Bewerking van stukje van 03/03/2006 over dynastie 0

..
WELKOM OP DEZE WEBSITE GEWIJD AAN ALLE ASPECTEN VAN HET OUDE EGYPTE DER FARAO'S
Een herschikking van het blog is aan de gang om alle delen aanklikbaar te maken vanuit het centrale Inhoudsmenu. Enig geduld wordt op prijs gesteld. Ondertussen kan u nog steeds bij de artikels terecht via de inhoud in rechterkolom |
Bewerking van stukje van 03/03/2006 over dynastie 0
Anoebis02
ANOEBIS VOORLOPER VAN SINT CHRISTOFFEL ?!?![]()
Anoebis beeld (1e of 2e eeuw na Christus) ten tijde van de Romeinse bezetting van Egypte (Vaticaans Museum )en de transformatie van de overledene in Anoebis. Schilderij op doek. Romeinse Periode ( Louvre Museum) De legendenEr bestaan verschillende legenden over en identificatie pogingen voor Sint Christoffel, die zowel in de Latijnse als in de Orthodoxe ritus als heilige vereerd wordt.
![]() Byzantijnse iconen van Sint-ChristoffelDe geschiedkundige Sint christoffelSt. Christoffel was een lid van de Noordafrikaanse stam der Marmaritae. Hij werd gevangen genomen door Romeinse soldaten tijdens de campagne van keizer Diocletianus tegen deze Marmaritae (einde 301/begin 302) en naar Antiochie in Syrië gevoerd om te dienen in het Romeinse leger ( namelijk in de Cohors Tertia Valeria Marmaritarum, waarvan de naam voorkomt in de van latere datum zijnde Notitia dignitarum (401). Het was een cohorte, die inderdaad in Syrië dienst deed. Hij zou daar gedoopt worden door de uit Egypte gevluchte bisschop Peter van Alexandrië en onderging het martelaarschap op 09.07.308. Bisschop Peter zou dan maatregelen getroffen hebben om zijn resten terug naar Marmarica (Lybië) te brengen in 311. Hij is waarschijnlijk ook te identificeren met de Egyptische martelaar bekend als St. Menas. De oorspronkelijke auteur van de oudste, maar verloren gegane "Handelingen van Sint-Christoffel" is waarschijnlijk de ca 351-54 te Antiochië verblijvende bisschop Theophilus, de Indiër, of op zijn minst iemand uit zijn omgeving. Wanneer we nu de afbeeldingen van Sint-Christoffel, zoals hij voorkomt op sommige iconen in de Orthodoxe ritus, vergelijken met de afbeeldingen van Anoebis dan zien we inderdaad sterke gelijkenissen. In beide gevallen gaat het om een een menselijke figuur met hondenkop. Ook in hun opdracht zijn gelijkenissen te ontwaren. Anoebis was de god die de overledene doorheen de doolhof van het onderaardse begeleidde tot voor de troon van Osiris en daar samen met de god Thot het hart van de overledene afwoog tegen de pluim van Maat ( rechtvaardigheid). Ook zou hij volgens een legende de kleine Horus, na de dood van zijn vader Osiris en achtervolgd door zijn oom Seth, op zijn rug over de Nijl hebben gedragen. Hij had dus ook de functie overzetter en van reisbeschermer ( al zij het in de onderwereld) wat ook, maar pas in de Middeleeuwen, de functie van de Sint Christoffel zou worden. Dit alles zou voldoende zijn om sommigen ( waaronde nog Christiane Desroches de Noblecourt in haar recent boek "Le fabuleux héritage de L"Egypte" -Editions Télémaque 2004 ISBN 2 7533 0020 8 ) de overtuiging naar voor te laten brengen of op zijn minst te laten uitschijnen dat Anoebis een voorloper zou zijn van Sint Christoffel. De waarheid is echter minder poëtisch. Van het grootste belang hierbij is het feit dat Sint-Christoffel een lid is van de stam der Marmaritae in een vergeten uithoek van het Romeinse Rijk. Zowel in eerste Griekse als Latijnse overblijvende getuigenissen van zijn martelaarschap wordt hij beschreven als afkomstig uit een land van canibalen en mensen met een hondenhoofd. Sommige van de Griekse geschriften hebben deze passage letterlijk geïnterpreteerd en daarom wordt de Heilige in Byzantijnse iconen vaak afgebeeld met een hondenhoofd. De Latijnse traditie echter ontwikkelde zich langs een andere lijn. Reeds in vroege vertalingen van de originele Griekse term kunokephalos (hondenhoofdig) werd de Latijnse term canineus of hondachtige (van canis = hond) gebruikt. In andere geschriften werd dit dan tot cananeus (Cananiet of afkomstig van Kanaän) verbasterd. Maar de geciviliseerde Grieken en Romeinen waren reeds lang gewoon om bewoners die aan de rand van de hun bekende wereld leefden (zoas de Marmaritae) te beschrijven als canibalen, hondenhoofdmensen of nog erger. En wanneer de vroege auteur van de "handelingen van Sint-Christoffel" deze martelaar beschreef als zijnde afkomstig uit het land van canibalen en mensen met een hondenhoofd bedoelde hij met deze hem bekende culturele metafoor alleen maar dat de Heilige van de rand van de bewoonde en hem bekende wereld kwam en kon hij niet vermoeden dat men deze metafoor later letterlijk zou opnemen. Terug naar het eerste deel over Anoebis" |
Horus valk
