZAS 86, 39-61; voor recente vertalingen leze men T. Wilkinson, Royal Annals, 2000, 119-129; 204-206; A. Jimenez Serrano, La Piedra de Palermo, 2004, 43-48). Op de figuur ziet men het begin van het zesde jaar (half vergaan)Shemsoe Hor dit wil zeggen de volgelingen van Horus; [zesde (biлnnale) voorkomen van de telling (van het vee)]. Jaar 7 : Verschijning van de koning van Boven-Egypte; die de koor uitrekt voor de 'Hoet Heroe Ren' (gewoonlijk gelezen als [Ntr] r-n kan dit mogelijks ook verwijzen naar de 'Gouden Naam' in het bovenste register); de naam van het gebouw Hoet Renoe Ren werd door Helck beschouwd als deze van tombe B te Sakkara (oostelijke gallerijen). Jaar 8: Shemsoe Hor ; achtste census van het vee. Jaar 9 : Verschijning van de koning van Boven- en Benden-Egypt ; loop van de levende Apis (?) (Helck leest 'rondenloop van de Apis' (cfr. 'Thinitenzeit' 1987 p. 165); jaar 10: Shemsoe Hor ; vijfde voorkomen van de census. Jaar 11 : Verschijning van de koning van Benden-Egypte; Tweede festival van de Boot (van Sokar). Jaar 12 : Shemsoe Hor ; zesde census van het vee. Jaar 13 : eerste feest van 'Hor sba pet' (Horus de ster van de hemel) (of ook Eerste reis naar [het gebouw] 'Hor doea pet') ; stichting van de domeinen 'Shem Ra en Mehoet' (De zon is gekomen en de Noordelijke). Bepaalde geleerden (van Schafer in 1902 tot recent nog in Wilkinson's 'Early Dynastic Egypt, 85) hebben voorgesteld om het tweede deel te lezen als " de aanval van de steden...." maar alhoewel de schoffel hiлroglief 'mer' vaak gebruikt wordt in de betekenis van 'verwoestend' (cfr het Libisch palet) dan schijnt de rechthoekige omheining op de Palermo Steen meer te duiden op een relatie met een gebouw, een paleis of een begraenis domein. Een alternatief is echter dat het hier om versterkte (buitenlandse ?) steden gaat en dan is het natuurlijk verleidelijk dit in verband te brengen met het mogelijks bestaan van een burgeroorlog die in het midden van de Tweede Dynastie zouden plaatsgevonden kunnen hebben en naar waar de analen aldus zouden verwijzen volgens de tweede lezing (W.B. Emery, Archaic Egypt, 1961, 93). Maar er is ook een probleem wat betreft het eerste deel van dit jaar: Helck (op. cit., 66) leest het namelijk als een reis naar het begrafenis domein van de koning; het boot hiлroglief verschilt inderdaad met dit gebruikt als determinatief voor het Shemsoe Hor feest of andere ceremonieлn en dus zou het inderdaad kunnen beteken zeilen maar de naam van het begrafenis domein zou dan moeten omringd zijn met een rechthoekig teken, dat hier echter ontbreekt. Opmerking : in archaпsche inscripties worden de begrafenis domeineen -zoals Hor sba Het- geschrven binnen een circulair soms gekanteeld teken terwijl de koninklijke domeinen meestal binnen een eenvoudige rechthoek worden geschreven (T. Wilkinson op.cit.1999 hoofdstuk 4 fig. 4,1 en 4,2). Jaar 14: Shemsoe Hor; zevende teeling van het vee. Wetenswaardig is de hoogte van de overstroming van de Nijl in dit jaar: slechts een een voorarmlengte (en ook de volgende jaren blijft het gemiddelde peil zeer laag ); dit zou een aanknopingspunt kunnen opleveren om de aard van de problemen die de volgende koningen moesten trotseren te bepalen en mogelijks ook de oorzaak van de crisis in de staat. Jaar 15 :verschijning van de koning van Beneden-Egypte, Tweede race van de Apis stier. Jaar 16:Shemsoe Hor, achtste veetelling. Jaar 17: Verschijning van de koning van Neder-Egypte; derde viering van het festival van de Boot (Sokaris ? cfr. Kitchen-Gaballa in Orientalia 38 p. 13) ; Jaar 18 : Volgelingen van Horus; negende census; Jaar 19 : Verschijning van de koning van Beneden-Egypte; Offer voor de moeder van de koning; feest van de eeuwigheid (djet) (Helck cit. 166) ; de lezing 'Maa (n) Moet-Nesoet djet', die dan zou slaan op het overlijden van de koningin-moeder lijkt echter een meer logische lezing. Dit zou dan betekenen "De koningin-moeder ziet (kent of vervoegt) de eeuwigheid ". Helaas is het determinatief onder de djet groep niet dat van eeuwigheid maar dat van feest! J.D. Degreef meent dat Djet hier zou kunnen verband houden met papyrus [W.B. V, 511] en dat de zin zou slaan op het 'Snijden van de Papyrus', een later bekend Hathor-festival. Jaar 20 :Volgelingen van Horus; [Tiende telling van het vee]. |
