Expeditie naar de bronnen van de nijl

Expeditie naar de bron van de Nijl |
WELKOM OP DEZE WEBSITE GEWIJD AAN ALLE ASPECTEN VAN HET OUDE EGYPTE DER FARAO'S
Een herschikking van het blog is aan de gang om alle delen aanklikbaar te maken vanuit het centrale Inhoudsmenu. Enig geduld wordt op prijs gesteld. Ondertussen kan u nog steeds bij de artikels terecht via de inhoud in rechterkolom |
Expeditie naar de bronnen van de nijl
Expeditie naar de bron van de Nijl |
Transliteratie
Het transliteatieschrifttabelEerste kolom de computertransliteratie , tweede kolom de klassieke transliteratie en derde kolom de hiлroglief ![]() Wij zullen het computertransliteratieschrift gebruiken in gewone tekst wanneer het om afbeeldinge gaat met hiлrogliegfen, zulen we beide gebruiken omdat dan toch een jpeg of gif image dient gebruikt. |
Lauer J.-P.
Jean-Philippe Lauer (1902-2001)
Franse architect en archeoloog. Geboren te Parijs 07.05.1902. Architect van vorming. In 1926 kwam hij voor de eerste maal naar Egypte, in dienst van de Services des Antiquités Egyptiennes naar voorbeeld van illustere voorgangers zoals A.Mariette de oprichter van de dienst, G.Maspéro en . Lacau,. De bedoeling was dat hij Firth van advies zou dienen bij zijn restauratiewerk aan de Trappenpyramide te Sakkara.Dit zou zijn carrière volledig bepalen, want Lauer spendeerde de volgende 75 jaar van zijn leven in de dienst van de Egyptian Antiquities Service. In 1956 na de een onderbreking wegens Oorlog van Suez hervatte hij zijn werk te Sakkara en bracht hij telkens van november tot april in Egypte door. Hij leefde daar met zijn familie in een huisje aan de rand van de woestijn. Gedurende meer dan veertig jaar exploreerde hij het Trappenpyramidecomplex, ruimde hij de omgeving op en restaureerde, zoveel mogelijk met originele steenblokken die ter plaatse werden gevonden, dit complex. Het huidige uitzicht van de trappenpyramide dankt men voornamelijk aan het werk van Lauer. In samenwerking met professor Jean Leclant hielp hij mee aan het Frans project ter bestudering van alle pyramiden van Sakkara en de hertselling van de pyramide teksten. Met name aan de opzoekingen aan de pyramide van Teti, PepI en Meren-re, waar honderden fragmenten beschreven met magnifieke hiërogliefen afkomstig van de wanden van de begrafeniskamers van deze koningen werden verzameld. Deze brachten nieuwe elementen en kostbare aanvullingen aan bij de pyramide teksten die ontdekt en gepubliceerd werden door Maspero, later herzien en herbestudeerd door K.Sethe. Deze teksten zijn de oudste mythologische en religieuze teksten van alle die momenteel bekend zijn. De opgravingen Lauer-Leclant te Sakkara-Zuid brachten een belangrijke tegenhanger van het werk dat door W.B.Emery was verricht op deze plaats. Lauer schreef verschillende boeken over de pyramiden en Sakkara. |
Archeologische problemen


Het transliteatieschriftTot hier toe hebben we ons uit de slag getrokken met de fonetische waarde van de tekens aan te geven. Als we zo verder gaan gaan we het ons hopeloos moeilijk maken en alles gaat verward lijken. Om de klankwaarde van het Egyptisch min of meer aan te geven heeft men zijn toevlucht genomen tot het transliteratieschrift. ![]() We weten dat het Egyptisch zoals andere semitische talen enkel met medeklinkers geschreven wordt. Van de meeste woorden kennen we de echte uitspraak niet. Om deze woorden van medeklinkers te kunnen uitspreken voegen de Egyptologen telkens een korte "e" in tussen de medeklinker nfr wordt dan nefer uitgesproken. Het Egyptisch kent enkele lettertekens die we zwakke klinkers zouden kunnen noemen in feite zijn het toch medeklinkers. We geven ze nogmaals in bovenstaande tabel. Bij de uitspraak worden deze tekens conventioneel als klinkers uitgesproken en we geven hun klankwaarde in de tabel, waar deze tekens voorkomen wordt er geen korte e toegevoegd met uitzondering van de w als ze als w en niet als oe wordt uitgesproken Omdat er in het Egyptisch klanken voorkomen die niet in onze taal voorkomen heeft men in het transliteratiescript een bijzonder teken uitgevonden de tekens en hun uitspraak vind je in bijgevoegde tabel De korte a of aleph komt overeen een soort glottis stop, zoals bij bottle in London cockney voor het gemak zullen we dit een korte a noemen. In de klassieke transliteratie geschreven met twee omgekeerde c-tjes boven elkaar. Omdat een computerklavier dit tekens niet bevat werd voor dit teken in computer transliteratie voorgesteld door hoofdletter A De lange a is helemaal niet lang maar een soort gegorgelde Arabisch a, maar voor het gemak zullen we ze lang uitspreken lange aa. Klassieke transliteratie is een kleine c die de bodem van de schriftlijn niet raakt. De computertransliteratie is a De korte i levert geen probleem in beide transliteraties is het i de uitspraak is eerder j dan i maar we houden het op de korte i De lange ie wordt klassiek getranslitereerd als y , in de computertranslietratie neemt men y voor de dubbele pluim en Y voor de dubbele streepjes. Uitspraak was i, j ie, of zelfs korte e maar we veralgemenen tot ie, je De w kan uitgesproken worden als w of als oe maar beide sluiten bij elkaar aan vergelijk met "oewaarde landgenoten" zoals uitgesproken door koning Boudewijn. Klassiek transliteratieteken is een w, in de computertransliteratie neemt men w voor het kwartelkuiken en W voor de spiraal . Hiermee zijn we aan het eind gekomen van de pseudoklinkers en hun transliteraties het is best deze uit het hoofd te kennen. Gelukkig gaat het hier slechts om de éénlettertekens. Volgende maal een paar volwaardige klinkers |
TOEVOEGING| Toegevoegd bij de historische problemen Tweede Dynastie rode tekst. |
kA
kAIn deze nieuwe rubriek met rode achtergrond zullen we regelmatig onze aandacht vestigen op één hiëroglief en deze wat dieper uitspitten. Dit zal het memoriseren van de voornaamste hiërogliefen vergemakkelijken we beginnen met het hiëroglief D28. De reeks D gaat over delen van het menselijk lichaam en D-28 geeft ons twee uitgetrekte armen te zien. ![]() Deze hiëroglief stelt twee uitgestrekte armen voor maar men weet niet precies of de armen ten hemel gericht zijn ( aanbidden) of naar voor gericht ( omhelzen). De juiste betekenis van het gebaar is dus verre van helder. Ook de betekenis die aan het woord gegeven wordt en die fonetisch "ka" luidt is verre van opgelost. De gewone vertaling is ziel of geest maar een ka was veel meer dan dat. Het was een van de levensprincipes van de mens samen met de ba. In de oudste tijden kan de ka het mannelijk principe betekent hebben en in alle perioden wordt het begrip gebruikt voor het scheppen en het behouden van leven. De ka kwam tot stand wanneer de mens werd geboren en op vele afbeeldingen ziet men de god Kknoem, met het ramshoofd, de ka van de mens fabriceren op een pottenbakkersdraaischijf als een dubbelverschijning of een soort tweeling van de mens in