DE GOUDEN HORUS![]() De gouden valk van Hiërakonpolis. De Horus valk werd reeds van in de predynastische tijd als hemelgod vereerd in de stad Nekhen, die later Hiërakonpolis ( Grieks voor de Valkenstad) zou worden genoemd. De stad waar zich de Horus tempel bevond ontleende haar naam Nekhen aan een nog oudere valkgod die kan onderscheiden worden van de jongere Horus door de twee grote gouden pluimen die hij droeg als kroon. De meer algemeen verspreidde Horus werd niettemin ook reeds vanaf de eerste tijden vereerd in de tempel te Nekhen als "Har-Nekheny" of "Horius de Nekheniet". Horus werd op verschillende plaatsen in Egypte vereerd onder steeds verschillende lokale titels. Dit is goed vergelijkbaar met de Apollo cultus bij de Grieken, die ook lokale varianten vertoonde zoals de Apollo van Delphi of de Phytische Apollo. Nekhen was het spirituële hart van het zuiden en men neemt aan dat een groep van goden met jakhals hoofden , bekend onder de naam van de "Geesten van Nekhen", de verpersoonlijking zijn van de semi-mythische vroege koningen van Nekhen. Aan de andere zijde van de Nijl lag de tweelingstad van Nekhen namelijk Nekheb. De giergodin Nekheb.t " ( zij van Nekheb) was ook bekend als "de Witte" omdat zij de Witte Kroon van Opper-Egypte droeg. De ruïne van haar tempel bevindt zich momenteel in de moderne stad El Kab. Een naam waarin de oude naam nog weerklinkt. Het was te Hiërakonpolis dat in 1898 de schitterende gouden kop van de oudste zonnevogel van Nekhen werd gevonden. Hij is bekroond met de ureaus (de cobra godin van Beneden-Egypte) en twee pluimen, die we ook bij Amon-Re terugvinden. De kop bestaat uit een houten kern waarrond een dikke laag bladgoud werd geslagen. De snavel is gesoldeerd en werd later apart toegevoegd. Emile Vernier een Franse edelsmid stelde vast dat de ogen gemaakt zijn van een enkele staaf obsidiaan , waarvan de uiteinden bolgeslepen en gepolijst werden. Het beeld stamt uit de zesde dynastie (ca 2.300 voor Chr.) en behoort tot de oudste edelsmeedwerken van Egypte die bewaard zijn gebleven. Hoogte van de kop is 10 cm, van de veren 28 cm, en de ureaus meet 5,1 cm. |
neboe
NEBOE =GOUD![]() Het oudste stratum van het continent , de oude Afrikaanse sokkel, is gemaakt van graniet en metamorfe rotsen, met aders van goud en dioriet. Hierboven heeft zich tijdens het Krijt zandsteen, hier en daar overdekt met gesteente van vulkanerupties, afgezet. Op dit alles heeft de warme Thetys zee alvorens zich terug te trekken een dikke laag krijt, schiste en kalksteen nagelaten. Daarna begon de Nijl of een van zijn voorouders aan een afwisseling van erosie en afzetting van klei en zand. Goud werd gevonden in de alluviale zandgrond van de wadi's en in de witte kwartsaders die men vindt in de binnenzijde van de vulkaanrotsen van de grote centrale keten die de Nijl van de Rode Zee scheidt. De oostelijke woestijnHet is mogelijk dat de Egyptenaren hun goud oorspronkelijk dolven in bepaalde alluviale Nijlzones of in beddingen van oude wadi's maar veel kan dat niet hebben opgeleverd. Goud werd vooral gewonnen in de kwartsaders van de oostelijke woestijn en in Nubië, dat er trouwens zijn naam aan zou ontlenen, neboe betekende immers goud. In de oostelijke woestijn strekken de vindplaatsen zich uit vanaf enkele km ten noorden van de moderne weg tussen Kena en Koesseïr aan de Rode Zee tot diep in Nubïe. De meest voorname exploitatie plaatsen zijn gelegen rond drie zones wiens natuurlijke afvoerwegen naar de Nijl leiden: te Kena en Kift (het Oude Koptos) , el-Kab en Edfoe. Dit gebied is verschrikkelijk heet en droog (er kan best een hele generatie lang geen druppel regen vallen). Maar het is wel gunstig gelegen. De Nijl maakt er een grote bocht naar de Rode Zee toe en nadert haar daar tot op ongeveer 130 km. Bovendien was er een weg door de bergen langswaar ezelkaravanen de door schepen aangevoerde goederen uit het Poentgebied naar Coptos konden brengen. In de Hamamatwadi , in een steengroeve die op drie dagmarsen van de Nijl gelegen was, werd ook de mooie "Bechensteen", een heel hard zwart garniet, gedolven. Daaruit werden de langste architraven en de slanke obelisken vervaardigd. Ondanks de onherbergzaamheid van het gebied wist de administratie er een voor de drie exploitatietypes gemeenschappelijke infrastructuur te centraliseren. Ten tijde van het Oude Rijk bewaakten garnizoenen zowel de mijnslaven als de karavaanroute die voortdurend bedreigd werd door nomadenvolken uit het kustgebergte Het is niet onmogelijk dat de exploitatie van deze goudaders een rol heeft gespeeld in de vorming van de eerste steden en stadsstaten in Opper-Egypte in het IVe millenium v. Chr. De predynastische stad Naqada bij de monding van de wadi Hammamat ( toen het Rohenoedal) was bekend als Nubt : de