Het tweede kistje

VOOR HEN DIE ONGEDULDIG WORDEN Deel 2Bekijken we nu het albasten kistje >De schrijfrichting is hier van links naar rechts in drie kolommmen van boven naar onder en dan een horizontale regel onderaan van links naar rechts. Er is een loepe links bovenaan het blog voor wie de tekens niet duidelijk mochten zijn
Nu de cartouche
Het geheel wordt dus niet gelezen als re-cheperoe-neb of cheperoe-neb-re zoals we zouden verwachten maar als neb-cheperoe-re wat betekent de heer van de verschijningen (vormen) van re. Het is de nesoebiti naam van deze koning. Hierop volgt
De derde kolom is wat moeilijker opnieuw.
Zo, we zijn al aan de onderste regel toe. Hier moeten we wat pragmatisch worden want het zijn geijkte uitdrukkingen
Hoe weten we dat nu dat dit deel van de zin bestemd is voor Anchesenamon. Wel het tweede teken achter de anch en het laatste teken is het teken "ti" ( het is de afbeelding van een stamper). Het is een teken dat als een grammaticaal einde kan beschouwd worden voor de derde persoon enkelvoud vrouwelijk dat men aan een werkwoord hangt om een wens uit te drukken. Maar gezien het vrouwelijk is kan het niet meer op Toetanchamon slaan. Het derde teken is het teken rnp (d.i. een palmtak ontdaan van zijn bladeren, werd gebruikt als kerfstok) het staat voor jong zijn. Dus de vertaling luidt moge zij leven moge zij jong blijven. De ganse zin luidt dan :De goede god, heer van twee landen Neb-cheroe re, de zoon van Ra, heer van de kronen, ToetanchAmon, moge hij leven voor eeuwig en eenwig en de grote vrouw van de koning Anchesenamon, moge zij leven, moge zij jong blijven. Een hele boterham om dus weinig meer te zeggen dan de namen van de koning en de koningin. |
Een beetje practijk

VOOR HEN DIE ONGEDULDIG WORDENIk kan mij best voorstellen dat jullie wat ongeduldig worden en een beetje practijk zouden willen. We beginnen met een tweetal voorwerpen met inscripties uit het graf van .......Het zijn eenvoudige teksten. ![]() We beginnen met het eerste kistje. De bovenkant. Het kistje is ingelegd met ebbehout en ivoor. De leesrichting is van rechts naar links en boven naar onder. We ontmoeten achtereenvolgens :
Er staat dus imen toet anch heka ioenoe sjema. Het kistje zelf heeft de vorm van een cartouche. Dus het is een koningsnaam. Imen toet anch doet wel vreselijk denken aan Toet anch Amon en inderdaad de godheid Imen is hier uit eerbied vooraan geplaatst. Het is dus Toet anch Imen of of het beeld levend Amon. Het bijvoeglijk naamwoord staat in het egyptisch achter het zelstandig naamwoord dus in onze taal het levend beeld Imen. Maar we weten ook dat de genitief in het Nederlands uitgedrukt door " van" in het Egyptisch kan geschreven worden met het watertekentje (letter n) maar ook door twee zelfstandige naamwoorden gewoon na elkaar te plaatsen. Wat hier het geval is voor Toet (en zijn bijvoeglijk naamwoord anch) en Imen. Dus we lezen Toetanch Amon of "( het) levend beeld (van) Amon. Het lidwoord "het" staat tussen haakjes want lidwoorden worden niet geschreven in het Egyptisch. hekA Ioenoe sjema zijn drie achter elkaar geschreven zelfstandige naamwoorden waarvan we de twee laatste als genetief beschouwen en dus