kwestie. Iemand die naar zijn ka ging betekende "sterven" maar de ka zelf bleef leven na de dood van het individu. Voorwaarde was wel dat het lichaam of een afbeelding ervan bewaard bleef en regelmatig gevoed werd. Voor deze voeding zorgeden de ka-priester/s of de Hm-kA of Hmw-kA (meervoud: uitgesproken hem-ka of hemoe-ka) wat letterlijk betekent de dienaar of slaaf (Hm) van de kA. er werd dan ook na de dood een huis gebouwd voor de ka. Het is niet onmogelijk dat enkel bijpyramiden opgericht tijdens het Oude Rijk voor dit doel werden opgericht. Om dus verder te leven dienden aan de ka door deze ka-priesters offers gebracht. Deze offers werden tenslotte gedacht doordrongen te zijn met de levenskracht van de ka. Het meervoud van kA de kAw (kaoe) betekende dan ook "voedsel-offerandes". Het teken heeft dus vrij veel betekenissen en dit is verantwoordelijk voor het divers gebruik van het woord. Soms ziet men op afbeeldingen de ka op de offertafel liggen (cfr infra) waar het teken zowel staat voor de offergaven als voor de levenskracht zelf. (wordt vervolgd) |
Woordenlijst
| EMBRYO VAN EEN WOORDENLIJST ZAL IN DE LOOP DER DAGEN UITGEBREID WORDEN MET ALLE WOORDEN DIE WE ZIEN OF GEZIEN HEBBEN ; ![]() ![]() |

Tweede Dynastie Historische en Archeologische ProblemenA.Historische ProblemenEen groot gedeelte van het politieke gebeuren tijdens deze dynastie is zeer onzeker. Er zijn schijnbaar twee periodes waarin de welvaart en de macht van het rijk uitgesproken waren. Het centraal gezag was in deze perioden zeer efficiënt: het zijn de regeringen van Ni-netjer en Khasechemoei, respectievelijk derde en laatste koning van de dynastie. Hun regeringen zijn reltatief overvloedig gedocumenteerd en dienen dan ook beschouwd te worden als tijden van pracht en culturele vooruitgang. Het zijn trouwens ook de twee langste regeringsperiodes van de dynastie. De situatie voor de troonsbestijging van Ninetjeren en van aan zijn dood tot aan de kroning van Khasechem is op zijn minst obscuur te noemen Wanneer de volgorde van de koningen Hotepsechemoei-Nebra-Ninetjer bij het begin van de dynastie vastligt door een inscriptie op een beeld (beeldje van Redjit Cairo CG 1, usurpatie van stenen vazen) dan kan daarentegen niets met zekerheid gezegd over de periode tussen Qa'a en Hotepsechemoei. We hebben reeds gezien dat de mogelijkheid dat enkele koningen kortstondig regeerden tussen de eerste en de tweede dynastie in de laaste decade geïnterpreteerd is geweest als een teken van politieke troebelen na de dood van Qa'a. De lange regering van deze laatste koning had bovendien al een eind gemaakt aan reeds eerder opgedoken dynastieke problemen na de dood van Den tijdens de regeringen van Adjib en Semerchet. Deze laatste is misschien te gemakkelijk beschouwd als een usurpator die niet van koninklijke bloede was. Uit de studie van deze reeds beschreven crisis periode (Sneferka, Vogel / Sechet) komt een feit duidelijk naar voor : de verplaatsing van de koninklijke begraafplaats van Abydos naar Sakkara. Maar dit standpunt is echter onder stevige druk komen te staan door het vinden in 1995 van zegelafdrukken van Hotepsechemoei in tombe Q te Oemm el Qaab (tomb Q behoort aan Qa'a ). Dit zou inderdaad wijzen op een directe opvolging zoals we die ook bij Khasechemoei en Netjerichet zullen beschrijven Deze vondst zou er op wijzen dat de stichter van de tweede dynastie aanwezig was bij de begrafenis van Qa'a en dus geen ruimte laten voor andere koningen tussen Qa'a en Hotepsechemoei. Dit hoeft echter geen absoluut bewijs te zijn voor de afwezigheid van Sneferka & co. Het kan alleen de de wil tonen van Hotepsechemoei om deze locale heersers die mogelijks hun onstaan dankten aan het onderbreken van de koninklijke lijn na de dood van Qa'a te overtroeven. Deze periode blijft dan ook in het duister. We mogen ook niet vergeten dat de getuigenissen voor Sneferka, Vogel en Sechet (?) zeer schaars zijn. Deze van Sneferka en Sechet komen uitsluitend uit Sakkara en deze van "Vogel" uit Sakkara en misschien uit Abydos uit tomb Q van Qa'a ! De redenen om op zijn minst Sneferka en Vogel na Qa'a te plaatsen zijn de epigrafische gelijkenis en het voorkomen van het paleis Hoet-Za-Ha-Neb te Memfis een paleis dat gemeenschappelijk zou zijn aan Qa'a, Sneferka en Vogel en het voorkomen van de naam van een ambetnaar Soedj Chnemoe in de inscripties op de stenen vazen van Qa'a en Sneferka. Het midden van de Tweede Dynastie is zo mogelijk nog een moeilijker (en langere) periode om te behandelen. Wanneer we abstractie maken van de namen die Manetho overleverde en van Aaka (?), evenals als van het hiaat in de annalen (hudjefa), blijven we met 5 of 6 koningen (en het kunnen er meer geweest zijn): Oeneg (mogelijks maar niet gheel zeker identisch aan Horus Za), Sened, Noebnefer (Nebnefer), Neferkara, en Neferkasokar. We zullen dan ook aan elk van deze vorsten een hoofdstukje wijden. Van geen enkele van deze vorsten werd een graf gevonden. Het zijn duistere figuren, allen bekend uit zeldzame zoniet enige eigentijdse stukken maar die werden opgetekend in de koningslijsten van het NIeuwe Rijk. De meest waardevolle stukken voor deze periode zijn de inscripties op de stenen vazen die werden gevonden in de galerijen onder het Djoser complex te Sakkara. Enkele van deze inscripties bevatten namen (Za, Noebnefer) die men voordien nergens van kende. Andere namen werden gevonden op materiaal van private graven (Oeneg) in Noord-Sakkara of in latere lijsten en papyri (Neferkara, Neferkaseker). Veruit de meeste inscripties in rode en zwarte inkt geschilderd op de vazen uit de galerijen van het Djoser complex ( een corpus dat heel wat groter is dan dit betreffende de Thinieten = Eerste en Tweede Dynastie) werden door Helck (Z.A.S. 106, 1979) aan koning Ninetjer toegeschreven. Deze Duitse Egyptoloog veronderstelde dat het gros van deze vazen verzameld werd door Ninetjer uit ander konings- en private graven van het kerkhof van Sakkara. Deze werden dan later door Djoser, die zich op zijn beurt meester maakte van de begrafenis offers in Ninetjer's stapelplaatsen en galerijen (Tomb B ?), herbruikt. De namen Cknoemenii en Roeaben, van Ninetjer's beambten in deze inktschilderingen pleiten voor de echtheid van deze theorie. Dezelfde auteur durfde het ook aan in hetzelfde artikel een een theorie, die heel wat moeilijker te bewijzen is, naar voor te brengen over Ninetjer's opvolgers. Volgens hem zou deze koning, om een onbekende reden, het rijk in twee gesplitst hebben om aldus aanleiding te geven tot Beneden-Egyptische lijn van koningen met Nesoe-biti Nebti titel (Oeng, Sened, Noebnefer enz.) maar daarnaast ook aan een Boven-Egyptische koningslijn met Horus titel (Horus Sekhemib, Seth Peribsen en Horus- Seth Khasekhem). De aanleiding tot deze moeilijk te geloven splitsing zou dan kunnen geweest zijn het feit dat hij aan zijn beide zonen een rijk wou nalaten of mogelijks ook