Goudstad. Als de farao een expeditie naar Poent stuurde kon de opperbevelhebber zijn prestige vergroten door uit Hammamat een gedeelte van de goud of steenproductie mee te brengen. Sommige van die goudmijnen zijn teruggevonden. Bij één ervan niet ver van het huidige El Fawakhir , staan nog duizenddriehonderd hutten : onderkomens voor de slaven, maar waarschijnlijk in de eerste plaats voor de soldaten en functionarissen. Het was dus een heel belangrijke mijn. De oudste geografische kaart is dan ook een soort "piratenkaart" waarop een diagram voorkomt van de goudmijnen in de wadi Hammamat. De kaart geeft de weg aan, die in zuidelijke richting naar het begin van de waddi leidde en dan naar het oosten afboog naar de mijnen van de secundaire valleien, die nog niet geïdentificeerd zijn. Er werden waterputten gegraven van verscheidene tientallen meters diep, om mens en dier te drenken. Op het grootste kaartfragment situeert zich een put die in 1304 op bevel van Sethi I op zestig kilometer van de Nijl werd gegraven De farao maakte een uitstap in de woestijn en vroeg zich af "Wat gebeurt er met de reizigers op deze weg ? Waarmee lessen zij hun dorst in deze immense woestijn? Hoe kan ik hen de mogelijkheid tot overleven bieden opdat zij mijn naam in de toekomst eer zouden bewijzen ? De door de steenhouwers gegraven put leverde zoveel water dat een stukje land kon worden bewerkt en dat de farao opdracht gaf op die plek een tempel en een stad te bouwen.
Deel van de "mijnpapyrus van Turijn" ten tijde van Ramses IV .Turijn :Museo Egizio cat . 1879.
|
Horus ? Schorpioen een koning uit Dynastie 0
Horus Schorpioen IIHet debat bij deze koning kan reeds beginnen bij de nummering. Deze koning Schorpioen II was reeds bekend door zijn knotskop uit Nekhen (NakadaIIIB/C1) toen naar aanleiding van G.Dreyer's publicatie (1998) een andere koning Schorpioen door de meeste Egyptologen aanvaard werd als zijnde de eigenaar van graf U-j te Abydos ( Nakada IIIA1/IIIa2) . Verschillende van de potten en verpakkingen in de opslagplaatsen aldaar vertoonden ingesneden ivoren labels en geverfde tekens in de vorm van een schorpioen hiëroglief. Als gevolg werd de reeds bekende en ook stilistisch later te dateren koning Schorpioen bedacht met het label II om vergissingen met zijn homoniem uit de periode Nakada IIIA1/IIIa2 van graf U-J te vermijden. Recent is daar echter twijfel over ontstaan.Vooreerst is het zo dat de namen van de meeste predynastische koningen in serechs voorkomen en dat nergens in het graf een Schorpioen serech werd gevonden. Anderzijds is het ook zo dat koningen waarvan wel serechs bekend zijn zoals Narmer de naam soms ook voorkomt zonder serech (zie hiervoor de achterzijde van het Narmer palet ) en dat b.v. van koning Ra/Iry evenmin serechs bekend zijn. Het wordt er niet duidelijker op door het feit dat er naast de schorpioen afbeeldingen in dit graf ook labels met andere dieren op gevonden. werden. Recent werd er dan ook duidelijk kritiek geuit op de eerste lezing van het materiaal uit tombe U-j waarbij het schorpioen teken als een koningsnaam wordt geïnterpreteerd. Het schorpioenteken en andere diertekens zouden eerder als plaatsnamen van herkomst of levering van de grafgoederen moeten worden gelezen. Maar dan vervalt natuurlijk koning Schorpioen I en blijft er misschien maar één koning Schorpioen (II) over ! Voor de volledigheid vermelden we dat een Brits televisie programma voorstelde dat de knotskop, het voornaamste argument voor zijn bestaan, een tribuut zou zijn geweest van Narmer aan koning Schorpioen I en dat er dus helemaal geen Schorpioen II zou hebben bestaan. (1) Op stilistische basis dienen de artefacten die aan deze koning kunnen worden toegewezen zeker op het eind van dynastie "0" geplaatst worden. Begraafplaats:Het graf van Schorpioen II is nooit met zekerheid gevonden . G.Dreyer en M.Hofman hebben op speculatieve gronden respectief volgende mogelijkheden voorgesteld : het vierkamerig graf B50 te Abydos, Oem el-Qaab en/of tombe 1, uit locatie 6 van de begraafplaats in Hiërakonpolis. (2)Monumenten en artefacten
Over welk gebied regeerde Schorpioen II ? Wanneer men abstractie maakt van zijn zogenaamd graf in Abydos dan zou hij evengoed een koning van Nekhen kunnen zijn die gelijktijdig met Narmer regeerde en misschien door deze opzij werd gezet. De rosette in plaats van de serech zou ook in deze richting kunnen wijzen. Uit de plaats van de vondst kan weinig worden afgeleid daar ook koning Narmers knotskop die zeker een vorst van This was op dezelfde plaats in Nekhen werd gevonden. Dreyer denk trouwens dat Schorpioen II een Thinitische vorst was wiens graf nog niet werd gevonden te Abydos. Later nam hij an dat graf B50 dit van Schorpioen zou zijn. Wanneer regeerde hij ?
