De ezel


Hij staat hier met zijn lief gezicht
onder een ratelpopulier,
zo grijs van eenvoud, en geen dier
ontvangt zo zedig 't goddelijk licht
dat alles voor het eerst beschijnt.
Maar, hoort hij in de verte gillen
de geile kreet van de mandrillen,
dan strijkt hij de oren en verdwijnt.
Jan van Nijlen



















