Amon

WELKOM OP DEZE WEBSITE GEWIJD AAN ALLE ASPECTEN VAN HET OUDE EGYPTE DER FARAO'S
Een herschikking van het blog is aan de gang om alle delen aanklikbaar te maken vanuit het centrale Inhoudsmenu. Enig geduld wordt op prijs gesteld. Ondertussen kan u nog steeds bij de artikels terecht via de inhoud in rechterkolom |
Amon
Religie indeling|
|
Lijst van de goden|
|
Het Bestuur
Het Bestuur
|
Cursus Hiërogliefen
Geologische periodes van de aarde
Voor een beter begrip van de geologische evolutie van de Nijl worden hier de opeenvolgende geologische periodes op een rijtje gezet. Voor de Nijl zijn alleen de laatste periodes van belang. Maar het leek ons nuttig en interessant om ook de andere periodes in het licht te zetten en even de grote trekken ervan te bespreken.
De tijdschaal wordt uitgedrukt in miljoen jaar (Ma) . Ze vangt aan met het eerste eon het Hadeïcum ( afgeleid van de Griekse god van de onderwereld Hades) . Het is de periode tussen het ontstaan van de aarde en het voorkomen van de eerste sedimentaire gesteenten. Het oudtse bekend mineraal gesteente dateert van 4.400 Ma geleden. Men neemt algemeen aan dat er tijdens het Hadeïcum geen leven bestond op aarde. In het Archaïcum ontstonden de eerste cellen en er wordt aangenomen dat zo'n 70% van de landmassa op aarde in dit tijdvak is ontstaan. Ook vormden zich eenvoudige bacteriën en planten zoals algen, die door middel van fotosynthese glucose konden maken uit zonlicht , CO2en water waarbij ook zuurstof werd geproduceerd. De volgende eon is het Proterozoïcum. Een tijdperk waarbij complexe levende organismen nog niet veelvuldig voorkwamen. De eon wordt ingedeeld in drie era waarbij in het Paleoproterozoïcum de continenten voor het eerst stabiliseerden. De era wordt verder onderverdeeld in verschillende periodes. Tijdens het Mesoproterozoïcum vormde zich voor het eerst een zuurstof bevattende atmosfeer. Voor deze tijd was alle leven op aarde anaëroob (met een ademhalingscyclus zonder zuurstof) en was zuurstof zelfs toxisch voor het leven. Een groot gedeelte van het aardse leven verdween dan ook tijdens deze periode (Zuurstof katastrofe). In het Callymium brak het supercontinent Columbia in stukken. Ook ontstond toen, meer bepaald in de Ectasium periode de eerste vorm van sexuele reproductie ( rode algen) . Het Stenium zag het ontstaan van een nieuw supercontinent Rodinia genaamd. Binnen het tijdsbestek van het Neoproterozoïcum situeren zich een paar ijstijdperken waarbij deze in het Cryogeen bijzonder zwaar waren en ijs de aarde bedekte tot aan de evenaar (Sneeuwbal Aarde)
Aarde tijdens de Cryogene periode naar William T. Hyde, Thomas J. Crowley, Steven K. Baum and W. Richard Peltier in Nature 405, 425-429(25 May 2000).Tijdens deze cryogene periode brak het supercontinent Rodinia in stukken en begon de vorming van het supercontinent Pannotia. Multicellulaire organismen zijn karakteristiek voor de laatste periode voor het Cambrium het Edicarium. Het eon volgend op het precambrium en tevens het huidige eon is het Fanerozoïcum of het eon van het zichtbare leven. De biodiversiteit tijdens dit eon zal geweldig toenemen. Het wordt onderverdeeld in drie era waarvan de Paleozoïsche era de eerste is met als eerste periode het Cambrium. Een periode waarin de biodiversiteit exponentieel toenam. Men spreekt dan ook van de "Cambrische explosie". Bij de start van het paleozoïcum bestonden alleen bacterieën, algen en sponsen. Op het eind van de era vinden we op de continenten verschillende reptielsoorten en moderne planten. De era start kort na het uiteenvallen van het supercontinent Pannotia en het stoppen van het Varanger Ijstijdperk. Tegen het eind van de era vormden de verschillende continenten opnieuw een supercontinent Pangea genaamd.
Aarde bij aanvang van het cambriumOp het Cambrium volgt het Ordovicium. Een periode die begint en eindigt in en catastrofe waarbij een groot deel van het leven op aarde uitsterft. Zuid-Amerika en Afrika vormden één continent, Gondwana genaamd, dat afdreef naar de Zuidpool. De continenten Laurentia, Siberia,en Baltica bleven gescheiden (sind het uiteenvallen van Pannotia ), maar Baltica begon naar Laurentia te bewegen en Avalonia brak los van Gondwana en ging op drift naar het noorden naar Laurentia toe. De zeespiegel was hoog . Op het eind van periode bereikte Gondwana de zuidpool en was bedekt met ijs. De periode eindigde met de vernietiging van 49 tot 60% van alle levende mariniene soorten vermoedelijk door herhaalde ijstijdperken. Nu volgt het Siluur. Gondwana bleef zich verder naar het zuiden bewegen maar de ijskappen waren minder uitgesproken en de zeespiegel rees dus nog hoger. De andere continenten dreven naar elkaar en naar de evenaar toe en vormden een tweede supercontinent naast Gondwana namelijk Euramerica. De botsing van Noord-Amerika met Europa gaf aanleiding tot uitgesproken bergvorming ( Caledonische bergvorming) Op eind van de periode daalde de zeespiegel. Het klimaat was uitgesproken warm. Het zeeleven ging zijn gang en de eerste beenvisssen verschenen in de oceanen. Op het eind grepen een paar kleine uitstervingsperiodes plaats Volgt nu het Devoon Tijdens deze periode ontwikkelden zich de eerste vissen met poten en gingen zij aan land. Tegen het eind van de periode werd het zeeleven weer getroffen door een periode van uitsterven. Nu volgt het Carboon waarbij aan land Coniferen verschijnen. Gondwana, stoot op Euramerika (Laurasia) en het supercontinent Pangea, hieruit gebormd, doet aldus zijn intrede. Noord China (dat aansluit bij het eind van het Carboon) en Zuid-China blijven eerst nog gescheiden van Laurasia. Het klimaat was warm maar koelde af tegen het eind van de periode. Be basis voor steenkoolvorming op grote schaal werd gevormd door uitzonderlijk grote moeraswouden in Noord-Amerika en Europa. De uitvinding van het "ei met een vruchtvlies of amnion" , dat verhindert dat de foetus in de vruchtzak uitdroogt laat aan de viervoeters toe zich nu ook op land voort te planten. In het midden en op het eind van de periode deed zich opnieuw een periode van uitsterven voor. Het Perm is de volgende periode, gekenmerkt door onder meer een lagere zeespiegel. Bijna alle landmassa's, op uitzondering van delen van Oost-Azië, waren in een enkel supercontinent Pangea verenigd. Hierdoor werd de kustlijn veel korter en stierven een aantal soorten in deze biotoop uit.