(2) Dreyer, in: MDAIK 43, 1987; id., MDAIK 46, 1990 p. 71; Hoffman, The Sciences, Jan/Feb 1988, 40-7 (3) J.E.Quibell and F.W. Green , Hierkonpolis, 2 vols -London 1900 -1902 (4) Shaw, Ian; and Nicholson, Paul. The Dictionary of Ancient Egypt. p. 254. The British Museum Press, 1995 Monumenten en inscripties: Andere litteratuur [5]Edwards, I.E.S., The Early Dynastic Period in Egypt. in The Cambridge Ancient History, vol. 1, part 2, ed. Edwards, I.E.S, et al. p. 6. Cambridge University Press, 1965. @ F. J. Yurco, "Narmer: First King of Upper and Lower Egypt. A Reconsideration of his Palette and Macehead" in Journal of the Society for the Study of Egyptian Antiquities, No. 25, 1995, Figure 1 * Voor de mogelijke datering ( voorgesteld door G. Dreyer, in Umm el-Qaab I, 1998, 173ff.) van de Tehenoe palet (Steden palet) tijdens de regering van koning Schorpioen II cf. Dynasty. OOk L.D. Morentz has heeft recent nog (2004, 144ff.) de connectie tussen de "Boeto Palet" en koning Schorpioe bevestigd. with king Scorpion. ARTIKEL NOG ONDER CONSTRUCTIE |
Anoebis
Anoebis (Inpoe)
Beeld van Anoebis (onder in kleur) zoals aangetroffen door Carter in het graf van Toetanchamon."Hij met het hoofd van een wilde hond". De zeventiende westelijke nome of gouw van Boven-Egypte1 voert als embleem Anoebis maar dat wil nog niet zeggen dat Cynopolis, de hoofdstad van deze nome, de originele cultplaats van Anoebis was. Indien, zoals Sethe denkt, de pluim in de rug van de hond er op zou duiden dat het dier niet langer meer vereerd werd maar dat afbeeldingen ervan als het ware heilige afbeeldingen geworden waren dan moet zijn verering al zeer oud zijn. Zeker is dat hij reeds vanaf het Oude Rijk wordt beschouwd als de universele god van de begrafenis en de doden. Hij had ondertussen reeds gelijkaardige goden zoals Sokar, Wepwawet (Oepoeaoet), Chentimentioe uit Abydos, Ha en Amentit geassimileerd. In Lycopolis en Abt was de cultus van Anoebis bijzonder ontwikkeld. ![]() Hij verstrekt aan de overledene de begrafenis-offerande en wordt beschouwd als de "heer van de overledenen" en dit tot en met de vijfde dynastie. Op dat ogenblik wordt hij in deze rol door Osiris vervangen en wordt hij de assistent van deze laatste in het begrafenis ritueel. In het bijzonder waakt hij over de bewaring van het lichaam en dus de mummificatie. Hij had immers ook Isis en Horus geholpen bij de balseming van het lichaam van Osiris. Hij bezorgde hen de zalven en stoffen noodzakelijk voor dit doel. Hij kan zowat beschouwd worden als de apotheker van de goden en werd dan ook als het ware de beschermheilige van de lijkbalsemmers.
Anoebis neemt de mummie in ontvangst bij het begin van de onderwereldDit is in elk geval de traditionele opvatting. Volgens anderen (waaronder Chr. de Noblecourt) is Anoebis wel aanwezig bij de mummificatie van Osiris maar neemt hij niet actief deel aan het proces en raakt hij enkel het hart van de mummie aan om dit aldus naar de plaats van het oordeel te begeleiden. Er is inderdaad geen enkele tekst die uitdrukkelijk de deelname van Anoebis aan de mummificatie komt bevestigen.
De houding van Anoebis, zoals hier getoond werd vaak beschouwd als een actieve deelname aan de mummificatie in feite zou hij slechts het hart van de overledene aanrakenNaast de god van de lijkbalseming wordt hij ook beschouwd als de god van de begraafplaatsen. Jakhalzen, (alhoewel er volgens natuurkenner en Egyptoloog Louis Keimer in Egypte geen echte jakhalzen voorkomen) en wilde honden waren veel voorkomende aaseters op de Egyptische begraafplaatsen. Het vereren van Anoebis kan dan ook beschouwd worden als een manier om de lijken te beschermen tegen vernieling. Het is echter onder Egyptologen geen uitgemaakte zaak of de hondachtige die vaak met het Egyptische woord "sab" wordt aangeduid een wilde hond of een jakhals betreft. Maar naar alle waarschijnlijkheid gaat het toch om een min of meer zuivere soort van het ras Canis lupaster. Daarnaast dient opgemerkt dat de gelijkenis van de eigentijdse Basjeni hond met de afbeeldingen van Anubis treffend is. Zie hiervoor ook "de offerformule deel IV" Samen met Horus waakt Anoebis ook over de psychostasie of de "waag van het hart". Hij vergezelde de overledene naar Osiris troon voor dit ritueel van het wegen van het hart. Zijn voornaamste taak hierbij was het bewaken van de schalen waarop het hart afgewogen werd tegenover de pluim van de godin Maat (rechtvaardigheid). Oorspronkelijk was Anoebis de oppertse rechter maar deze functie ging over op Osiris.