vertalen als (de) heerser (van) Heliopolis (van) Opper-Egypte. Nu moet je weten dat met Heliopolis van Opper-Egypte de stad Thebe bedoeld werd. En de puzel is opgelost. Toet anch Amon ( het levende beeld van Amon), heerser van Thebe. ![]() Bekijken we nogmaals het "mn" teken. In zijn volledig uitgewerkte vorm en in zijn tradtionele vorm. Nu kunnen we ons inderdaad voorstellen dat het gaat om een bordspel. Het geeft ook een zeer karakteristiek effect weer van de Egyptische kunstregels. Men ziet het voorwerp van uit twee hoeken tegelijkertijd. Het spelbord van bovenaan met de de vierkantjes en de pionnen zijwaarts. Maar door de pionnen bovenop het spel te zetten wordt meteen aangegeven dat de pionnen op het bord horen. Perspectief was onbekend maar daar hadden de Egyptenaren het combinatie zicht voor uitgevonden. Over het tweede kistje later |
Ninetjer

NI-NETJERDe regering van Ni-netjer was de langste (40-45 jaar) uit de tweede dynastie en samen met deze van Chasechemoei relatief goed gekend. Wat betreft het aantal gedocumenteerde bronnen is het zonder twijfel het hoogtepunt uit de eerste helft van deze dynastie Zijn dood werd gevolgd door een zeer obscure periode van ongeveer 20 tot 30 jaar tot de troonsbestijging van Chasechem(oei) Het materiaal van Ninetjer's regeringsperiode komt bijna uitsluitend uit Beneden-Egypte (Sakkara, maar ook van Gizeh en Helwan); Slechts enkele inscripties op fragmenten van stenen vazen, die zijn naam vermelden, zijn ons uit Opper-Egypte bekend (Abydos-Oemm el Qaab tombe P and V). De overgrote meerderheid van inscripties van Nineter zijn deze die in inkt werden aangebracht op de binnenkant van stenen vazen en fragmenten ervan van het complex van Djoser te Sakkara. Honderden ervan werden aan hem toegeschreven door interne criteria zoals wordt uitgelegd in het belangrijk artikel van W. Helck (ZAS 106, 1979, 120-132) wiens conclusies echter recent werden in twijfel getrokken door I. Regulski (zie verder). Koningsnamen vindt men nooit onder deze inscripties in inkt (uitgezonderd enkele tempel of graf namen zoalls Hoet-Ka......enz). Maar anderzijds was op een groot aantal vazen afkomstig van de zelfde site Nineters Horus naam op de buitenkant gegrift. Nineter's graf (B) werd in 1938 door S.Hassan gevonden te Sakkara. De ingang ligt ongeveer 150 m oostwaarts van het graf van Hetepsechemoei (A) in het gebied ten zuiden van het Djoser complex. Slechts een tiental jaar geleden werd het graf opnieuw grondig onderzocht. W. Helck (op. cit) stelde voor dat bijna het geheel van de duizenden stenen vazen afkomstig van de gallerijen van het Djoser complex origineel in (de bovenstructuur van ?) het graf van Ninetjer zouden geplaatst zijn om daarbna te verhuizen naar de locatie waar de archaeologen Firth, J.Quibell en J.P. Lauer ze ontdekten.De Palermo steen, brengt verslag uit van de een deel ( 15 jaar 6e tot 21e) van de regering van Ninetjer en vermeldt ook het begin van zijn titels. Zoals reeds vermeld is hij de derde vorst op de schouder van het Caïro beeldje CG1, na Hetepsechemoei en Nebra. Ternslotte vernoemen we nog een beeldje van Ninetjer. Het zou het eerste niet in stukken gebroken beeldje zijn van een identificeerbare Egyptische koning want zijn Horus naam werd erin gegrift. Recent echter heeft men de autheticiteit ervan betwist. DE KONINKLIJKE NAMENTot het verschijnen van het artikel van Grdseloff (ASAE 44, 1944, 187) die de lezing 'Ninetjer' intoduceerde werd de naam gelezen als Netjeren of Netjerimoe. De naam netjer of god staat hier uit eerbied voor de n en de naam dient dus gelezen als n-netjer. Zonder twijfel was hij de derde koning van de Tweede Dynastie (de tussenkoningen tussen de Tweede en de Eerste dynastie niet meegerekend) hij staat als