Pangeia in het late Perm met onderaan Gondwana en daarboven Noord-Amerika en Europa en helemal bovenaan Siberiл | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Paleo-, Proto-, Pre- en Neonijl
Geografie
Geografie van Egypte
Terug naar het begin van het blog |
Geschiedenis
Geschiedenis
Terug naar het begin van het blog |
Eonijl
Nijl_Quaternair
Evolutie van de Nijl in het Quaternair tijdperkDe Huidige situatieOm de evolutie van de Nijl in het Quaternaire Tijdperk te verstaan is het onontbeerlijk om de originaliteit, enig op aarde, van deze regio onder ogen te brengen met name het contrast tussen de vallei van de Nijl en de Delta. Langs de ene zijde een smalle vallei omringd door brandende woestijnen en anderzijds de wijdse groene Delta. In het Quaternair is de tegenstelling tussen deze regio's nu eens toe- en dan weer afgenomen naargelang de veranderingen in het klimaat. Niet alleen het klimaat ter plaatste maar ook dit van veraf gelegen oorden zoals de streek der Grote Meren en bergketens van Abyssiniл (Ethiopiл). Wanneer de woestijn vervangen werd door steppes gingen de mensen zich in kleine groejes verspreiden maar werd het klimaat warmer en droger dan dwong de natuur hen zich te verzamelen in de vallei waarbij de organisatie in steeds groter wordende groepen als het ware onvermijdelijk werd. In het noorden van het land zal de nabijheid van de Middellandse zee de jaarlijkse neerslag verhogen ( 240 mm te Alexandriл) en de temperatuur binnen bepaalde grenzen bufferen ( 26 C maandgemiddelde in augustus te Alexandriл). Eens men meer in het binnenland binnendringt loopt de temperatuur snel op evenals het verschil tussen winter- en zomertemperatuur ( maandgemiddelde van 41°C in augustus en 7,5°C in januari te Oeadi-Halfa). De relatieve droogte van de lucht zal het verschil tussen de dag en nacht temperatuur nog doen aangroeien en vaak ligt de nachtelijke temperatuur zelfs tegen het vriespunt aan. Ten westen van de Nijlvallei strekken zich de zand- en kalkstenen plateaus van de Libysche woestijn uit. Het zijn de hamadas, begrensd door plotse steile wanden en doorsneden met uitgedroogde valleien gevuld met duinvelden. Breuken begrenzen langwerpige depressies waarin zich een keten van oases (Kharga, Farafra, Sioeah) hebben genesteld.In het noorden domineren deze hamadas de depresie van Kattara en in het noordwesten deze van de Fajoem. In het oosten vormen de bergen, van de Arabishe keten een meer uitgesproken reliлf en domineren de Rode Zee met hun steile, rechte breuklijnen daterend uit het Tertiair. De Nijl zelf, deze miraculeuze stroom die door de Egyptenaren tot god werd verheven, stroomt meer dan 3000 km door de Egyptische woestijn zonder ook maar йn zijarm te ontvangen. Zijn debiet wordt bepaald door dit van de Witte Nijl dat zijn water ontvangt via de Semliki vanuit het George- en Edwardmeer en via de Kagera vanuit het Victoriameer. Vanuit het Albertmeer vertrekt de Bahr-ed-Djebel ( de stroom van de bergen), ontvangt verschillende bijrivieren od zijn rechteroever en daalt snel af naar de Soedanese vlakte. De Witte Nijl, de verlenging van de Bahr ed-Djebel naar het noorden toe draineert dus streken gelegen op de evenaar en zijn debiet is het ganse jaar behoorlijk groot. In Khartoem ontvangt de Witte Nijl de Blauwe Nijl en wat meer stroomafwaarts de Atbara. Beide stromen ontspringen in het Ethiopisch gebergte en worden voornamelijk gevoed door de zomerregens die begin mei beginneen en begin september eindigen. De Witte Nijl zorgt dus voor een basisdebiet waarop zich tijdens de zomer het toegenomen debiet van de Blauwe Nijl en de Atbara ent waardoor de overstromingen ontstaan. Evolutie in het Quaternairwordt vervolgd<>.
|
Opvatting over geschiedenis


Volgens de faraonische gedachte bestond er geen geschiedenisen ook geen technische of intellectuele vooruitgang. De fysische wereld was geschapen door de oergod. De monarchie, geboren met de zon, had zijn vorm en functies aangenomen wanneer Horus, zegevierend over Seth, de Twee Landen verenigd had. Nadien hadden half-goden geregeerd over Egypte, obscure monarchieën, centraal of regionaal, in Memphis en This (volgens Manetho)," dienaars of volgelingen van Horus" in Hiérakonpolis en Boeto ( volgens een priesterlijke encyclopedie uit de Late Tijd). De troonsbestijging van een zekere Menes luidde dan de periode van de menselijke koningen in. Maar deze historische koningen zijn daarom, volgens hun opvatting, niet minder goden. Erfgenaam en vertegenwoordiger van Re zorgt iedere nieuwe Horus door het uitvoeren van de juiste rites voor het functioneren van de cosmos en onderhoudt hij de juiste orde (Maat) op het ondermaanse.
Dit oerconservatief concept maakt van de geschiedenis een eeuwige herhaling en houdt ook in dat alles al geschapen werd in de primordiale momenten van het scheppingsproces. Alles of toch bijna alles. Het is dan ook niet verwonderlijk om te constateren dat de kunst en de gewijde teksten die die moeten aantonen "wat er is" en "wat er moet zijn" iedere plastische of technische vernieuwing, die werd uitgevonden of ingevoerd gedurende de drie duizend jaar dat het faraonisch rijk zich staande hield, afstompten of zelfs verwaarloosden.
En wat "primitief", "prehistorisch", of "totemachtig" lijkt in de iconografie (beeldvorming) of het bestuur van deze uitzonderlijk "moderne" staat is in feite allen maar "primordiaal"( in de betekenis van bij de schepping ontstaan) maar dan wel meer dan ooit actueel.
In het Oud-Egyptisch collectief geheugen komen maar zelden verwijzingen voor naar een menselijke voor- of protogeschiedenis. In de vergelijkende ethnologie merkt hierover op dat wat vooral opvalt niet alleen het ontbreken is van een eerste mens of een primitief koppel maar ook van elke sage die een of ander held ten tonele voert om de "beschaving" aan te brengen. Zelfs een buitengewone innovatie, de uitvinding van de pyramide als koningsgraf en de architectuur in gehouwen steen onder koning Djoser ( 3e Dynastie) werd uiteindelijk aan de goden toegeschreven. De architect Imhotep werd een zoon van de god Ptah, de god die hout en steen geschapen had en kunsten en ambachten had uitgevonden.