om aldus de problemen op te lossen die zich bij het eind van zijn lange regering zouden hebben voorgedaan. Dat een dergelijk feit zich zou hebben voorgedaan door een beslissing van de koning is weining waarschijnlijk gelet op de Oud-Egyptische cultuur, geloof en mythologie is dit immers een heiligschennende daad. Maar het is niet onmogelijk dat iets dergelijks zich heeft voorgedaan als resultaat van een usurpatie of gemis aan authoriteit van de kroon over het ganse territorium door een ons onbekende reden Dus Sheri kan gelinkt worden aan Peribsen. Op het einde van de tweede dynastie is het voornaamste probleem de regering van Peribsen en de relatie met zijn voorganger Sechemib-Perenmaat. De zeldzame archeologiche vondsten en de epigrafische(=van de opschriften) bevindingen hebben het momenteel nog niet mogelijk gemaakt om met enige zekerheid uit te maken of het hier om één persoon gaat, die dan zijn naam en titulatuur veranderde in de loop van zijn regering, of om twee verschillende personen. Petrie meende een zegelafdruk gevonden te hebben met de namen Sechemib-Peribsen, maar het is al een tijd geleden aangetoond dat het hier om de gewone combinatie Sechemib-Perjenmaat gaat. De grondslag voor de mogelijke volks(?)opstanden of religieuze hervormingen moeten nog bestudeerd worden, evenals hun mogelijke gevolgen. Het gevaar hier bestaat erin dat we zouden geloven met de huidige kennis die we bezitten dat de Seth cultus de oorzaak dient te zijn van een soort politieke ineenstorting ( wat door verschillende auteurs vroeger werd aangenomen). Maar het tegenovergestelde kan eveneens waar zijn: namelijk dat een langdurige zwakte van het centraal gezag de opkomst van een nieuw geloof en tradities heeft uitgelokt in die mate dat wat wij altijd al als rebellie en ketterij beschouwd hebben, alleen maar de gevolgen waren van een diepere cisis. We mogen niet vergeten dat, zoals P. Bell in 1970 aantoonde door de studie van hoogte van de Nijlkoverstromingen op de Palermo steen, deze hoogte plots en beduidend afnam reeds gedurende het de eerste helft van de anders nogal rijkelijk verlopende regering van Ni-neter. Omgevingsfactoren dienen dus zeker betrokken te worden in het zoeken naar de oorzaken van de troebelen die de Egyptische staat toen teisterden. Uiteindelijk is er dan nog dubbel uitzicht van de regering van Chasechem(oei): vroeger geloofden enkele Egyptologen dat dit twee verschillende vorsten waren maar deze thesis is niet houdbaar gebleken. Maar de archeologische bewijzen van Horus Chasechem en Horus-Seth Chasechemoei, in het bijzonder deze van Hierakonpolis en Abydos moeten zeker opnieuw geanalyseerd worden om de oorzaak van de titulatuur verandering te bepalen. Ook de bijnaam Neboeihotepimef', en de relatie van deze koning tot zijn voorgangers dienst onderzocht. De realiteit van zijn aanspraak op de (re-)unifictaie van Egypte dient onderzocht. Is dit een gewoon ceremonieel bij het aanvaarden van de kroon (zoals voor Narmer) of is dit werkelijk een echte gebeurtenis. |
HERHALING
INLEIDING TWEEDE DYNASTIE
KONINGEN VAN DYNASTIE 2 : Inleiding
De koningen die over Egypte regeerden tussen de dood van Qa'a en de troonsbestijging van Horus Netjerikhet/Djoser behoren tot de duisterste figuren uit de Egyptische geschiedenis en dan heb ik het niet over de hieronder behandelde heersers Horus Sneferka, Sechet en/of "Vogel". De inscripties en monumenten die uit deze periode dateren evenals de koninslijsen geven ons een overvloed aan koningsnamen. Maar tussen beide bronnen zijn er weinig overeenkomsten te vinden. Het is quasi onmogelijk om overeenkomsten te vinden tussen de verschillende naamreeksen maar ook over de volgorde bestaat nog complete verwarring. De huidige Egyptologen weten met enige zekerheid over de ganse interne geschiedenis van de Tweede Dynastie nauwelijks iets meer dan hun collega's pak weg zo een eeuw geleden. De identiteit en de volgorde van de drie eerste koningen staan dank zij een inscriptie op een een beeld dat zich nu in het museum van Caïro bevindt vast. voor de vijf eerste koningen kunnen de eigentijdse monumenten en de latere koningslijsten met elkaar verzoend worden en het staat vast dat Kasechemoei de laatste koning van de dynastie is geweest. Daarmee is het uit met de zekerheden. Niet alleen staat de positie binnen de dynastie van de rest van de koningen ter discussie maar eveneens de uitgebreidheid van hun gezag. Er zijn redenen om aan te nemen dat er midden in de dynastie inwendige spanningen in het rijk zijn opgetreden. Dit wordt ondermeer gesuggereerd door de verschijning van de naam Seth (de goddelijke tegenstander van Horus) in de titulatuur van de koning onder Peribsen. Waar de latere koningslijsten vrij goed overeenkomen met de monumentale inscripties van koningen van de eerste dynastie is dit niet meer het geval voor de tweede dynastie. Onder Kasechem vinden we verwijzingen naar gevechten met vijanden uit het noorden en het is niet onmogelijk dat tijdens de tweede periode van de Tweede Dynastie het koninkrijk opnieuw verdeeld was in twee staten. Dit zou dan ook een logische verklaring zijn waarom de koningslijsten zo uiteenlopend zijn. Want een lijst die zich baseert op de traditie van het Noorden zou de koningen van het Zuiden onwettig noemen en omgekeerd. Dat economische factoren eveneens een rol hebben gespeeld daarop wijst een studie van de Nijl waterstanden zoals deze vermeld zijn op de Palermo steen (Bell 1970). Hieruit blijkt dat het gemiddelde niveau van de jaarlijkse overstroming van de stroom begon af te nemen reeds van bij het einde van de Eerste Dynastie en dat deze tendens zich doorzette doorheen de Tweede Dynastie. Met dergelijke onzekerheden omtrent aantal, rangorde en uitgestrektheid van de autoriteit van de koningen is het natuurlijk onmogelijk met enige nauwkeurigheid de lengte te schatten van de duur van de Tweede Dynastie. Baines en Malek stelden in 1980 een duur van 121 jaar voor. Dit is een geleerde beredeneerde gok maar het blijft een gok. Een ruwe schatting voor de Tweede Dynastie brengt ons tot 120-150 jaar ( vergelijk met de ca jaar 190 jaar voor de jaar voor de Eerste en ca 75 jaar voor de Derde Dynastie) Bij de huidige aangenomen reconstructie van de de analensteen (Palermo steen, Caïro steen en fragmenten, zie Barta in Z.A.S. 108, 1981 p. 11-23 en bibl. in noot 4; Helck 'Thinitenzeit 1987 p.125)) start de Tweede Dynastie met Hotepsekhemoei aan het begin van de vierde lijn aan de originele rechter zijde van de steen en eindigt aan de linkerzijde met de korte regeringsperiode van de pre-Khasekhem lacunae. Khasekhem(oei)' s regering zou de eerste 30-35 jaar op het begin aan de rechterzijde van de vijfde lijn omvatten deze zou dan op de Palermo steen doorgaan met Nebka en Djoser (zie onderstaande figuur). Het totaal aantal jaar bij deze hypothetische rangschikking van de koningen op de analensteen zou dan 151 bedragen.