Links onder begeleidt Anoebis de dode naar het oordeel. Iets verder naar rechts ziet men hem zorgvuldig de weegschaal afstellen. Het resultaat zal opgeschreven worden door Thot met de Ibiskop en aan Osiris, gezeten op de troon met achter zich de godin Maat, medegedeeld. Horus met de valkenkop zal de dode dan naar Osiris leiden om het verdict te horen. Indien het negatief is zal het beest naast de weegschaal (samengesteld uit delen van een krokodil, leeuw en nijlpaard) het hart verslinden en de overledene zal voor eeuwig ophouden met bestaanHij wordt afgebeeld als een wilde hond maar ook als een man met het hoofd van een hond. Priesters die bedrijvig waren bij de balseming of de begrafenisplechtigheid leidden droegen vaak een hondenmasker om de godheid uit te beelden. Anoebis wordt dikwijls bij de ingang van het graf afgebeeld en niet zelden door twee afbeeldingen in spiegelbeeld. Maar het han hier ook om Oepoeaoet gaan. Een afbeelding van Anoebis was ook terug te vinden op de zegels waarmee de tomben in de vallei der koningen werden afgesloten. Een liggende Anoebis werd hierop afgebeeld boven een set van negen gebonden gevangenen met als betekenis dat Anoebis het graf tegen boosdoeners zou beschermen. <:p> De zwarte kleur van Anoebis is terug te voeren op de kleur van vergane lijken maar ook op de bitumen van de balseming en de zwarte aarde (kemet) van de Nijvalei. Deze aarde jaarlijks aangebracht door de overstroming was nauw verbonden met het idee van "wedergeboorte". Het zwart had dus niets met rouwen te maken integendeel. De zittende Anoebis droeg vaak een ceremoniële halsband on de nek en soms een sechem-scepter ( net als Osiris). In zijn meest traditionele vorm komt Anoebis liggend voor ("hij die op zijn buik ligt") iets wat hem onderscheidt van de door hem geassimileerde Oepoeaoet die meestal staande op vier poten afgebeeld. Anoebis heeft ook verschillende bijnamen en titels ![]() 2.Hij die op zijn berg zit (tepi djoe-ef). Anoebis zit namelijk op de toppen van de bergen van de westelijke oever boven de de begraafplaatsen die hij van daaruit bewaakt. 3.Heer van het heilige land.(neb ta djeser). Met het Heilige Land bedoelde men de woestijn en de daarin gelegen necropolen waar de begrafenissen plaatsvonden. 4.Degene die over gods paviljoen heerst. (chenti seh netjer). Hiermee wordt de grafkamer of de plaats (hut of tent) waar de balseming plaatsvond bedoeld. 5. Hij die in de plaats van de balseming is. ( imi-oet ). Men stelt hem zich dan voor gehuld in een soort van nebride ( huid van hertekalf en meer algemeen dierenhuid) als allusie op de oude overgangsriten waarbij het lichaam bij de begraving in een dierenhuid( out) gewikkeld was. 6.Slechts in enkele gevallen wordt Anoebis genaamd als de "per nefer" een term die op het huis van de mummificatie ( of misschien huis van de vitaliteit) duidt. Wat dan dus toch zou kunnen wijzen op zijn betrokkenheid bij deze mummificatie. 7. Zonen van de hesat-koe. Dit meervoud vergt enige verklaring. Anoebis werd ook in verband gebracht met de imioet fetisj. Deze bestond uit de onthoofde huid van een dier aan een paal opgehangen ( cfr imi-oet onder nr 5). In het begrafenismateriaal van het Nieuwe Rijk zijn afbeeldingen van deze imioet-fetisj bekend en een beeldje ervan werd aangetroffen in het graf van Toetanchamon. Beiden, de fetisj en Anoebis, werden beschouwd als de zonen van de hesat-koe. 8. Opener van de weg (oepoeaoet). Een titel die ook aan Anoebis werd toegeschreven maar in feite aan een afzonderlijke godheid behoort. Samen met Anoebis begeleidde hij de doden door de onderwereld naar de troon van Osiris. In feite was Anoebis dus een beschermer van de dode en zijn mummie. Hij was ook aanwezig bij de ceremonie van de opening van de mond en beschermde en begeleide de overledene op zijn tocht door de onderwereld. Merkwaardig is dat in verschillende culturen de hond als begeleider in de onderwereld wordt voorgesteld. In Peru en Mexico werden honden bij de begrafenis geofferd en het is niet onmogelijk dat eenzelfde idee aan de basis van de cultus van Anoebis lag.