In het begin kende men in het westen ook niet veel van de obscure milennia van de prehistorie en de duistere eeuwen van de eerste twee dynastieën. Toen in 1866 Emmanuel de Rougé zijn "Recherches sur les monuments qu'on peut attribuer aus six premières dynasties de Manéthon " ( Opzoekingen over de monumenten die men aan de eerste zes dynastieën van Manetho kan toeschrijven) publiceerde, reikte de kennis niet veel verder dan de derde en vierde dynastie.
De Egyptenaren lieten de schepping plaatsvinden 30.000 jaar en het verschijnen van de mens 5.000 jaar voor Christus geboorte. Dit was onaanvaardbaar volgens de toen heersende katholieke opvatting. Volgens de bijbel was de schepping niet ouder dan circa 4000 jaar. De katholieke wereld werd dan ook gescandaliseerd door de opvatting van Champolion die de mening van de Egyptenaren bijtrad. Het zogenaamd "Egypte van voor de zondvloed " werd slechts moeizaam en sporadisch ontdekt. Het is pas in 1868/9 dat de geoloog Arcelin en de prehistoricus Hamy voor het eerst de prehistorische ateliers in het zand van de Saïd ontdekten. Zo werd de prehistorie van de Nijl ingepast in de algemene prehistorie van de mensheid.
De Thinitentijd begon pas vorm te nemen met de opgravingen van Amélineau te Abydos in de jaren 1890. Ondertussen is veel veranderd en de minitieuse methodes van de moderne archeologie zijn er in geslaagd de eerste technische realisaties van de opeenvolgende bevolkingen van de Nijlvallei in kaart te brengen als lokale mijlpalen van de algemene technische vooruitgang van de mensheid. Ze zijn er ook in geslaagd de elementen te reconstrueren die ons laten begrijpen hoe een monarchische staat ontsproot uit de verscheidenheid van deze lokale beschavingen
Wat het paleolithicum betreft kunnen we nog niet echt, tenzij uit gewoonte en conventie , spreken van Egyptenaren. Noch het landschap, noch zijn bewoners waren toen al wat ze in historische tijden zouden worden. Wat men aan de Nijl dan kan beschrijven is een vooruitgang in de werktuigen en adaptatie aan de omgeving van kleine groepen jagers, vissers en plukkers. Een Paleolithicum met meer dan genoeg lokale variaties binnen een Afrikaans geheel. Met interesse ontdekken we hier voor het eerst de systematische exploitatie van wat Egypte te bieden had o.a. visserij in stilstaand water, geologische kennis maar ook het oudst bekende graf op het Afrikaans continent.
Hierbij dient men zich voor de geest te houden dat de geschiedenis van Neder-Egypte op dit gebied zowel topografische als chronologische hiaten vertoont die er misschien geen zijn, omdat de erosie verschillende sites kan hebben vernietigd en aanslibbing er andere diep hebben bedolven. In feite gaat het, wanneer men in deze omstandigheden spreekt over Neder-Egypte in tegenstelling met Boven-Egypte, omde Fajoem en het uiterste noorden van Midden-Egypte enerzijds en de "Saïd" ten zuiden van Assioet anderzijds. De tussenliggende vlakte en de Delta zijn, gegeven de huidige stand van zaken, nog een onbeschreven blad alhoewel de opgravingen van Thomas Von der Way te Boeto daar wel enige verandering in hebben gebracht.
In het neolithicum zien we het ontstaan van veeteelt (rund, schaap, geit, varken) en landbouw ( granen) die ook later de basis van de Egyptische economie zullen blijven. Later komt het gebruik van koper en het gebruik van in de zon gedroogde tichelsteen. Toch zal het metaal het gebruik van silex nog niet verdringen en de kunst om silex te bewerken zal zelf zijn hoogtepunt bereiken en het gebruiksmateriaal bij uitstek blijven ook onder de farao's
Dan doen de eerste afbeeldingen van mens en dier hun intrede, voorwerpen die men toeschrijft aan de Nagada-cultuur. Vorm en iconografische thema's sluiten nochtans weinig aan bij het latere Egypte van de farao's Maar dan komen ook de votiefknotsen en de paletten waar men beter en beter de evolutie in continuiteit van de ene cultuur (Nagada) naar de andere (Faraonische) kan volgen.
Er schijnen twee grote cultuurgroepen te hebben bestaan. Eén in het noorden bij de punt van de Delta de andere in Boven-Egypte, deze laatste blijkbaar een groter voortbrenger van artistieke creaties. Het zou dus blijken dat in de tijd van de "Volgelingen van Horus" er twee Egyptes hebben bestaan die dienden verenigd te worden. De urbanisatie van Hieraconpolis, bij het eind van het vierde millenium, schijnt overeen te stemmen met de aanwezigheid van een monarchie. Tegenwoordig meent men ook in het mythische Boeto in de Delta een overeenkomstig centrum van koninklijke macht te mogen erkennen al is niet iedereen het hierover eens.
Daarenboven meent de archeologie een opschuiven stroomafwaarts van artefacten uit het zuiden en dus ook van mensen uit deze streek te mogen opmerken en tonen enkele vondsten van predynastische koningen tekenen die op veroveringen wijzen. Verovering van het noorden door het zuiden of vreedzame penetratie ? Het is in deze politieke en culturele context dat op een zeer korte periode hiërogliefen, het gebruik van papyrus, de karakteristieke afbeeldingen van goden en farao in zwang geraken. Horus Narmer in wie we de klassieke Menes menen te mogen erkennen scheidt, een beetje arbitrair misschien, tenslotte de prehistorie van de historie
De prehistorie
De Prehistorie van Egypte
|
MUMMIE VAN HATSJEPSOET GEÏDENTIFICEERDVandaag werd door Zahi Awass, hoofd van de Oudheidkundige dienst van Egypte bekend gemaakt dat de mummie KV60 definitief dient beschouwd als de mumie van de vrouwelijke farao Hatsjepsoet.
Het uiteindelijke bewijs werd gevonden in een doosje dat de naam van deze vrouwelijke farao droeg, waarin namelijk, naast ondermeer haar lever, een tand van haar zat. Het ivoren doosje werd gevonden te Deir el Baheri in de cache DB320.