Reconstructie van de Analensteen bij middel van de fragmenten van Caïro en PalermoOp de Papyrus van Turijn is alleen het aantal jaar van de regering van Neferkaseker (8) de lacuna (hudjefa-11) en Bebti (27) bewaard. Een van de grootste problemen bij deze reconstructies blijft de periode na de regering van Ninetjer en het begin van de regering van Khasekhem(oei): met uitzondering van de archeologisch genoeg bekende Sekhemib-Peribsen (waarschijnlijk dezelfde persoon) zijn op zijn minst de namen van vier andere koningen bekend. De informatie echter is zeldzaam en hun positie binnen de dynastie onzeker. Volgens de hierboven genoemde reconstructies en extrapolatie van de beschadigde delen zou men een duur van 40 jaar voor deze periode dienen te rekenen. Veronderstellen we dat Sekhemib-Peribsen ( die volgen enkele geleerden dient geïdentificeerd met Sened - maar volgens anderen met de lacune in de tekst) 11 tot 20 jaar geregeerd heeft kan men voor de vier andere koningen 20-29 jaar uittrekken. Gezien het relatief ontbreken van materiaal voor deze koningen is het logisch te verwachten dat er in de volgende decaden nog namen van koningen zouden bijkomen of dat we op zijn minst door nieuwe ontdekkingen zekerheid zouden krijgen betreffende de titels en de positie van Wneg(Oeneg), Sened, Aaka, Neferkaseker, Neferkara en Nubnefer. Men verwacht veel van de onderzoeken te Sakkara namelijk van graf B (Ninetjer) en van de nog ononderzochte gallerijen onder het westelijk massief en de westzijde van het noordelijke hof onder het Djoser complex. Erg aanlokkelijk is de hypothese van W. Helck (Thinitenzeit 1987 p.105) dat Horus Ninetjer op vrijwillige basis het land in twee zou verdeeld hebben waarbij één zoon van hem in Opper-Egypte en een andere zoon (Wng/Oeneg) in Beneden-Egypte zou hebben geregeerd; zo zou men kunnen verklaren dat men gelijktijdig te Memphis koningen vindt onder hun nesoe-biti namen en te Abydos koningen onde hun Horus naam. In een nog vrij recent artikel (KMT 1996) heeft A. Dodson voorgesteld Horus Ba en Horus Sneferka en Horus Vogel te verplaatsen naar deze duistere periode van de Tweede Dynastie. Maar zoals hier reeds werd uitgelegd kan zelfs de diepste analyse uitgevoerd met de beschikbare middelen ons geen zekerheid geven welke van de twee hypothesen de juiste is. Daarom zullen we deze drie vorsten althans voorlopig als onmiddellijke opvolgers van Qa'a blijven beschouwen |
HORUS BA
Horus BaVan Horus BA werd gedacht dat hij een van deze kortstondig, mogelijks alleen in Neder-Egypte, regerende koningen, die voor Hotepsekhemoei kwamen, was. Zijn naam werd soms verward met die van Horus Vogel (Kaplony in MDAIK 20 p.3 stelt voor deze vogel te lezen als ba). Maar recent hebben N. Swelim (1983) en J. Kahl (1994) een andere chronologische positie voor Ba voorgesteld. Op het einde van de derde dynastie na Hoeni en Qa Hedjet of anders nog als de Horus naam van een van de kortstondig te Memphis regerende koningen in het midden van de Tweede dynsatie (Oeneg, Sened, Noebnefer, Neferkasokar). Deze laatste zijn ons alleen maar bekend met hun Nebti-Nesoetbiti namen. De beste bron voor de enkele documenten, die over Horus Ba bekend zijn, is N. Swelim's "Some problems on the History of the Third Dynasty '(1983) spec. 182-3, 185 (Step Pyr. slab, Sinai + bibl.)". ![]() Ba komt voor in een serech op een klein stukje basalt gevonden door Firth in het complex van de trap-pyramide. Het werd echter niet vermeld in de publicatie, die pas jaren later werd geschreven door Goneim (Saqqara register of antiquities n. S-10034). Het teken was samengesteld uit een mensenbeen (teken D58* met fonetische betekenis b) en een ram (hiëroglief E11 met fonetische betekenis ba). Het eerste teken b is dus te beschouwen als een fonetisch complement. Bovenop de serech komt een naar links gewende valk voor (J. Kahl 1994 corpus 3332; Kahl et al., 1995, 164). Een andere schrijfwijze met alleen het been, werd aangegeven door Ricci in 1820 en ook door Lepsius in 1858 (deze laatste echter in een serech zonder valk, Konigsbuch n.905). Kurt Sethe gaf een korte discussie over de status van deze koning in een voetnoot bij een artikel in Z.A.S. 35 (1899, p.6,7 n.4). Daar nu ,rond de helft van vorige eeuw, M. Cerny het manuscript van Ricci teruggevonden heeft in Banks Manuscript XX A.I (over de Wadi Maghara inscripties van Sekhemkhet), vraagt Swelim zich af of de bron van Lepsius en deze van Ricci niet van elkaar verschillend zouden kunnen zijn geweest (op. cit p. 183; en ook Cerny, The inscriptions of Sinaï, 1955 p. 55-6). Want de waarschijnlijke aanwezigheid van de serech in de Sinaï verhoogt aanzienlijk de kansen dat deze Ba behoort tot de periode van Netjerikhet( Djoser), Sanakht en Sekhemkhet en dus tot het midden van de Derde Dynastie. Het probleem wordt er niet minder om als we met J.Cerny in de publicatie van de "Sinaï inscripties" (Gardiner, Peet, Cerny), aannemen dat het been bij Ricci's inscriptie een misinterpretatie zou zijn van Ricci's ruwe schets en in feite de Horus naam van Sanakht zou voorstellen (vertikaal sa en horizontale n samen verkeerdelijk voor een b genomen)[cf. Baud, 2002, 20] zoals op reliëf dat zich nu in het Caïro museum bevindt. Indien dit natuurlijk juist is dan is de enige getuige van het bestaan van Horus Ba het stukje basalt gevonden door Firth in het het begrafenis complex van Horus Netjerikhet (Djoser) te Sakkara. Tenzij natuurlijk Swelim's hypothese dat Lepsius ( serech zonder valk) een andere bron zou gebruikt hebben dan Ricci. Maar dit moet nog bewezen worden. J. von Becherath, in zijn handboek van koningsnamen [Handbuch der Ag. Konigsnamen (1984) p. 49)]] identificeerd koning Ba (Been + Ram), met deze die wij Horus Vogel hebben genoemd. Enkele onderzoekers hebben hem daarin gevolgd (o.a. Wilkinson, Early Dynastic Egypt), maar volgens onze zienswijze verschillen de twee serech's en is er volgens mij geen enkele reden om aan te nemen dat de vogel in Horus Vogel's serech een "ba" -vogel is. Daarvoor zijn er te weinig