immers derde op het Cairo beeldje CG1 dat uit de periode kort na zijn regering stamt. Bij Manetho vinden we de naam Binothris (althans in de versie volgens Africanus; Eusebius noemt hem Biophis) Bit sluit goed aan bij de naam Ba-Ninetjer of Baoe-netjerw uit de lijsten van het Nieuwe Rijk. Deze persoonlijke naam staat nochtans nergens vermeld in eigentijdse documenten waar Ninetjer zowel de Horus als de nesoebiti/nebti -schijnt te zijn. Op de Turijnse papyrus is de naam evident er staat netjer-r-n te lezen n-netjer de r is dan een fonetisch complement bij netjer. Ook de lijst van Abydos en deze van Sakkara leveren weinig moeilijkheden op. Het kleine teken voor de ram (Abydos) en de ba-vogel 'Sakkara) is een wierookptje met zijn rook. Het kan als determinatief staan achter het woord "sntr" voor wierook maar ook allenstaand voorkomen als ideogram en wierook betekenen. Met een ba vogel erachter als determinatief betekent het ba ( ziel) en met een ram erachter als determinatief eveneens ba maar nu met betekenis van ram. Abydos leest dan vlot ba-n-netjer en Sakkara ba-netjer-w. De r en t achter netjer (in feite neter) zijn dan fonetische complementen ![]() Er is echter heel wat meer inkt gevloeid over het gedeelte van de Palermo steen waar de koningstitels op vermeld staan. (D. Wildung 'Die Rolle', 42-43). Op zijn minst zijn er drie interpretaties voor deze korte serie hiлrogliefen. (Palermo Stone recto, lijn 4); Van rechts naar links lezen we : de horus naam N-ntjr dan een zittende farao, een bies met kleine scheuten die in latere tijden voor "n(e)ch(e)b" zal staan maar die wel gelijkenis vertoont met de "soet" plant uit nesoet of koning, dan een mond of de letter r, een golfje of de letter n en het teken voor goud n(e)boe. Dit wordt gevolgd door het begin van een afgebroken cartouche.
Het zou dus wel eens kunnen dat deze lijn een grote betekenis heeft voor de studie van de Gouden-Horus naam. Maar het is moeilijk om uit te maken of we achter achter de Horus naam met een volledige H(o)r N(e)bw Ren -of Gouden Horus naam te doen hebben of met de titel Ren (n) N(e)boe gevolgd door de ontbrekende naam in de cartouche. In het eerste geval zou de cartouche dan een derde naam bevatten die dan ofwel de nesoet)biti of de nebti naam of beide zou moeten zijn. Het zou wel eigenaardig zijn daar op de verso zijde van Palermo steen bij farao Oeserkaf het volgende staat Neswt-bity (Wsrkaf) iri.f m mnw.f ...met de N(e)soet biti titel buiten de cartouche zoals het traditioneel voorkomt . Nog een andere mogelijkheid is nog dat r+n dus wel degelijk naam zo betekenen en neboe de Gouden Naam wat dan de lezing "Gouden naam, Rn ' of "Gouden naam Naam zou opleveren. Hoe dan ok,de evolutie van de titulatuur is nog steeds slecht bekend, en zo zou eveneens de nebti naam ontstaan zijn achter het gebruik van deze samenstelling als een terugkerend infix van de nesoet-biti namen. We hebben ook al besproken dat in sommige documenten de nebti naam Ninetjer ook de nesoet-biti naam was. |
Meervoud en een Neb probleem

Het meervoudDe meest typische manier om het meervoud van zelfstandige naamwoorden aan te duiden is door het toevoegen van de drie meervoudstreepjes samen met de uitgang w ( oe). Maar in de hiлrogliefentaal ging men soms zeer spaarzaam om met tekens en zo is het niet ongebruikelijk dat i (i) en w (oe) vaak weggelaten werden in een woord tenzij ze aan het begin van een woord voorkomen. Dit weglaten gebeurt verschrikkelijk veel wanneer het om een grammaticale uitgang gaat zoals de meervouds w. Zie hieronder het woord voor vogel= aped en zijn meervoudsvormen en het word hebesoe = kleren. Omdat de de drie streepjes volstaan om het meervoud weer te geven wordt telkens bij de tweede vorm van het meervoud