Een scan van het doosje toonde een tand die,wanneer hij gemeten werd juist paste binnen de fractie van een milimeter in de holte van de ontbrekende molaar in de mond van de mummie van de obese dame in graf met kenletters KV60 in de vallei rechtover KV20 waar het echte graf van Hatsjepsoet zich bevindt "(...)
De archeologisch, forensische en wetenschappelijke onderzoekingen die tot de idenstificatie van de mummie leidden zullen woorden voorgesteld in "Secrets of Egypt's Lost Queen," een documentaire die wordt uitgezonden op 15 juli om 21 uur ET/PT op Discovery Channel", die de draagbare CT-scan in bruikleen gaf.
Dokter Zahi Awass heeft reeds een website met het ganse verhaal :
"The Search for Hatshepsut and the Discovery of her Mummy" http://www.guardians.net/hawass/hatshepsut/search_for_hatshepsut.htm
Andere links:
http://snipr.com/1nkgh [http://dsc.discovery.com/news/2007/06/25/egyptqueen_ arc.html?category=archaeology&guid=20070625181630 &dcitc=w19-502-ak-0000]
http://www.reuters.com/article/scienceNews/idUSL2589587820070625 http://news.yahoo.com/s/nm/20070625/sc_nm/egypt_mummy_dc_1 http://www.abcnews.go.com/Technology/story?id=3313952&page=1 http://www.newkerala.com/news5.php?action=fullnews&id=42016
Links in het Nederlands
http://snipr.com/1nkgi
[http://www.trouw.nl/laatstenieuws/ln_buitenland/article737588.ece/ Egyptologen_Hatsjepsoets_mummie_is_gevonden]


DE POSITIE VAN DEZE KONING IN DE LIJST IS NIET EENDUIDIG BEPAALD.
Bevindingen van 1996 te Oemm el Qa'ab in de tombe V van Chasechemoei zouden argumenteren voor een direkte opvolging van Chasechemoei- Netjerichet (Djoser). De argumenten om aan te nemen dat Djoser zijn vader (of schoonvader ?) Chasechemoei begroef zijn zeer sterk. Maar dit is niet onoverkomelijk want we weten dat zegels van Hotepsechemoei werden gevonden in de tombe van Qa'a en niettegenstaande dat zouden ook hier op zijn minst twee koningen Sneferka en Ba hem, zij het kortstsondig, zijn voorafgegaan. Helaas, ook dit laatste is niet 100% bewezen.
In de tijd dat Horus Sechemchet nog niet bekend was dacht men dat hij de opvolger van Djoser was. Er zijn inderdaad argumenten om dit aan te nemen beweert Francesco Rafaele maar hij haalt niet aan welke.
Recent echter werd hij opnieuw achter Sechemcet of Chaba geplaatst.(Swelim, Kahn)
Maar bewijsmateriaal uit de necropool van Zawijet el Arian, Beit Challaf en Sakkara maken het moeilijk om de opeenvolging van Sanacht-Djoser (Beit Challaf), Djoser-Sechemhet (Sakkara Trap pyramide) Sechemhet-Chaba (ondergonds plan van de pyramide) uit elkaar te halen.
WAT IS ER VAN HEM BEKEND
Er zijn van hem zegelafdrukken gevonde te Elefantine
te Bet Challaf zijn ook maar sterk beschadigde zegelafdrukken en inscripties van hem gevonden in mastaba K2 (Kahl et al. 1995 p.140-151), die in tegenstelling met wat men een tijd heeft geloofd niet aan hem maar een van zijn ambtenaren behoorde.(Nicolas Grimal 1988 Histoire de l'Egypte Ancienne p 80) of misschien aan een (zijn?) koningin. Ook de vrouw van Chasechemoei en mogelijks moeder van Sanacht, Ni-maat-hapi,is als kandidate voorgesteld geweest. Maar har naam komt alleen voor in de naburige mastaba K1 waar vooral zegelafdrukken van Djoser werden gevonden, alsook ййn van Peribsen. (Vandier -Manuel I , 870 ; Reisner - Develop. ; Lauer - Pyr. Degr.)
In het voornaamste en zuidelijke graf werd het skelet aangetroffen van een zeer grote man ( bijna 1,90m). Nu is he zo dat Manetho verhaalt dat ййn van de laatste koningen van de Tweede Dynastie, die hij Sesochris noemt meer dan 3 el lang was. De sarcofaag zelf was opgegeten door de mieren (John Garstang op.cit. p. 11-14; Nabil Swelim Some Problems, 1983, 95). De naam van de dode begraven in het noordelijke deel van is niet bewaard gebleven alhoewel we kunnen gissen dat het bijna zeker de vrouw van de eigenaar van het graf zal geweest zijn.
De mastaba K2 is dus dubbel. De bovenstrcutuur is gelijkaardig aan deze van van K1 (een grote mastaba, zonder niches en mogelijks met een kapel in openlucht) maar rust op een soort laag platform zoals de trappyramide. De eerste trap vertrekt aan de noord-oost hoek van het dak en wisselt tweemaal van richting maar is minder groot dan de tweede meer zuidelijke trap. Het derde deel van de eerte trap loopt door een soort gewelfde tunnel waarvan het dak uit tichelsteen bestaat die in lagen doorgaan tot de top van de mastaba. Daarna wordt de gang afgesloten door ee valhek. Hierna bevindt zich hetgrafgedeelte met een hall met een kleine plaats en een nis in de oostelijke wand, daarna haaks op de hall een gang in west-oost richting die uitmondt in de begraafkamer Deze schijnt oorspronkelijk bedoelt voor de vrouw van de eigenaar maar is waarschijnlijk nooit gebruikt.
De tweede trap vertrekt ook op de top van het dak en verloopt eerst oost-west, daarna noord-zuid, in het tweede deel hiervan loopt hij door een tunnel waarvan de ingang afgesloten is door een valhek, na de tunnel stoot men opnieuw op een valhek, dat het grafgedeelte afsluit. Dit bestaat uit een lange gang met aan elke zijde telkens drie kamertjes en die uitmondt in een soort hall. Het graf aan de westzijde is door een smal gangetje verbonden met de hoofdgang.
Aan de zuidzijde van de mastaba zien aan de buitenkant nog een eigenaardigheid namelijk de resten van helling, die toeliet van zich op het dak van de mastaba te begeven. Zonder twijfel hebben alle mastaba's zo een helling bezeten maar is er zo weinig van overgebleven omdat deze helling waarschijnlijk werd afgebrooken na de begrafenis.
De mastaba werd opgegraven door Garstang, dei Sanacht verkeerdelijk las als Hen-Necht de bovenbouw is kleiner dan deze van K1 (65 x 23,5m )en mogelijks is dit dubbel graf van een oudere datum dan zijn buur K1. ( Garstang Mahasna and Bet Khallaf, 1903 p. 11). Naast de platform onderbouw schijnt K2 ook een trapvormige bovenbouw ( althans toch een trapvormige kern) bezeten te hebben wat een voorbode lijkt te zijn van de trapvormige pyramide van Djoser.