details. Swelim plaatst Horus Ba bij de 4 voorgangers van Djoser (Horus Netjerikhet) maar het is anderzijds weinig waarschijnlijk dat vier koningen met vrij lange regeerperiode Djoser van Khasekhemoei zouden scheiden. Aan Ba schreef hij ook de omheinde ruimte Ptahhotep, ten westen van Trap-pyramide van Djoser, te Sakkara toe. Hier komen we later op terug. Nabil Swelin voegt hier nog een interessant gegeven aan toe over een mogelijks latere cultus van koning Ba hem ingegeven door door de naam NiankhBA, wiens graf, ten zuiden van het Djoser complex en dicht bij het graf van Nebkaoehor - Idoe, dicht bij de ingang van de gallerij van Ninetjer en ten noorden van de verhoogde weg van Oenas gelegen is. (Nabil Swelim, 'The Dry moat of the Netjertkhet complex', in Baines et al. ed., Pyramid Studies and other essays presented to I.E.S. Edwards, 1988 p. 12-22, fig. 4). In dezelfde area bevindt zich nog een ander graf waarvan de naam van de eigenaar NiankhNebka luidt. Waar dus Ba vervangen is door de naam Nebka, een koning uit de Derde Dynastie. De site was oorpsronkleijk de koninklijke necropolis van de eerste koningen van de Tweede Dynastie (graf A, B - Hotepsekhemoei en Ninetjer). Dit zou pleiten voor de mogelijkheid dat genaamde individuen priesters zouden geweest zijn belast met de cultus van vroegere koningen begraven in deze area. Nebka en Ba dus. Ten zuiden van graf A aen B werd door een Nederlandse missie in 2002 een ander graf C blootgelegd. Dit graf werd in de Achtiende Dynastie hergebruikt door Merire, priester van Aton (van Walsem, Raven). Daarom zou Ba zelfs de Horusnaam kunnen zijn van één van de koningen van de Tweede Dynastie wiens nesoebiti-nebti namen op schaarse bronnen, afkomstig van Memphis, te vinden zijn. Met name: Oeneg, Sened, Noebnefer, Neferkasokar. Op dezelfde manier als de Horus naam Za gelinkt is aan Oeneg maar dan nog niet gelinkt aan enige nebti/nesoebiti naam. Eigenaardig is ook dat de koningslijst uit het Nieuwe rijk Ba-njetjeroe of Ba-njnetjer als cartouche naam voor Ninetjer noemt. In de lijst van Abydos wordt BA geschreven met het hiëroglief van de ram.** Nota* De hiërogliefen werden door Gardiner ingedeeld in een aantal categorieën naar gelang hetgeen ze voorstellen ( goden, man, vrouw, delen van de mens, vogels, meubels enz)elke categorie kreeg een letter als identificatie en elk hiëroglief binnen een categorie een cijfer. D58 is dus de 58ste hiëroglief binnen de categorie D ( delen van het menselijk lichaam) en E11 de elfde hiëroglief in de categrorie E ( zoogdieren). De staande ram (Gardiner E10/11, Khnoem / Ba) komt als hiëroglief het eerst voor op de Baviaan van Narmer in Berlijn Staatl. Mus., 22607: Kahl, 1994, Quelle 125, bibl. p. 472-473). Nadien schijnt het teken nogal frequent voor te komen vooral onder de laatste koningen van de Eerste Dynastie en deze van het midden van de Tweede Dynastie (onder Qa'a / Sneferka; onder Za en speciaal onder Ninetjer (Khnoemenjj, Khnoemhotep): cf. Lacau-Lauer, PD V, 3ff., 31ff., 47, 39). Wij hebben dit uitgebreide artikel geschreven over een vrij onbelangrijke koning om te illustreren hoe men in de Egyptologie te werk gaat om het verleden te reconstrueren. Welke kronkels men soms volgt om tot een bepaalde conclusie te komen die dan plots door het verschijnen van een een andere archeologisch bron plots in het niet valt. ILLUSTRATIES VOLGEN |
Horus Vogel en /of Horus Sekhet
Horus "Vogel" en/of Horus SekhetAndere inscripties van andere mogelijke opvolgers van Qa'a leveren ons drie andere namen op (Kaplony in M.D.A.I.K. 20, p. 1 ff): 1. Horus Ba (?) werd recent echter gelocaliseerd in de Derde Dynastie (zie onder).2. Een koningsnaam geschreven met een niet nader gedetailleerde vogel (Horus Bird/Vogel) werd door Petrie te Abydos in de tombe van Qa'a aangetroffen (R.T. II pl. 8A,6 = P.D. IV pl.encr. IV,4). Mogelijks is het dezelfde koning die men aantreft op een vaas uit de gallerijen van de trappyramide van Djoser (D IV n.108 = pl.en IV,7). Het is opmerkelijk dat de inscriptie van Abydos de enige is van deze koningen die niet van Memphis afkomstig is. Deze koning werd ook geпdentificeerd met Ba maar dit is niet correct (zie verder). 3. Ten slotte werd te Sakarra een bijna onleesbare naam aangetroffen door Walter Brian Emery op een zegelafderuk in klei uit tombe S 3505, dezelfde waar Snerferka's leisteenvaas werd gevonden (Emery 'Great Tombs...' III (1958) plate 37 n.6) = Kaplony I.A.F. III n. 742 (Sekhet)). Deze inscriptie werd toegeschreven aan dezelfde koning aan wie de leisteenvaas gevonden in het complex van Djoser wordt toegeschreven (PD IV n.97), maar er bestaat geen absolute zekerheid over het feit of de twee fragmenaire Horus namen identiek zijn. Een mogelijke lezing als Sekhet werd voorgesteld (hiлroglief T26 (skht) of als alternatief O 45 (ipt). ![]() 4.Recent werd door Francesco Raffaele voorgesteld dat de inscriptie op de leisteen vaas (Trap-pyramide IV n. 97) en deze van de zegelafdruk uit graf S3505 welke in onderstaande figuur worden getoond, aan dezelfde heerser zouden behoren. Volgens deze onderzoeker zou het driehoekje onderaan de serech een vogelstaart zijn. De inscriptie op de vaas (PyrDeg IV, nr. 97) moet bijna met zekerheid een vogel zijn wanneer men goed kijkt naar de vrijwel verdwenen schuine figuur in de serech. Maar de sporen van Horus "Vogel" zijn niet beperkt tot Sakkara maar werden ook gevonden te Abydos (zie onderstaande figuur en de serech's verzameld door van den Brink pt. II; en ook David Gould, 2003, 38 -hier verkeerdelijk aan Horus Ba toegeschreven). ![]() Al deze koningsnamen (behalve die van Ba) zijn op de inscripties vergezeld van een korte tekst die hun palies te Memphis bij naam noemt: Hwt Ha-Za-Neb (Sneferka, Vogel) en Hwt Ha-Ka-Za (Sekhet) en verbinden hen aldus met Qa'a; ook de ambtenaar Swdj-Khnwm komt voor op inscripties van Qa'a ( maar helpt ons weinig vooruit wanneer we annemen, zoals we in vorig artikel specifiлerden de inscriptie van Sneferka - PD n.186 - bovenop deze van Qa'a werd geschreven) Geen van deze koningen uit de allerlaatste periode van de Eerste Dynasrtie is verbonden geweest met de namen uit de koningslijst van Manetho (die echter niet op Horus namen gebaseerd was). |