de w weggelaten. Bij de translatie schrijven we deze alsnog maar tussen haakjes. ![]() Tweede manier om het meervoud weer te geven is het teken driemaal herhalen. Zie hieronder voor de landen .Ook hier gaan we de uitgang w in detranslatie tussen haakjes zetten tA(w). Merk op dat men de drie puntjes of zandkorreltjes want dat stellen ze voor kan weglaten. Soms zijn het er ook maar twee ipv drie. In de afbeelding staat een capitale fout het meervoud van ta is taoe en niet taoei wat een tweevoud is ![]() In het Egyptisch kennen we ook een tweevoud, telkens het om paren gaat .Voorbeeld de (twee) oren, de (twee) armen maar en dit komt frequent voor ook de (twee) landen d.i. Opper- en Neder-Egypte. In het mannelijk is de uitgang wi (oei) voorbeeld taoei= de twee landen, aoei=twee armen en in het vrouwelijk ti (ti) v.b. de Neb-ti naam van de koningen (de twee meesteressen). ![]() dat het om een reële arm gaat en niet om de letter a. In de nebti naam word de dualis of het tweevoud gevormd door de de twee kommetjes niet alleen te herhalen maar door er tevens de godinnen waar het overgaat erboven te plaatsen. Merk op daar het over een meesteres gaat we achter het kommetje= neb meester de vrouwelijke uitgang t verwachten maar die is hier weggevallen.
Er is een foutje in bovenstaande afbeelding. Bij de laatste nebti meervoudsvorm is er een t (broodje) wegevallen voor de dubbele streep. Op zich is dit niet echt ongebruikelijk want ook een t en d worden vaak weggelaten, zeker als het grammaticale uitgangen betreft, maar we wilden hier juist de normale vorm illustreren. U ziet de Egyptenaren waren geen meesters in een unieke spelling. Het voornaamste was dat men het begreep en dat het esthetisch mooi wasMerk ook op dat de doorstreepte dubbele streepjes onderaan in taoei geen dubbelle streepjes zijn maar de afbeelding van irrigatiekanalen en dus beschouwd worden als een soort determinatief dat hier, en dat is uitzonderlijk, ook tweemaal herhaald wordt. Gewoonlijk wordt het determinatief niet verdubbeld of verdrievoudigd.Het land stond dus voor de Egyptenaren gelijk met het geïrrigeerde land of "kemet" de rest was "desjeret" of woestijn . Nu we het toch over neb hebben. Dit kan niet alleen meester betekenen maar ook ieder, alle, gelijkwelk. Hoe kunnen we nu die twee onderscheiden ?
|
NEBRA

NEBRA (RANEB) KAKAOEZoals eerder gezegd staat de opvolging Hetepsechemoei, Nebra, Ninjeter vast. Zie hiervoor hoger de bevindingen van graf A te Midden-Sakkara en het beeldje van de priester Redjit (vroeger Hotepdief). NAMEN![]() De horusnaam ( zie hierboven de serech op lijn drie) Nebra vinden we op een uit Memphis afkomstige stele, op het Cairo CG 1 beeldje en verder op afdrukken van cylinderzegels en rotsgraffiti. Soms wordt de naam als Raneb gelezen dit zou echter impliceren dat de betekenis van de naam '(De god ) Ra is (mijn) Heer indhodt. Maar in deze tijd was Ra als godheid nog onbekend. Het is dan ook meer dan waarschijnlijk dat het hier om een zogenaamde directe genetief gaat . De genetief is een naamval die op bezit duidt en best kan vertaald worden in het nederlands door "van". Neb kennen we reeds als zijnde "heer" , en Nebra wordt dan de heer van Ra waar Ra staat voor de zon en niet voor de godheid. Dus de Heer van de zon. (Wilkinson 1999 p. 84; maar ook J. Kahl, in voorbereiding). De geboortenaam in latere koningslijsten is unaniem Kakaoe (Sakkara-Tjoeloi graflijst nr; 4; Abydos-Sethi tempellijst nr. 10, Turiinse Canon 2,21). Zie hierboven lijn 1 en 2. Dit gelijkt bovendien erg op de naam die Manetho vermeldt " Kaiechos "0( versie Africanus) en Kaichoos ( versie Eusebius); Manetho voegt er nog aan toe dat tijdens zijn regering :" de' Apis-stier te Memphis en de Mnevis stier in Heliopolis