Maar zoals gezegd behoort het graf naar alle waarschijnlijkheid toch niet aan Sanacht toe. Waar Sanacht dan zelf begraven is weten we nog niet maar de meest waarschijnlijke plaats zou te Sakkara zijn ten westen van het Djoser compleks. Lauer meent dat zijn graf zich bevindt onder de begrafenistempel van Oenas.
Misschien kan ook een vroege structuur ( mastaba 1) binnen de omheining van de trappyramide aan hem worden toegeschreven.
Zandsteenreliлf gevonden in de nabijheid van de turkoois mijnen van de Wadi Maghara in de Sinaп toont o.a. de Horus Sanacht met zijn naam in een serech. De koning neemt de bekende positie aan "van het neerslaan van de vijand".
WAT ZIJN DE MOGELIJKHEDEN ?
1.Sanacht achter Sechemchet is moeilijk aanvaardbaar dit zou zijn regering met ca 20 jaar van deze van Djoser scheiden. Dit is onwaarschijnlijk daar de architectuur van de mastaba's van Beit-Challaf op sterke verwantschap met de trappyramide wijzen. Het feit dat het graf aan een edelman van hem toebehoorde zou dit argument al dan niet kunnen wijzigen.
2.Sanacht na Chaba is om dezelfde reden moeilijk aanvaardbaar en bovendien interpoleren we iemand tussen Sechemchet en Chaba. Nu het pyramide compleks van Chaba is, zij het dan op kleinere schaal, architecturaal direct vergelijkbaar met dit van Sechemhet. Deze laatste moet op basis van de graffiti op de muren, de koningslijsten en de keuze van necropool en plaats van zijn grafcomplex aldaar onmiddellijk op Djoser volgen.
3. De reliлfs van Djoser, Seckhemhet en Sanacht in de Wadi Maghara (Sinaп)schijnen onderling weinig stijlverschillen te vertonen.
4. Dus zou het wel eens kunnen dat Sanacht voor Djoser heeft geregeerd en misschien een familielid (broer ?)van hem was. In dat geval kan zijn regering maar van korte duur zijn geweest wat accordeert met de weinige monumenten die van hem zijn overgebleven. Vijf tot zeven jaar schijnt een aanvaardbare periode.
IS SANACHT DEZELFDE PERSOON ALS NEBKA
De argumenten voor de identiteit van nesoet-biti Nebka en Horus Sanacht wegen niet zeer zwaar en de discussie is vandaag de dag nog niet helemaal beslist. Het was Kurt Sethe die op een zegelafdruk van Bet Challaf, waarop de twee namen samen voorkwamen, de naam [NEB] KA las. (Cambridge Anc. Hist. vol. I pt.2 pag 157 en Drioton-Vandier -CLIO- p.200). Hierbij dient vermeld dat alleen het KA gedeelte van de naam duidelijk leesbaar was. (Garstang M.& Bet Khallaf pl. XIX,7).
Helck daarentegen (Thinitenzeit' p. 107) denkt dat Nebka en Sanacht twee verschillende koningen zijn. Maar dan belandden we in het volgende probleem dat we namelijk geen duidelijke argumenten hebben om de ene achter of voor de andere te plaatsen. (Helck in Z.A.S. 106,1979 p. 130). Zoals we reeds gezegd hebben kan de mastaba K2 te Bet Khallaf waarschijnlijk niet toegeschrevn worden aan Sanacht. Petrie (A History I pp. 29-30 7.ed.)en Barta (op.cit) denken dan weer dat Sanacht identiek is aan Nebka maar tevens aan Nebkara. R.Weill (II et III dynasties) ziet in Neferka dezelfde persoon als Sanacht.
Enkele sporen wijzen er op dat Nebka een cartoche (seshen) zou gebruikt hebben voor zijn tweede naam. Tijdens e rest van de dynastie bleef de Horus naam (serech) echter predomineren en het is pas onde de regering van Hoeni, Snofroe en Choefoe dat de nesoet-biti namen in cartouche de meest gebruikte namen worden.
(aan dit artikel wordt nog gewerkt)
DE DYNASTIE WISSEL en de OVERGAN NAAR HET OUDE RIJKManetho geeft de wissel van dynastie aan samen met de wissel van hoofdstad van This naar Memphis. Nu is het wel zo dat, alhoewel Chasechemoei blijkbaar de hoofdstad terugbracht naar Hierakonpolis, in he zuiden, de andere koningen van de Tweede Dynastie ook goed vertegenwoordigd zijn te Sakkara ( de begraafplaats van Memphis) en dit zou dan kunneen duiden op een verleggen van de hoofdstad naar Memphis reeds voor de aanvang van de Derde Dynastie. Zowel This als Memphis echter liggen begraven onder moderne steden en zijn dus verloren voor verder doorgedreven archeologisch onderzoek. Dit kan leiden tot vervalsing van onze conclusies daar we afhankelijk zijn van het toeval voor wat bewaard werd of verloren ging
Met de Derde Dynastie laten de archeologen na de THINIETENTIJD of het ARCHAISCH RIJK nu het OUDE RIJK een aanvang nemen. Nochtans is de Derde Dynastie eerder een overgangsperiode, zowel vanuit politiek, religieus als artisiteik oogpunt, tussen de Archaische Tijd (die zelf reeds in vele aspecten als volwassen en vol innovatie kan beschouwd worden) en de luisterrijke periode van de Grote Pyramidenbouwers van de Vierde Dynastie waar het Oude Rijk zijn hoogtepunt bereikt.
Niettegenstaande het gebrek aan bronnen blijkt deze periode zeer belangrijk voor de daaropvolgende Egyptische geschiedenis en cultuur. Dit zal ondermeer blijken uit:
De verschuiving van het astrale (Horus, Hathor) naar het solaire( pyramiden, cartouches, god Ra) karakter van de religie.
De eerste pyramiden en begrafenis compleksen horen thuis in de 50-60 jaar die Djoser van Hoeni scheiden. De vooruitgang in de structuur van deze koninklijke graven is niet zuiver architecturaal maar berust ondermeer op de verschuiving naar de Heliopolitaanse zonne-doctrine en nog meer op het feit dat het centraal bestuur nu bekwaam is om grote massa's werkvolk, die nodig waren om deze grafmonumenten te bouwen, op de been te brengen, te onderhouden en van het nodige materiaal en grondstoffen te voorzien.