Horus SNEFERKA - Horus Vogel - Horus SEKHET (?) - Horus BANu, voor we ons wenden tot de Tweede Dynastie, nog even de studie van enkele minder belangrijke koningen, die waarschijnlijk maar korte tijd geregeerd hebben en wiens chronologische positie in de Vroeg-Dynastieke Periode verre van vast staat. Er zijn geen graven of ander architecturaal materiaal dat met zekerheid aan hen kan worden toegeschreven gevonden. Horus SNEFERKA
Inscripties van S-Nefer-Ka
Francesco Raffaele denkt dat de aanwezigheid van op zijn minst één serech zonder valk en de mogelijk lezing van de naam als Nefer-Ka-es (Nefer-Ka-s: cfr. met de lezing van de naam van de dochter van Djoser Int-Ka-s ) eerder zou verwijzen naar een verder regerende koningin dan naar een kort regerende koning. (wordt vervolledigd en op de lezingen komen we terug in de hiërogliefen rubriek) In maart 2003 hebben opgravingen verricht door Zahi Hawass, het controversiële hoofd van Hoge Raad voor Antiquiteiten van Egypte [ die terugkeer naar Egypte van onder meer de steen van Rosette (British Museum) en de buste van Nefertiti (Berlijn) eist ] nieuwe argumenten voor het bestaan van Sneferka ('Nefer-se-ka') aangebracht. Met name enkele inscripties op fragmenten van een albasten vaas uit een graf van het eind van de Eerste Dynastie. De tombe werd reeds in 1995 ontdekt tijdens werkzaamheden voor de constructie van nieuwe magazijnen voor opslag van vondsten uit de necropool van Sakkara. (Youssef, GM 152, 1996, 105-111) maar grondige opgraving vond pas in 2003 plaats. We laten Zahi Hawass hier zelf aan het woord: "In 1995 ontdekten we, op 50 m naar het westen van Imry, een grote mastaba uit de Eerste Dynastie. De afmetingen waren 52 m X 32 m en 3 m hoog. De ingang van de tombe was geblokeerd met steenslag en in de grafkamer werden grote hoeveelheden gebroken potten, silex wertuigen en stukken albast, met de naam erop van koning Nefer-sieka, een minder bekende koning, gevonden. Ten oosten van de mastaba werden een tiental even oude graven gevonden. Uit de schachten die door de graven werden gegraven blijkt dat deze laatste in het Nieuwe Rijk en de Late Periode opnieuw gebruikt werden. Een van de graven toonde een unieke valse deur, gemaakt van modderstenen met bovenop een houten blok met een paneel met daarop een scène waarbij de overledene tegenover een offertafel, met offerandes erop samen met een lijst ervan, zit. Boven het hoofd van de overledenen staat zijn naam maar deze kon niet ontcijferd worden daar hij te vaag is. In elk geval is dit wellicht de oudste vorm van valse deur die ooit ontdekt werd."
Graftombe met de valse deur"In een ander schacht 4 m diep in de rots gehouwen, daald ik af en vond dat deze volledig was afgesloten met moddersteen Het koste mij meer dan een uur om deze stenen één voor één te verweideren en ik vond binnen in de oudste mummie, die ooit in Egypte ontdekt is geweest. Het skelet, in foetale houding, was bedekt met linnen en in goede conditie. "
Oudste mummie ooit in Egypte ?Niettegenstaande het feit dat de informatie over deze koning zeldzaam is, kunnen we toch aannemen dat de aanwezigheid van deze koning, zij het korststondig, op het eind van de Eerste Dynastie, toch enige schaduw werpt op deze periode uit de Egyptische geschiedenis, waarvan we nochtans dachten dat deze relatief goed bekend was. Alhoewel de mysteries van de Eerste Dynastie, in het niet verbleken bij deze uit de Tweede Dynastie zetten we ze toch even op een rijtje:.
Uit wat vooraf gaat kunnen we momenteel voorzichtig besluiten dat S-Nefer-ka waarschijnlijk de opvolger was van Qa'a. Hoofdargument hierbij is dat zijn naam op de vazen boven die van Qa'a geschreven is zoals dit het geval was met zijn voorgangers Adjib, Semerkhet en Qa'a (telkens tussen directe opvolgers). Er werden nog geen andere belangrijke suggesties gedaan omtrent zijn positie in de rij der farao's. Een enkele keer werd hij evenals Ba ingevoegd in verschillende problematische posities van de Tweede of Derde Dynastie evenwel zonder overtuigende argumenten. |
Qa'a, of Qa of Ka'a of Ka
|
We gaan ook verder met onze hiërogliefen cursus en zullen weldra alles nog eens op een rijtje zetten. Maar ondertussen nu we toch bij Qa'a zitten. Gaan we hier een boompje over opzetten want leest men de naam nu Qa, Qa'a, Ka of Ka'a en waarom. De Horus naam van deze koning wordt geschreven met twee één-lettertekens de zandige helling met fonetische waarde q en de arm met fonetische waarde a. De eerste lezing is dus Qa. De naam werd ook zo gespeld in het opgravingsverslag van Petrie te Abydos. Maar in de meeste westerse talen komt de opeenvolging van q en a niet voor en daarom werd de naam verwesterd tot Ka. Dit is echter niet aan te bevelen daar dit verwarring schept met de predynastische koning Ka.Kurt Sethe heeft in zijn "Beitrage zur ältetsen Geschichte" een verklaring gegeven voor deze naam die tot nu toe vrijwel algemeen aanvaard wordt. Het is zo dat in het Egyptisch zwakke klinkers vaak niet geschreven werden. Hij las de Q als qa waarbij de a was weggevallen. Qa zou dan afkomstig zijn van het werkwoor qai=hoog zijn ( We zullen verder nog zien hoe we uit de stam van een woord de infinitief van een werkwoord vormen maar neem van mij nu aan dat het qai is). Qa-a zou dan betekenen "Hij die hoog is wat betreft zijn arm. De arm zou hier dus niet letterlijk voor arm staan en niet als phonetisch teken voor a. Maar gezien we niet weten welke phonetische waarde we aan het bergip arm moeten geven spellen we gewoon a. W. Helck ( in Thinitenzeit p.117)beschrijft hem als "deze met de opgeheven arm" en verwijst voor deze krijgshaftige benaming ook naar Horus Aha. Persoonlijk zou ik dan eerder geneigd zijn om te denken aan de stereotiepe houding waarbij de farao de vijand de kop inslaat zoals op het Narmer palet. Bij deze daad is de arm inderdaad geheven.