alsook de geit van Mendes vereerd werden als goden. De lengte van zijn regering versie Africanus was 39 jaar maar dit is blijkbaar te lang een periode van 10-15 schijnt dichter bij de werkelijkheid te liggen. In de Annalen van Memphis (Palermo steen, Caïro steen en andere fragmenten), zou de regering van Nebra, volgens de reconstructie van de muur waar de stenen vandaan komen op de vijfde lijn staan . Deze lijn vangt rechts aan met de regering van Hetepsechemoei. Zijn regering zou ongeveer zes jaarkompartimenten eindigen voor de sectie van Ninetjer' s regering die bewaard gebleven is op de Palermo steen. Alle reconstructies komen overeen over het feit dat de beide regeringen van Hetepsechemoei en Nebra ongever 39 jaar hebben geduurd. Maar de juiste onderlinge verhoudingen van de regeringsjaren zijn niet precies bekend intelligente gokken gaan van 29+10 tot 19+19. Alle mogelijkheden blijven echter open al schijnt een kortere regering van Nebra van ongeveer 10 jaar meer waarschijnlijk dan een 19+19 verdeling (Helck M.D.A.I.K. 30,1974 p.31; id.'Thinitenzeit' 1987 p.125; Kaiser Z.A.S. 86,1961 p.39; Barta Z.A.S. 108,1981 p.11; text in Schafer 'Ein Bruchstuck Altagyptischer Annalen' ). *(Helck-Z.A.S. 106, 1979 leest de naam 'Kaoe' en niet 'Kakaoe').
Naam Noebnefer op vazen uit djoser's complexUiteindelijk nog dit : Gunn (in A.S.A.E. 28 p.152) stelt de naam Noebnefer -zoals te zien op lijn 4 - (in twee inscripties op vazen uit Djoser's complex) voor als Nebra' s nesoet-biti naam; maar aangezien de beide namen sindsdien nooit meer samen zijn gevonden moeten we op onze hoede zijn met deze hypothese. Nebra's nesoet-biti naam is waarschijnlijk Kakaoe ofwel een totaal verschillende naam. Noebnefer kan ook onmoglijk de nesoet-biti naam van Neferkaseker (reeds zelf een nesoet-biti naam) zijn en zou dan een ander ephemere koning uit de periode post-Ninetjer en pre-Chasechem zijn. Anderzijds komt de paleis naam 'Hoet Menet-'Anch' voor in beide Pyr.Deg. IV inscripties (nr.99 en 100) maar ook in een inscriptie die gedateerd wordt onder Ninetjer (Noeb Rn). Dicht bracht er Helck toe om Noebnefer als een dichte opvolger van Ninetjer te beschouwen die hij plaatste na Oeng en Sened. Maar alles zou beter op zijn plaats vallen indien Noebnefer inderdaad de nesoetbiti naam van Nebra zou zijn, die op dit ogenblik indien we abstractie maken van Kakaoe niet echt met zekerheid bekend is. Indien dit werkelijk zo zou zijn dan kan echter Kakaoe niet meer als nesoet-biti fungeren en waar moet men dan de oorsprong van deze naam zoeken ? ![]() Deze lezing van de naam wordt nu algemeen aanvaard. Zoals we in onze uiteenzetting over Ka (29.09.2006) reeds hebben gezegd wordt stier gespeld zoals op de eerste lijn het correcte meervoud zou dan zijn zoals op de tweede lijn en de correcte naam Ka-kaoe:Ziel van de stieren zoals op lijn drie. Vergelijk dit met de bovenstaande namen zoals ze op de monumenten werden gevonden en u zult begrijpen dat Egyptenaren vrij los maar esthetisch verantwoord omsprongen met hun spelling. In het eerste geval wordt de stier weggelaten en meervoud wordt hier uitgedrukt niet door gans het woord driemaal te herhalen of door de meervoud streepjes maar door alleen de penis driemaal voor te stellen wat natuurlijk de mannelijke kracht van de koning benadrukt. Indien we alleen over deze versie zouden beschikken zou het logischer zijn Kaoe (Stieren) in plaats van Kakaoe te lezen. De betekenis van de naam komt dan wel in het gedrang. In het tweede geval wordt de eerste Ka correct voorgesteld als ziel en het meervoud eveneens correct door de drie streepjes maar nu herhaalt men de armen niet bij het begin van het woord stier. VOORWERPEN