Anoebis of een priester met een Anoebismasker bij de ceremon,ie van het openen van de mondOver zijn afkomst was men het niet eens. Hij wordt soms beschouwd als de vierde zoon van Ra maar ook nog (volgens de theologie van Heliopolis) als de zoon van Nephtys en Osiris alhoewel men doorgaans Seth voor zijn vader hield. De beide laatste stellingen duiden erop dat Anoebis wellicht oorspronkelijk een kosmische god was en ergens een fase van de duisternis van de nacht ( en dus het westen en de verblijfplaats van de doden) verpersoonlijkte. (1) Anubis, herr von Sepa und der 18 oberägyptische Gau.ZДS 58( 1923), 79-101, Der Gau von Kynopolis und seine Gottheit, MIO 6(1958), 157-75
Terug naar de godenlijst |
Laatste Updates| Laatste aanpassingen Home 05.06.2009: Koning Schorpioen 26.07.2008: de god Anoebis (Inpoe) 11.07.2008: de god Aker 03.07.2008 : Lijst van de farao's 01.06.2008 : samenvatting van de Egyptische geschiedenis toegevoegd. 25.05.2008 : Plioceen tijdvak toegevoegd en een deel van de samenvatting van de geschiedenis 18.05.2008 : Indeling hoofdstuk Religie, lijst van alle goden, beschrijving van de god Amon. 17.05.2008 : Het Oligoceen, Mioceen toegevoegd aan de geologische tijdvakken 04.05.2008 : GoudenHorusnaam van Toetanchamon in hiërogliefen 03.05.2008 : Horusnaam van Toetanchamon in hiërogliefen maar ook zij nebti naam . . 03.02.05 Indeling hoofdstuk Bestuur 02.05.2008 : Paleoceen en Eoceen toegevoegd aan geologische tijdvakken Home |
Aker
AkerAker was een god van de aarde. Hij hield toezicht op de overgang van de westelijke naar de oostelijke horizon, die de in- en uitgang van de onderwereld vormden. Daar waar de zon verween en zijn nachtelijke tocht in de wereld van de doden begon en daar waar iedere ochtend de zon weer oprees uit deze donkere wereld hield hij de wacht. Hij wordt meestal afgebeeld als twee rug aan rug zittende leeuwen maar ook als een stuk land met aan elk uiteinde ofwel een leeuwenkop ofwel een mensenhoofd. In het begin betrof het een stukje land met slechts aan één zijde een mensenhoofd 1 en pas later werd een tweede hoofd toegevoegd om hem als goddelijk wezen te onderscheiden2. De god door wiens lichaam de zon werd opgeslokt en dit terug verliet na haar nachtelijke tocht door er doorheen.
Afbeelding van de Aker(oe), als twee leeuwen, die de opgaande zon Achet op hun rug en de hemel Noet op hun hoofd schragen, Afbeelding uit het Dodenboek van Ani , negentiende dynastie,ca 1250, geschilderd op papyrusSinds het Nieuwe Rijk worden ook de voorpoten van een leeuw aan het hoofd toegevoegd. Het wordt dan als het ware een dubbelsfinx . Nu en dan zal het mensenhoofd door een leeuwenkop vervangen worden. Waarom de overgang van mensen naar leeuwenhoofd plaatst vond is niet met zekerheid geweten. Aanleiding daarvoor kan geweest zijn dat Aker in de dodenteksten vaak optrekt met de luchtgod Sjoe (en dus met Roeti, het leeuwenpaar van Leontopolis, die met Sjoe en Tefnoet geïdentificeert werden )3 . De dode wil namelijk niet in de aarde blijven; wel willen zijn voeten op Aker (aarde) rusten maar zijn hoofd wil zich door Sjoe (lucht) omringd zien 4. De leeuwen of de hoofden zijn respectievelijk naar het westen en het oosten gericht waar de zon ondergaat en opstaat. In de pyramide teksten 5 spreekt men tot de mensen voor wie de poorten van de onderwereld geopend zijn aldus " de poorten van de aardegod (Aker) zijn geopend voor jou". Aker is dus, ondanks de gruwel die hij opwekt, de dode niet ongunstig gezind en onder de amuletten die men aan de doden meegeeft vindt men ook afbeeldingen van Aker 6. Maar hier is één van de leeuwenkoppen soms vevangen door een stierenhoofd. Een verwijzing naar Osiris, "de stier ven het Westen". Verder vinden we Aker vooral in kosmische afbeeldingen terug. De koningsinscripties uit het Oude Rijk zijn dikwijls symbolisch door aarde, hemel en hemelsteunen omringd, waarbij de aarde door Aker uitgebeeld wordt.7. Verder vinden we Aker in afbeeldingen van de kringloop van de zon. 's Nachts beweegt de zon zich door het lichaam van deze God ( een variante op de doorgang van de zon door het lichaam van de hemelgodin Noet) om 's morgens weer uit zijn lichaam te voorschijn te komen. Men beeldt dit uit door de zonnebark tussen de hoofden van Aker te laten opgaan zoals de zon tussen de bergen.8.