De serech van koning Horus Aha of de Strijdende Valk en het palet van Narmer met de geheven armH.Goedicke, die Horus een onmisbaar onderdeel van de naam vindt kan niet goed weg met deze naam daar hij dan zou moeten lezen: " Horus wiens arm hoog is", wat hij onzin vindt.Maar wat mijzelf niet onlogisch voorkomt als men de interpretatie van de geheven arm die ik er aan geef aanvaardt. Het zou dan in feiete neerkomen op "Horus die de arm heft (tegen de vijand)of wat vrijer vertaald Horus die de vijand verslaat. Op een stenen vaatwerk,(cfr figuur hieronder) waar een aantal koningsnamen opstaan zien we dat de nesoe-biti en en de nebti naam van Qa'a identiek is aan zijn Horus naam ( eerste naam van links maar gezien de schrijfrichting dus laatste naam!) ![]() Zoals Goedicke het met de Horus naam meent, menen J.von Beckerath en W.Barta dat nebti een onmisbaar onderdeel is van de naam. Maar Qa'a nebti. Hij die noog is wat betreft de arm van de twee meesteressen heeft in feite weinig zin.Opnieuw zou ik persoonlijk vertalen. Hij van de twee meestressen die zijn arm heft (onder verstaan "tegen de vijand") In de lijst van Abydos en in de Papyrus van Turijn staat zijn naam als Qebeh(oe) vermeld. Dit wordt door Sethe verklaart als zou een verstrooide schrijver de hiëroglief van de arm waarbij de bovenarm nogal lang uitvalt, verward heeft met een been. Qa'a wordt dan qeb, dit betekent plengen. Maar gewoonlijk wordt "plengen" geschreven met een extra hiëroglief als determinant n.m.l. een vaas waar water uitloopt. Uitgaande van deze schrijfwijze zou dan kunnen een tweede verwaaring zijn opgetreden zijn en zou een andere werkwoord "qebeh" dat ook plengen betekent de plaats hebben ingenomen van het het eerste. ![]() Anderzijds kennen we enkele ivoren plaatjes waar de naast de Horus naam van Qa'a de twee meesteressen (nebti), gier en cobra staan maar naar de Horus naam toegekeerd. Dus niet in dezelfde richting als de Horus naam. Hieronder leest men de naar beneden gerichte pijl -phonetische waarde "sn- met het water teken met phonetische waarde "n", als phonetisch complement.W.Barta vertaalt dit als "degene die de twee meesteressen vereert". Andere interpretaties zijn ook mogelijk. De groep komt niet voor op vaatwerk of zegelafrollingen en is nooit gecombineerd met de titel nesoebiti (hij van de zegge en de bij). ![]() Over de interpretatie die hieraan moet worden gegeven zijn de Egyptologen het niet eens. Sethe en Griffith vatten dit op als een tweede nebti naam voor Qa'a. E. Naville zag er de naam van een ambtenaar in, wat weinig waarschinlijk is gezien de plaats waarop de groep is aangebracht. P.Kaploni beschouwt sen als een kroonprins ( sn betekent zoon maar wordt dan door een knielend mannetje als determinatief gevolgd in het klassieke Egyptisch) of eventueel zelfs een koningin. Voor W.Helck is het feit dat de namen naar elkaar gericht staan te interpreteren zoals de klassieke scène waar de koning voor de godheid staat, beide naar elkaar gericht.Sen is dan een een godheid maar hij weet niet welke. Edwards tenslotte interpreteert het geheel als "De twee meesteressen omarmen de Horus koning Qa'a". Immers sn met als determinatief een neus, betekent rieken, kussen, omarmen. U ziet uw eigen interpretatie kan er desnoods nog bij op een interpretatie min of meer komt het niet aan. ![]() |
Horus Qa'a, laatste grote koning van de eerste dynastie
Horus Qa'a (Qa'a hedjet)
Stèle met de naam van de koning in een serech, gevonden te Abydos.Manetho's naam voor de laatste koning van de eerste dynastie is Bieneches, hij zou zesentwintig jaar geregeerd hebben. Deze naam lijkt helemaal niet op Qa'a. Mogelijks heeft Manetho zich in de naam vergist, hoewel hij misschien wel de lengte van de regering juist opgeeft. Mogelijks is hij een zoon van Semerchet. Zijn Horus naam was Qa'a. Kheb is dan zijn nebti of nesoebity naam waaronder hij voorkomt op de lijst van Abydos. Maar op plaatjes en zegels leest men zijn nebti naam als "sn". "khb" is vrijwel zeker een latere interpretatie.
Plattegrond van graf Q te AbydosHet graf van de koning te Abydos (graf Q) duidt op de frappante voortuitgang in de architectuur tijdens deze periode. Het gebouw heeft duidelijk meer allure dan de graven van zijn voorgangers hier. De algemene aanleg van de ondergrondse bouw komt sterk overeen met de gebouwen uit dezelfde periode te Sakkara. Deze bestaat uit een een diepe rechthoekige put met een trap die daarin afdaalt aan de noordwestkant. Aan beide zijden van de trap bevinden zich twee magazijnen, en zowel deze als de grafkamer in de put waren oorspronkelijk voorzien van een houten zoldering. Rondom de centrale kern zijn nog meer magazijnen en bovendien zesentwintig bijgraven voor dienstpersoneel. Allemaal zijn ze iets hoger gelegen dan de trap. Er is reden om aan te nemen dat de verdwenen bovenbouw oorspronkelijk het ganse graf bedekte met een oppervlakte van 30 bij 23 meter.
Stèle in kalksteen verworven door het Louvre in 1967. Het toont de koning, Qa'a die wordt omhelsd door Horus met de valkenkop. Met enige moeite ziet men de witte kroon in de serech boven het hoofd van Horus.Behalve door kruikzegels en naamplaatjes kon het graf door Petrie (Petrie 'Abydos I' p. 5 pl.5; H.G. Fischer 'J.A.R.C.E. 2, 1963 p. 41). worden geпdentificeerd door de ontdekking van restanten van twee stиles in basalt aan de oostkant van het bouwwerk, die allebie zijn Horusnaam Qa'a droegen. Een imposante stèle verworven door het Louvre in 1967 toont Qa'a met de Witte Kroon van Boven-Egypte. Hij wordt omhelsd door Horus met de valkenkop. Boven de twee hoofden staat de Witte Kroon ook in de serech van de koning. Zou dit willen beduiden dat het Zuiden hier een beslissende overwinning op het Noorden haalde ? Het graf werd in 1993 door archeologen van het Duits Archeologisch Instituut te Caпro heropgegraven. Het team ontdekte dat het graf verschillende veranderingen had ondergaan en, uitgaande van de met eenvoudige baksteen bedekte grafkamer, enige malen vergroot was. In een graf te Abydos, uit dezelfde periode, werd ook nog een monument van een edelman, een zekere Sabef gevonden