Nota bij de inscripties op de stenen vazenDe inscriptie op de vaas uit het graf van Peribsen te Oemm el Qa'ab (P) werd bestempeld als een usurpatie van een vaas van Nebra' door Ninetjer, maar de rechterzijde kan evengoed op een natuurlijke wijze ziijn afgesleten en het 'ra-neb' teken boven links heeft niets te maken met de koningsnaam maar is misschien een aanwijzing van de dagelijkse reinigings rite door de priester. De tekens onder de serech van Nebra kunnen mogelijk duiden op het koninklijk domein 'Hoet za Ha neb' , bekend uit de eindperiode van de Eerste Dynastie. Een ander domein van koning Nebra vinden we terug op een zegelafdruk uit het graf van Hetepsechemoei-Nebra (Maspero A.S.A.E. 3, 1902) (cfr. fig. nr. 264) maar de lezing als Ti-oea is zeer onzeker. ![]() Een andere inscriptie op een vaas van Horus Ninetjer (Pyr.Deg. IV n. 68) noemt Hoet Pe-Hor-Msn van Horus Nebra , op een gelijkaardige inscriptie (Pyr. Deg. IV nr.58) uit de regering van Hetepsechemoei werd de Horus naam van Nebra toegevoegd. Buiten deze vazen zijn er geen andere meer waar de naam van Nebra op voorkomt. Hierbij laten we buiten beschouwing de twee waarop de naam van Noebnefer voorkomt vermits we deze als een aparte koning zullen beschouwen. GRAF A (Sakkara)De gallerijen onder het complex van Oenas werden besproken in het artikel van Hetepsechemoei. Hier zullen we alleen herhalen dat sinds een paar jaar de tendens bij de meeste onderzoekers is om dit graf niet alleen aan Hetepsechemoei maar ook aan Nebra toe te schrijven. Er zijn vier mogelijkheden
De stratigrafie van dit monument is echter weinig bekend en latere begravingen hebben deze nog meer komen verstoren. Men kan dus met een bepaalde zekerheid Hetepsechemoei als de bouwheer van dit graf aanwijzen. Zijn regering heeft waarschijnlijk dubbel zolang geduurd als deze van Nebra ( 19 versus 10 jaar). Stadelmann heeft de de gallerijen onder de volledige westzijde van Het Djoser complex te Sakkara met zekerheid tijdens de Tweede Dynastie gedateerd. Niet minder dan drie verschillende groepen gallerijen werden in de zachte rots uitgehouwen in deze area ( van de westelijke helft van het noordelijke plein, door het centraal "Westelijk Massief" tot aan de zuidelijke gallerijen die slechts een vijftigtal meters van graf A verwijderd zijn. De langste, centrale groep zou van Ckasechemoei kunnen zijn ( maar geen enkele vondst bewijst dit ). Dus kan er evengoed aan gewerkt zijn door de weinig bekende vorsten uit het midden van de dynastie of zelfs door Nebra. Een ander alternatief is dat andere gallerijen zich zouden kunnen bevinden in een nog niet geëxploreerd en met zand bedekt gebied ten zuiden van Hetepsechemoei's en Ninetjer' s gallerijen en ten oosten van de pyramide van Sechemhet. BESLUIT.We kunnen besluiten dat de weinige vondsten in ons bezit niet toelaten om ons een duidelijk beeld te vormen van de regering van Nebra, die wellicht een vijf- tot tiental jaar geduurd heeft. We kunnen wel gaan speculeren over het bijzonder karakter van de koninklijke namen en titels van de koningen van deze dynastie, waarvan verschillende maar vage schaduwen zijn in de lange geschiedenis van het Oude Egypte. Onafhankelijk van de correcte lezing van zijn naam Raneb of Nebra kunnen we zeggen dat de "zonneverering" terrein schijnt te winnen tijdens deze periode in de namen en titels: Horus Neb-Ra, Nesoetbiti-Nebtyi Oeneg, Seth-Ra Peribsen, Netjerikhet Ra-noeb... om nog niet de namen op de koningslijsten uit het Nieuwe Rijk (en latere afleidingen ervan(?)) van deze Tweede en Derde Dynastie te noemen. Het zijn namen die samengestld zijn met Ra: Neferkara, Nebkara. Deze feiten samen met het begin van de "slechte tijden" op het eind van de Eerste Dynastie en nadien (zowel de naam van Hetepsechemoei als deze van Chasechemoei, zouden