Dit laatste doel werd ondermeer bereikt door de burelen van de centrale administratie te verspreiden over het ganse territorium om aldus over te kunnen gaan tot een efficiëntere inning van taksen en belastingen. Deze inningssystemen waren wel reeds sinds eeuwen ter plaatse maar het is pas onder de Derde Dynastie dat het systeem zeer efficiënt wordt door geografische spreiding van personeel en middelen via een sterk gecentraliseerd bestuur. Een voorbeeld daarvan is de nederzetting te Elefantine. De koningen van de Vierde Dynastie zullen dan ook gretig gebruik maken van de vorderingen gemaakt op dit gebied door hun rechtstreekse voorgangers en het zal hen toelaten zich te concentreren niet alleen op hun bouwactiviteiten maar tevens ook op veelbelovende militaire activiteiten buiten de grenzen.
Verschillende nieuwe titels en ambten verschijnen ten tonele als bewijs voor de ontwikkeling van een tot in de periferie verspreid netwerk van het staatssysteem, tevens ruggengraat van deze niewbakken bureaucratie. Deze periode is kenmerkend voor de overgang van de gedecentraliseerde Thinitische methode van werken naar de meer gecentraliseerde structuur van de Memphitische staat.
In de mastaba van Hesire vinden we voor het eerst, naast de traditionele afbeelding van de dode tegenover zijn offer ( cfr. private steles in Abydos en Heloean) nu ook de de afbeelding van de overledene terwijl hij toeziet op de productie van de goederen voor zijn graf. Dit concept is een verbreding van het figuratieve systeem1 in de graven. Dit systeem bestond in den beginne slechts uit de vermelding van de naam van de overledene, later begeleid door zijn titels en lijsten van goederen om tenslotte te eindigen bij de scenes "gegrepen uit het dagelijkse leven" begeleid door een uitgebreide biografie. De eerste grote biografie, deze van Methen, wordt slechts een paar jaar na de regering van Hoeni gedateerd.
Het schrift wordt dan ook steeds verfijnder niet alleen op het esthetische vlak maar ook naar vorm en inhoud (cfr. de panelen in de pyramide van Djoser en de fragmenten van de tempel van Heliopolis).
De beeldhouwwerken in het bijzonder de koninklijke en private standbeelden, alhoewel niet in overvloed aanwezig, benaderen steeds meer op artistiek en stilistisch gebied het dogma van het classicisme van de Vierde Dynastie.
In deze overgangsperiode neemt ook de traditie een aanvang van het gebruik bij begravingen van een programma van "artistieke expresie" dat sterk gebonden is aan het "traject" doorheen de tombe2
DE DERDE DYNASTIE
Er is een geruststellende overeenkomst tussen het aantal namen van koningen van deze Derde Dynastie in de koningslijsten en van de Horus en nesoet-biti namen op de monumenten. Maar deze overeenkomst is in feite maar schijn want men weet nog steeds niet zeker wat bij wie hoort en zelfs over de volgorde van de koningen is er geen eenstemmigheid. Hieronder vind je een tabel met de namen zoals ze in de koningslijsten voorkomen
| Turijnse papyrus | Abydos | Sakkara | Manetho |
| Neb-ka (19 jaar) | Neb-Ka | - | Necherophes (28 jaar) |
| Djoser-it (19 jaar) | Djoser-za | Djoser | Thosorthos(29 jaar) |
| Djoser-ti (6) | Teti | Djoser-Teti | Tyreïs (6) |
| [hoe] Djefa (6) | Sedjes | - | Mesochris (17) |
| - | Nefer-ka-ra | Neb-ka-ra | Souphis (16) |
| Hoe-[ni] (24) | - | Hoeni | ?Aches (42) |
De horus namen op monumenten gevonden zijn:
Als cartouche namen zijn bekend:
Voegen we hier aan toe aan dat archeologische vondsten erop wijzen dat Horus Netjerichet(Djoser) onmiddellijk zou gevolgd zijn op Chasechemoei en dus de eerste koning van dynastie zou zijn in tegenstelling met wat de lijsten van Abydos, Turijn en Manetho aanduiden. Anderzijds is er archeologische evidentie dat de opvolger van Djoser-Netjerichet inderdaad Horus Sechemchet zou zijn wiens nebti naam met zekerheid Djeserti is, zodat hier monumenten en lijsten overeenkomen. Bovendien bestaat er ook geen twijfel over dat de koning met nesoet-biti naam Hoeni de laatste koning van de dynastie was; Tot daar de zekerheden. De volgorde van de horus namen Sanacht, Khaba en Qa-Hedjet is onzeker evenals het feit aan wie de nesoet-biti Nebka dient toegewezen.
De Turijnse Papyrus geeft en totaal van 74 jaar wat een vrij korte periode is1. Manetho geeft echter een totaal van 214 jaar wat wellicht overdreven is2. Een realistische schatting voor de duur van de regering van de zes of zeven koningen van de Derde Dynastie lijkt te gaan van 70-80 tot 120-130 jaar.
Op de verschillende fragmenten van de Annalensteen bleef geen enkele naam van de koningen van de Derde Dynastie bewaard op de lijneen die dekoninklijke titulatuur en de naam van de koninginmoeder bevatten. De laatste reconstructies3 plaatsen Chasechemoei, de laatste koning van de Tweede Dynastie , aan het begin van de vijfde lijn. Logischerwijze volgen hier dan de vorsten van Derde Dynastie zodat het laatste jaar van Hoeni's regering samenvalt met de laatste jaarbox op deze lijn. DE fragmenten die we bezitten moeten dan gerelateerd zijn aan de zes laatste jaar van Nebka en de vijf eerste van Djoser (lijn vijf van het Palermo fragment) en de laatste jaren van Djoser de zes of zeven van de totale regering van Sechemchet en de twee eerste van dezes opvolger moeten zich dan bevinden op de onleesbare lijn vijf van K1 ( voornaamste Caпro fragment; vier jaar van het begin van de regering van Hoeni ( of mogelijks Nebka) bevinden zich op het Petrie fragment( de recto kant van dit laatste fragment moet rechts van P of links van K1 worden geplaaatst). Dr. Nabil Swelim die een extensieve studie gemaakt heeft over de Derde Dynastie geeft 138 jaar als de lengte van de totale regeringsduren.