Plattegrond en doorsnede van graf 3505 te SakkaraDe graftombe (nr 3505) door Emery in 1954 te Sakkara gevonden met nog drie andere monumenten werd door Emery aan Qa'a toegeschreven. Nu denkt men over het algemeen dat dit graf toebehoorde een een priester-edelman, Mercha, een priester van de godin Neith. Aan de zuidzijde van de ingang van de mastaba werd nog een bijbehorend graf van enig formaat ontdekt dat door Emery toegeschreven werd aan de edelman Mercha. In de nabijheid werd inderdaad een stèle van hem gevonden* Een ander groot graf te Sakkara (nr 3500) is ook te dateren tijdens Qa'a's regering en kan mogelijks van zijn gemalin of van een ander voornaam lid van de koninklijke familie geweest zijn. Hier vond men vier bijgraven aan toegevoegd. Ze vertoonden allen tekenen van gelijktijdige verbranding. Zoals bij zijn twee voorgangers werd er geen begrafenispaleis gevonden ten noorden van Oemm el Kab (Tombs of the Courtiers); in deze area ligt er nochtans een sector waar er zekere tekenen op wijzen dat hier een gebouw heeft gestaan in dezelfde traditie en waarvan de constructie mogelijks aan Qa'a kan worden toegeschreven. Met name ten noorden van de voornaamste groep bij Deir Sitt Damiana (Kaiser- MDAIK 25 e 38; O'Connor - JARCE 26). Recente Duitse opgravingen te Oemm el Kab hebben toch nog nieuw materiaal aan het licht gebracht op deze plaats die reeds zoveel maal werd onderzocht in de vorige eeuw. Ondermeer afdrukken van zegels van Hotepsekhemwoey afkomstig uit het graf van Qa'a. Dit, als het niet om een "vervuilde" vondst gaat, toont aan dat, ondanks de afwezigheid van graven uit het begin van de tweede dynastie te Abydos - de drie eerste koningen begraven zijn te Sakkara, ten zuiden van het complex van Djoser. Er schijnt dus geen volledige breuk te zijn opgetreden tussen Memfis en Abydos en tussen de eerste en de tweede dynastie in de periode volgend op de regering van Qa'a. Dus zal men de status van de 2 of 3 kortstondig regerende koningen die hem opvolgden opnieuw moeten onderzoeken. Uit de opschriften van de stèles van Mercha en Sabef blijkt dat het schrift reeds veel verder ontwikkeld was en dat de titulatuur van de edellieden reeds de conventionele vorm bezat die in later tijden (derde, vierde dynastie) regel werd. Behalve Mercha en Sabef bekleedde ook Henoeka nog steeds zijn ambt onder deze regering. De vraag naar de ware begraafplaats van de farao's uit de Archaïsche Periode is |

Sedjemef
DE SEDJEM-EF tijd of de tegenwoordige tijd (en prettig verlof)![]() Nu we suffixen i, k, T (tj), f en s gebruikt hebben als bezittelijke voornaamwoorden ( mijn ,jouw,jouw, zijn, haar) aangehecht aan een zelfstandig naamwoord kunnen wij ze ook aanhechten aan de stam van een werkwoord om aldu het werkwoord te vervoegen. De tijd waarin we deze suffixen onmiddellijk aan de stam van het werkwoord hechten zoals hieronder wordt de sedjem-ef-tijd genoemd. We nemen immers het werkwoor met stam sDm (sedjem, D is dj) als voorbeeld bij de vervoegingen. sDm is de stam van het werkwoord met betekenis "horen". sDm=f spreekt men uit als sedjemef. Deze tijd sluit het dichtst aan bij onze tegenwoordige tijd ( strikt genomen onvoltooid tegenwoordige tijd). Dus sDm=f wordt vertaald door hij hoort sDm=i door ik hoor. Op regel 2 vindt men de stam "di" van het werkwoord "rdi" dat geven betekent.
Noteer ook bij deze suffixen blijft het onderscheid van geslacht bewaard in de tweede persoon (k en T) en soms in de eerste persoon wat in het Nederlands niet het geval is.
We hebben gezegd dat de sedjem-ef vorm van het werkwoord best aanleunt bij onze onvoltooid tegenwoordige tijd maar in bepaalde gevallen kan deze vorm ook een wens uitdrukken. Regel negen bv zou ook kunnen gelezen worden als "Moge zij geven" of regel acht "Moge zij leven" dit is alleen uit de context af te leiden. Andere vormen van het werkwoord zijn b.v. de sDm.w=f (sedjemoe-ef) die de toekomst uitdruk (hij zal horen) of de sDm.n=f (sedjemen-ef) die de voltooidheid van de handeling uitdrukt (hij heeft gehoord). Maar daar komen we later op terug. Maar later zal na de vakantie zijn. Ondertussen prettig verlof ! See you later aligator |
Horus SEMERCHET
Horus SEMERKETZijn nesoe biti naam was IRI NETJER. Zijn horus naam werd vertaald als "Hij die de twee Meesteressen bewaard" (en zijn nesoe biti naam als " Bloedverwant van de goden". Grimal 1988). De naam onder het patronaatschap van de twee Meesteresssen, de godinnen Nekhbet en Wadjit, werd reeds door Horus Aha ingevoerd, maar Semerkhet was de eerste om deze naam met de koninklijke titulatuur te associëren Het zal pas tijdens de twaalfde dynastie zijn dat deze naam definitief gaat deel uitmaken van de titulatuur. Zijn naam op de lijst van Abydos en de steen van Palermo, uitgebeeld door een staande priesterfiguur, wordt gelezen evenals de naam op de Turijnse Papyrus ( waar hij daarentegen gespeld wordt met vier éénletterklanken SMSM) als Semsem, de Semempse van Manetho, die volgens deze laatste gedurende 18 jaar regeerde en tijdens wiens regering " een grote ramp over Egypte neerdaalde". Soms komt zijn nebti naam gekoppeld aan de nesoet-biti naam voor. Niettegenstaande zijn korte regering werd er toch een Sed-feest gevierd waarvan enkele fragmenten uit Abydos getuigenis afleggen. Eigenaardig geboeg wordt dit feest niet vermeld op de het fragment K1 (steen van Caпro) van de steen van Palermo maar waarvan echter twee jaar niet leesbaar meer zijn. Te Abydos wordt graf U (29 x31 m )aangenomen het zijn te zijn. Het graf overtreft verre dat zijn voorganger De grafkamer is in tichelsteen en er zijn 68 bijgraven. De toegang tot de grafkamer bevindt zich aan de oost-zijde en loopt door in een hellende gang naar de grafkamer. Aanvankelijk was het graf bedekt met hout. De eerder soliede bijgraven omringen het graf en het lijkt waarschijnlijk dat de bovenbouw ook deze graven omvatte. In dit graf werd een horus stèle met de naam van de koning erop gevonden. Op de plaatjes die in het graf werden gevonden komt de naam van een hoge functionaris Henoeka voor. Deze speelde ook nog een rol onder zijn opvolger Ka'a. Te Saqarra werd hem nooit een tombe aangewezen. Dit is verklaarbaar door het feit dat en tijdens zijn regering een crisis is opgetreden, waardoor het hem ontbrak aan ambtenren die in staat waren om een graf te bouwen op de begrafenisplaats van Menphis. Ofwel zoals Lauer beweert (Mdaik 15,1957 p.155-156), dat de graven uit zijn periode verwoest werden bij de constructie, voor de Eerste Wereldoorlog, van het gebouw voor de "Dienst van Antikiteiten"( hierover meer in to v. G.M. 152 (1996) p. 105-112). Uit zijn tijd weerhouden we enkele houten standbeelden en verder een drinkbeker uit rotskristal van 13,5 cm diameter en 22cm hoog, opgegraven door de archeoloog Z.Saad te Heloean (The Excavations at Helwan-1969) waarop de naam cvan de koning voorkomt samen met deze van de functionaris SEMERSOPDOE (naar alle waarschijnlijkheid de eigenaar van het graf waarin de beker gevonden werd). De graffiti in de Wadi-Maghara in de SinaП die aan hem werden toegeschreven zijn in werkelijkheid deze van zijn bijn homoniem uit de derde dynastie Horus Sekhemhet. Het Caпro fragment (K1)van de Palermosteen noemt e naam van zijn moeder Betrest (?) of Batirys (I.A.F. pag. 473-4) en alle acht( bij Emery 9) jaar van zijn regering. Bij Manetho 18 jaar. |
Oplossinge oefening
Oplossingen van de oefening![]() Vooreerst. Normaler wijze zullen wij van het Egyptisch naar het Nederlands vertalen en niet andersom maar hier is het om het te begrijpen wel eens nodig. |
1 reactie op dit bericht
drs
Vr.groet, L.J. Burghout