Aker draagt het zonneschipZo worden beide hoofden dan ook symbool voor het oosten en het westen en van daaruit is het kleine stap om hen te bezien als bewakers van deze horizonten, die de toegang tot de geheimen van de onderwereld bewaken. In de latere theologie zullen de leeuwen afzonderlijk beschouwd "Sef" en "Doeaoe" genaamd worden wat zoveel wil zeggen als "gisteren" en "vandaag". Aker stond dus nauw in betrekking tot de reis van de zon in de onderwereld en later werd de houder van de mast van de zonneboot dan ook met Aker geïdentificeerd. Ook werd het concept van de sfinxachtige figuren die de onderwereld bewaakten uitgebreid en beelden van leeuwen of sfinxen werden aan de ingang van graftomben en paleizen gezet om deze te bewaken. Al bij al speelt Aker maar een bescheiden rol ind e myhtologie en als aardgod werd hij al snel door Geb uit de kosmogenie van Heliopolis (On) overvleugeld, daar waar de pyramide teksten 9 beide goden nog als gelijkwaaridg behandelen. Soms komen ze samen voor in afbeeldingen en de gestalte van Geb wordt dan door Aker op de rug of de schouder gedragen. In de oudste teksten werd zijn naam nog geschreven met het teken "aarde" , een smal stukje land. De naam van deze god in hiërogliefen vindt u hieronder. Het heeft niets moeilijk en is in zuivere unileterale tekens geschreven met het teken van zittende god als determinatief. ![]() Anderzijds komt ook de meervoudsvorm van Aker n.m.l. Akeroe voor. Normaal betreft het twee goden en verwachten we een dualis "Akeroei" en deze komt ook voor. In vele gevallen echter zijn de Akeroe aardegeesten die onder de vorm van slangen de doden bedreigen 10
Lit:
|
Lijst Farao's
Lijst van de farao's
Terug naar Geschiedenis |
Samenvatting van de geschiedenis
Samenvatting van de geschiedenis van het Oude EgypteGeleerden verdelen de lange geschiedenis van het Oude Egypte in periodes en dynasties. De indeling in periodes is een uitvinding van de moderne Egyptologie waarbij de dynasties gegroepeerd worden in grotere tijdvakken meestal overeenkomend met periodes van eenheid en verdeeldheid van het land. De Dynastische Periode van Egypte begint rond het jaar 3000 v.Chr. wanneer het land onder één centrale regering komt. Voor die tijd was Egypte verdeeld over een paar lokale machtscentra en deze periode staat bekend als de Predynastische Periode. Meestal bedoeld men met de Protodynastische Periode de periode van de eenmaking van het land vlak voor de Eerste Dynastie. Meest waarschijnlijk was deze eenmaking niet het gevolg van een enig feit of veldslag maar een langzaam en progressief gebeuren. Manetho laat zijn 1e Dynastie beginnen met de legendarisch koning Menes, die Noord- en Zuid-Egypte verenigde en een nieuwe hoofdstad bouwde te Memfis ( net ten zuiden van het huidige Cairo). De Egyptologen zijn er nog steeds niet uit met wie, van de archeologisch bekende farao's, deze Menes nu moet geïdentificeerd worden. Tegenwoordig neemt men aan dat de eerste koning van de 1e Dynastie ofwel Aha, ofwel zijn voorganger, Narmer zou zijn. Maar in feite zijn er veel argumenten om aan te nemen dat reeds een aantal koningen voor Narmer controle hebben uitgeoefend over een groot deel van, zoniet over gans, Egypte. De Egyptologen groeperen deze koningen in een "Dynastie 0".
Strijdknots met afbeelding van koning "Schorpioen" (Dynastie 0)De dynasties 1 en 2 werden door Egyptologen gegroepeerd in een ARCHAÏSCHE PERIODE (ca 3200 -2686 v.Chr.) die ook naar de stad van afkomst (This) van deze farao's wel eens THINIETENTIJD genoemd wordt. Tijdens deze periode kunnen we reeds de ontwikkeling volgen van vrijwel alle traditionele aspecten van de Egyptische beschaving op gebied van regering, godsdienst, kunst, schrift e.a.
Beeld van farao Chasechem (Dyn. 2)Maar het is tijdens de Dynastie 3 tot 6, gegroepeerd in het OUDE RIJK (ca. 2686 - 2172 ) dat de Egyptische cultuur volledig tot bloei kwam. Dit is de tijd waarin de grote pyramiden werden gebouwd en ook deze van het verschijnen van volledige hiërogliefen teksten.
Beeld van koning Djoser (Derde Dyn)Na de Zesde Dynastie begon het centraal gezag in Egypte te verslappen en ving een periode van oproer en verwarring aan, die bekend staat al de EERSTE TUSSENPERIODE (Dynasties 8- 11, 2173 - 2040).