CHRONOLOGISCHE TABEL VAN DE DERDE DYNASTIE GEBASEERD OP DE STUDIE
ENKELE PROBLEMEN IN DE GESCHIEDENIS VAN DE DERDE DYNASTIE (1983) p.224
door Dr. Nabil M.A. SWELIM
|
|
|
|
Koningslijsten NIeuwe Rijk
|
Eusebius (E) Eratosthenes (Er) |
|
| |||||
|
|
|
Nebka |
|
|
|
Nechrochis (E) |
|
| |||
|
|
|
Djeser |
|
|
|
Sesorthos (E) |
|
| |||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |||
|
|
|
|
(sedjes) |
|
|
Momcheiri (Er) |
|
| |||
|
|
|
Senwy or Sensen, (King "X") * |
(sedjes) |
|
|
Stoichos (Er) |
|
| |||
|
|
|
|
(Sedjes) |
|
|
Gosormies (Er) |
|
| |||
|
|
|
|
(sedjes) |
|
(hudjefa) |
Mares (Er) |
|
| |||
|
|
|
|
|
|
(hudjefa) |
Anoyphis (Er) |
|
| |||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |||
Deze studie is ondertussen ook al twintig jaar oud en de huidige inzichten van de auteur kunnen verschillen van deze hierboven aangegeven. * Koning "W" en "X" zijn de twee koningen op de Palermosteen lijn V recto).
Derde Dynastie Koningslijst volens Kaploni5
|
|
|
| |
|
|
|
| |
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
U kan dus zelf vaststellen dat de opvolging van deze koningen absoluut niet vaststaat althans niet buiten de hogergenoemde zekerheden.Zeker is ook dat de begraafplaaats van de koning zich niet meer te Abydos bevond maar verhuisde naar Memphis(Sakkara-Gizeh). Maar ook de toekenning van de begrafenismonumente te Meidoem en Zawijet el-Arijan aan een bepaalde koning vertoont nog moeilijkheden. Het einde van de Derde Dynastie is met een zekere waarschijnlijkheid rond 2575 v.Chr. te plaatsen8
Ongetwijfeld wordt de Derde Dynastie gedomineerd door de regering van de grote koning Djoser. Tijdens zijn ambtsperiode bereikt de Egyptische beschaving voor het eerst een absoluut hoogtepunt. Getuigen hiervan zijn niet alleen de merkwaardige monumentale werken die niet beperkt blijven tot de architectuur. Dit is ook het tijdperk waarbij we van private personen iets meer te weten komen dan hun naam en titulatuur dit dankzij hun intelligentie, wijsheid, capaciteiten en de schittering van hun laatste verblijfplaats.
Hier ontbreken nog enkele paragrafen die later zullen worden aangevuld
Maar zoals bij de vorige dynastie is de centrale periode van de dynastie een periode met lacunae in onze kennis. Lacunae, die vermoedelijk reeds bestonden in de tijd van de Ramessieden toen, zoals we eerder hebben gezien voornaamste ons bekende koningslijsten (Abydos, Sakkara, Turijn) werden samengesteld.Daaarom ook de verschillen. Namen als Neferkara en Nebkara komen maar op één lijst voor. Nerferkara als vijfde van vijf op de Abydos lijst en Nebkara als derde van de vier in de Sakkara lijst. Op deze laatste lijst is de eerste koning Djoser, die in de Canon van Turijn en de Abydos lijst na Nebka wordt geplaatst. De Turijnse papyrus plaatst bovendien Nebka als laatste koning van de Tweede Dynastie om aldus een duidelijke cesuur van de regering van Djoser met de voorgaande regeringen aan te duiden.
Sedjes vinden we alleen in de lijst van Abydos, op de vierde plaats terwijl op deze plaats de papyrus van Turijn zes jaar van een koning met naam ".....djefa" plaatst. Dit wordt echter gereconstrueerd als Hoedjefa ( eerder dan het aan Sedjes gelijkluidende Sedjefa. Dit woord zijn we reeds in de vorige dynastie tegengekomen in de betekenis van een lacuna die voorkwam op de lijst waarvan werd gecopiëerd9.
Barta in zijn chronologie van het Oude Rijk, gebaseerd op een analyse van Annalensteen10 echter stelt dat Hoedjefa de naam van koning is, die hij gelijksteld Neferkara/Sedjes, die in deze periode geïdentificeerd werd met Horus Chaba
Een stele, aangekocht door het Louvre museum eind de zestiger jaren, toont een Horus Qa Hedjet rechtsaande en omhelsd door de god Horus.Deze stele werd eerder toegeschreven aan koning Qa'a van de Eerste Dynastie. Maar omdat deze stele stilistisch eerder aansluit bij de reliëfs in de Whadi Maghara wordt hij door Barta11 toegeschreven aan de Derde Dynastie en Qa Hedjet aldus geïdentificeerd met Hoeni, wiens Horus naam trouwens nog steeds niet bekend is.
Het lijkt dan ook waarschijnlijk dat voor Hoeni verschillende vorsten telkens gedurende een korte periode hebben geregeerd wat de mogelijke verwarring in de lijsten, althans voor de periode na Sechemchet, in de hand zou hebben gewerkt.
Men begint nu gewoonlijk de Dynsatie met koning Nebka/Sanacht alhoewel Drioton en Vandier12 hem na Djoser plaatsen en de Kahl13 hem nu na Sechemchet plaatst.
Sechemhet (Teti, Djosertei en Djoserti), duidelijk aanwezig te Sakkara komt nu voor Chaba waar hij hem vroeger opvolgde. Aan Chaba wordt de gelaagde pyramide van Zawiyet el Aryan toegesschreven
GEURENDE STENENIn een vorige aflevering hebben we gezien dat een identificatie van de steensoorten en chemische stoffen in hiërogliefenschrift op basis van hun kleur niet veel opleverde. Davidovits zou zich dan op andere eigenschappen van chemische stoffen namelijk reuk en smaak willen baseren.
In zijn boek II Euterpe beweert Herodotos dat de priesters uit Memphis hem vertelt hadden dat op de pyramide van Cheops men in hiërogliefen de som geschreven had die was uitgegeven aan de arbeiders onder de vorm van ramenas, look en uien en dat de persoon die voor hem deze inscriptie geïnterpreteerd had beweerde dat deze som, die hij zich goed herinnerde, 1700 zilveren talenten bedroeg ( meer dan 100 miljoen Euro). In vulgariserende
geschriften werd deze uitspraak vaak herhaald en werden de arbeiders beschreven als stinkend naar ui en look.
Davidovits heeft dit echter op een andere manier geïnterperteerd en hij beweert dat het hier zou handelen om de kost van de expedities om mineralen van het type arsenaat op te halen uit de koper en turquoise mijnen in de Sinaï. (Davidovits, 1978, 1982). In de mineraalkunde bestaat er immers een eenvoudige methode om mineralen te definiëren namelijk hen verwarmen met een kleine vlam en als er onmiddellijk een lookgeur vrijkomt heeft men te doen met arsenaten (ijzer of koperarsenaat) .
Davidovits is dan aktief gaan kijken naar de namen van mineralen in het hiërogliefenschrift om te zien of er verwijzingen naar ui, look en radijs in voorkwamen. Voor elk van deze groenten en hun geuren werden vertegenwoordigers gevonden.