een afspiegeling zijn van deze situatie) kunnen door ons niet omgezet worden in "zekere" geschiedenis maar zijn wellicht voldoende om ons voor te stellen dat de staat bepaalde "onrust" diende te verwerken (daarom niet in de aard van een burgeroorlog tussen de volgelingen van Seth en die van Horus of tussen het Noorden en het Zuiden zoals vroeger al eens werd gesuggereerd). Deze perikelen vonden hun einde-alhoewel verre van definitief- op het einde van de regering van Chasechemoei en deze van Djoser/Netjerichet: de verbondenheid met koninklijke voorgangers werd benadrukt op verschillende manieren: ("collecties " van stenen vazen met koninklijke inscripties, legitimatie van het heilig bloed langs vrouwelijk lijn, voorzitten en organizeren van de begrafenisceremonieen begraving van de overleden koning, oprichten van majestueuze monumentale koninklijke graven en complexen). Voor de schitterende periode van de "grote pyramiden" aanvangt zou er nog een duistere periode van enkele decaden ( midden en late Derde Dynastie) volgen.(cfr D. Gould, 2003]. De wortels van de mysterieuze (en ongetwijfeld ook politieke) problemen die eindigden met Peribsen's "ketterij van Seth" schijnen te liggen of op zijn minst de kop op te steken bij het begin van de eerste helft van de Tweede Dynastie of misschien reeds op het einde van de vorige dynastie (F. Raffaele, 2005). Tot op heden echter is het practisch onmogelijk gebleken om de oorsprong en de essentie van de culturele veranderingen die leidden tot de aanname van bepaalde namen, nieuwe koninklijke titels, en de verandering van godheid die het koningschap beschermde (en gedeeltelijk ook de verandering van plaats van de koninklijke necropool en andere meer of minder relevante verschijnselen) te verklaren. Nieuwe vondsten zijn steeds welkom en essentiëel voor een betere interpretatie. Maar ook het bestuderen van de gekende feiten vanuit een andere theoretische hoek of een nieuwe analyse van vanouds bekende bronnen (met betere foto's, door directe observatie, of in het licht van andere nieuwe ontdekkingen of juist zonder de vanzelfsprekendheid van "oude" dogmas) kan belangrijke details en oplossingen aanbrengen die werden over het hoofd gezien en aldus nieuwe gedachtenstromen op gang brengen die leiden naar volkomen verschillende conclusies dan deze die momenteel algemeen aanvaard worden. |

Zelfstandige naamwoordenZelfstandige naamwoorden zijn woorden die duiden op een persoon, een levend wezen of een object. In het Oud-Egyptisch kent men slechts twee geslachten: mannelijk en vrouwelijk. Onzijdig bestaat niet, net zoals in het Frans. Maar waar men in het Frans le en la gebruikt om mannelijk en vrouwelijk te onderscheiden doet men dit in het Oud-Egyptisch met een uitgang. Vrouwelijke woorden eindigen vrijwel altijd met t (broodje). Mannelijke woorden eindigen slechts zelden op een t . LidwoordenIn het Oud-Egyptisch is er geen plaats voor lidwoorden zoals "de" , "het, "een" in het Nederlands " le" en "la" en" un" en "une" in het Frans of "the" en "a" in het Engels. De Egyptenaren schrijven dus "man" en dat zowel "de man" als "een man" betekenen. Dit blijkt meestal wel uit de context. ![]() Bijvoeglijke naamwoordenEen bijvoeglijk naamwoord is een naamwoord dat iets zegt over een eigenschap van het zelfstandig naamwoord vb: de domme man en de wijze vrouw , dom zegt iets over de man, wijs over de vrouw . Het zijn bijvoeglijke naamwoorden. Net als in het Frans volgen de bijvoeglijke naamwoorden het geslacht van het zelfstandig naamwoord. Is het zelfstandig naamwoord vrouwelijk dan neemt het bijvoeglijk naamwoord ook een t . In het Oud-Egyptisch volgt in de zinsorde het bijvoeglijk naamwoord het zelfstandig naamwoord. |












>