Gewicht met de cartouche van farao Chety Nebkaoere (9 & 10 dyn.)Rond 2040 slaagde Mentoehotep II, een koning van de Elfde Dynastie, erin opnieuw gans Egypte onder zijn scepter te herenigen. Daarmee werd de periode van het MIDDENRIJK (Dynasties 11 -12, ca 2040 - 1786) ingezet. Met de Twaalfde Dynastie, die vanuit een nieuwe hoofdsad Lisht (een dertigtal kilometer van Cairo verwijderd) regeerde, begon een tweede luisterrijke periode voor de Egyptische cultuur. De eerste grote werken in de Egyptische literatuur werden toen geschreven in een fase van de Egyptische taal die bekend staat onder de naam klassiek of Midden-Egyptisch.
Koning Sesostris I (dynastie 12) 1965-1920 v.Chr.Na de Twaalfde Dynastie begon het centrale gezag opnieuw te verzwakken en begon voor Egypte de TWEEDE TUSSENPERIODE (1789 -1552 v.Chr. Dynasties 13-17). Deze startte nog tijdens de Dertiende Dynastie toen een aantal lokale heersers de controle over de Delta overnam. Rond 1650 namen heersers van een Aziatische nederzetting in Delta de controle over het grootste gedeelte van Egypte over. De Egyptenaren noemden deze koningen de "heka hasoet", de buitenlandse heersers of Hyksos. Deze koningen worden traditioneel ondergebracht in de Vijftiende Dynastie. Ondertussen nam de Dertiende Dynastie een einde maar rond Thebe, in het zuiden van Egypte stond een nieuwe dynastie van lokale heersers (Zeventiende Dynastie ) op en in de Westelijke Delta regeerden koningen van de Zestiende Dynastie ( waarschijnlijk als vazallen van de Hyksos). ![]()
Beeld en cartouche van koning Apepi = Ippi (Hyksos)Na een serie gevechten slaagden de koningen van de Zeventiende Dynastie er in de Hyksos te verdrijven en Egypte weer onder één scepter te herenigen. Dit luidde het begin van de Achtiende Dynastie en meteen ook van HET NIEUWE RIJK (1552 -1069 v.Chr., dynasties 18-20) in. De Egyptische cultuur straalde weer uit en nu ook over een groot deel van het Nabije-Oosten, dat de farao's van de Achtiende Dynastie hadden weten te veroveren. Grote bouwprojekten werden op touw gezet maar op het eind van de Achtiende Dynastie zou de "ketterse " farao Achnaton een periode inluidden van onrust (hij trachte een monotheïstische godsdienst op poten te zetten). Dit tijdperk van Achnaton en zijn onmiddellijke opvolgers waaronder Toetacnhamon staat bekend als de "Amarna periode" (ca 1350-1323 v.Chr.).
Reuzenbeeld van Ramses II (tempel te Aboe Simbel)De laatste farao van de Achtiende Dynastie Horemheb slaagde er wel in de gevolgen van de hervorming en de verwaarlozing van de buitenlandse betrekkingen recht te trekken en heerste opnieuw over een stabiel en sterk rijk. De meeste vorsten van de twee volgende dynasties droegen de naam Ramses en deze periode staat bekend als de periode van de Ramessieden(Dynasties 19-20, ca 1295- 1070/69 v.Chr.). De regering van Ramses II (ca 1279-1213 v.Chr. ) vormde het hoogtepunt van deze periode, gekenmerkt door een vredesverdrag met de Hittieten ( de tweede grootmacht van het Nabije-Oosten) , opmerkelijke vorderingen in de theologie en de filosofie en de grootste bouwprojecten sinds de pyramiden 1300 jaar voordien. Alhoewel de meeste opvolgers van Ramses II dezelfde naam droegen waren het maar zwakke afspiegelingen die met moeite de erfenis voort torsten.
Afbeelding van farao Psammetichos I 644-610 v.Chr. (Saïtische periode)De Saïtische periode kwam echter brutaal tot een eind door de verovering van Egypte door de Perzen in 525 v.Chr. Voor het eerst in de eeuwenlange geschiedenis van Egypte werd het land geregeerd niet als een onafhankelijk koninkrijk maar als een provincie van een vreemd rijk. Toen Alexander de Grote het Perziche Rijk veroverde viel ook Egypte in zijn handen (332 v.Chr.). Na zij dood zou Egypte onder het gezag van een van zijn generaals, Ptolemaios genaamd, vallen. Alhoewel ze van Macedonische komaf waren regeerden hij en zijn opvolgers als echte Egyptische farao's. Gedurende hun driehonderjarig bewind, bekend als de Ptolemeïsche Periode ( 323 -30 v.Chr.) zou Egypte opnieuw heropleven onder een sterk centraal gezag met een voortdurend programma van herbouwing en verbouwing van de oudere monumenten.
Munt van Ptolemaios IV Philopator 221-205 v.Chr.Aan dit tijdvak kwam een eind in 30 v.Chr. toen Marucs Antonius, bondgenoot van Cleopatra VII door Octavianus ( de latere keizer Augustus) verslagen werd in de zeeslag bij Actium. Egypte werd een provincie van het Romeinse Rijk. Alhoewel gedurende de eerste vierhonderd jaar Egypte zijn tradities min of meer behield onder de Romeinse keizers als nominale farao's , ging de Egyptische identiteit toch progressief verloren. Eerst door beinvloeding van het christendom (Koptisch Tijdvak) en daarna in 641 door deze van de Islam (bij de verovering van het land door de Arabieren). Terug naar geschiedenis |