DE LOOKSTEENl: Look is gesuggereerd geworden voor HOETEM en TAAM, uit de stam TEM. In kolom 16 zou het mineraal TEM-IKR, waarbij KR betekent zwak,
DE RADIJSSTEEN: Radijs komt overeen met KAOEe en KA-T. In kolom 16, zou het mineraal KA-Y dan de steen met radijsreuk kunnen zijn..
(Kol. 11): Er is een bergmassief in de oostelijke streek ( Elefantine) die alle mineralen bevat, alle (geërodeerde) gesteenten, verbrijzeld (dus geschikt voor aggregatie), alle produkten
(Kol. 12) die men nodig heeft om de tempels van de goden van het Noorden en het Zuiden te bouwen, de nissen voor de heilige dieren, de pyramide voor de koning (koningsgraf) en alle beelden die overeind staan in de tempels en de heiligdommen. Meer nog, al deze scheikunduge producten zijn voor het aangezicht van Khnoem en rond hem geplaatst. .
(Kol. 13)...daar is midden in de rivier een rustplaats voor ieder man die de delfstoffen aan hun beide zijden bewerkt.
(Kol. 15) Leert ons de namen van de steenmaterialen die men dient te vinden … bekhen, het dode (geërodeerde) graniet , mhtbt, r’qs, oetesji-hedsj (uiensteen) .. prdny, tesjy.
(Kol. 16) Leert ons de namen van de zeldzame mineralen stroomopwaarts... goud, zilver, ijzer, lapis-lazuli, turquoise, thnt (chrysocollum), Jaspis, Ka-y (radijssteen), gruis (?), emerald, temikr (looksteenl), en verder, nesjemet, ta-mehy, hemaget, ibehet, bekes-anch, groene kleurstof, zwart antimoon en rode oker...…
(Kol.18) ...heeft vastgesteld dat God rechtstond....Hij heeft tot mij gesproken : “Ik ben Chnoem, uw schepper, mijn armen zijn rondom jou, om je lichaam te steunen om
(Kol. 19) uw ledematen te bewaren. Ik vertrouw je mineralen op mineralen toe … sinds de schepping heeft niemand ze ook bewerkt (om steen te maken ?) om tempels van de goden te bouwen of vernielde tempels te herstellen.....
Volgens Davidovits beschrijft de stèle van de Hongersnood de uitvinding van de constructie met steen ( toegeschreven aan Djoser en Imhotep de bouwers van de trappenpyramide te Sakkara)
Volgens de tekst zou zou deze uitvinding resulteren uit de behandeling van verschillende mineralen en delfstoffen die dan chemische producten, betrokken bij de vervaardiging van syntehtische steen of een type van beton, zouden zijn.
SORRY
en nog over stenenDeze steen roept een interessante discussie op. De naam bevat de stam van het woord "mat", wat "graniet" betekent. Harris (p.72) is akkoord met Barguet wanneer deze opmerkt dat het eigenaardig is dat graniet als dusdanig nergens opduikt in de tekst. Het is immers de meest typische steen uit deze streek. Het is dan ook waarschijnlijk dat Mat of graniet verschuild gaat in het woord Mthay. Nochtans, buiten de eigenaardige schrijfwijze hier op deze stиle, wordt graniet steeds geschreven met het teken mA(sikkel) echter vergezeld van verschillende adjectieven. In kolom 15 echter is er geen sprake van een sikkel maar van een vogel ontdaan van van vleugels en pluimen. Deze manier van schrijven van "me" vindt men ook in het woord "moet" , "zich doden". "Meth" betekent trouwens ook "sterven". Anderzijds wordt graniet(mat) dikwijls geschreven met het ideogram "hart", het leven; wat dan zou duiden op "levende graniet". Davidovits veronderstelt dat de auteur van de Hongersnoodstиle een vorm van graniet bedoeld heeft die geлrodeerd, fragiel en gedesaggregeerd zou zijn en die men in enkele geologische lagen aantreft. Hij zou dan om dit te benadrukken in tegenstelling met "levend graniet" eerder "dood graniet" bedoeld hebben.
Kolom 15 begint met de aanhef:" Leer de namen van Ain (steen). Het hiлroglief-woord voor vaste steen, steen om te bouwen, blokken steen is Ainr. De naam van het grootste deel van soliede rotsen wordt neboemd met Ainr en een adjectief. Harris maakt geen enkel onderscheid tussen Ain en Ainr. Merk ook op de gelijkenis tussen ain en het Coptisch woor "Oen" voor steen. Nochtans wordt Ainr bijna uitsluitend gebruikt voor steen die men gebruikt om te bouwen. Ain moet dan als een zeer algemeen woord voor steen worden opgevat , een substantie in tegenstelling met ander materiaal zoals hout en metaal.
In het woordenboek vinden we dat het een determinatief is voor aroma, geur maar dan niet geassociлerd aan parfum. Het heeft eerder betrekking op stoffen die een geur verspreiden, die rieken of walmen zonder daarbij noodzakelijk een slechte geur te verspreiden en is zeker niet te interpreteren als stinken. Soms wordt dit teken in verband gebracht met een zekere vorm van "genieten".
Men vindt het terug in kolom 12. Voor Brugsch is het een zalf. Barguet en Lichtheim vertalen het niet en gebruiken de algemen term "producten" in verband met deze geciteerd in kolom 11 aat nb rwd wtsAw mineralen en stenen.
Voor sommigen zou dit ideogram een blaas of een vaas met een riekende vloeistof ( maar geen parfum) gevuld voorstellen. Anderesgezegd vindt Davidovits het zou kunneen staan voor een chemisch product. De meeste chemische producten hebben immers een karakteristieke geur waardoor een bedreven chemicus het product onmiddellijk kan herkennen. Volgens kolom 11 en 12 zijn deze riekende producten mineralen en materialen die essentiлel zijn voor de constructie van tempels en pyramiden.
Lexicografische studies van antieke mineralen veronderstelen dat deze mineralen hun naam vaak ontlenen aan hun kleur. Zo vindt men in de Griekse namen van half-edelstenen er verschillende met de stam "chryso" of geel. De toepassing van dit principe door Barguet, Harris en Lichtheim op de mineralen, ertsen en stenen van de Hongersnoodstele hebben weinig opgeleverd. Voor de meeste namen werden geen eigentijdse equivalenten gevonden. Davidovits echter meent dat men eerder in het concept geur en mischien ook smaak de oplossing van het probleem dient te zoeken. Darbij volgt hij eenvoudig de methode van de antieken die door kleur, geur en smaak de chemsische stoffen wisten te karakteriseren. ( wordt vervolgd)
1 reactie op dit bericht
Wist je...