Dinsdag 18 april 2006
ART . NR . 13 . LICHT EN SCHADUW
Art . Nr . 13
Licht en Schaduw.
DE THEORIE
Inleidende Begrippen :
de lijn - het vlak - de omvang
Aan alles wat wij in de natuur zien , kunnen wij vier elementen ontdekken : LIJN , VLAK , INHOUD , KLEUR . Met het laatste zullen wij ons in de een volgende les gaan bezighouden . Maar of de kleur nu een rol speelt of niet , wij willen er wel op wijzen , dat als wij bepaalde onderwerpen , willen zien , deze in het licht moeten staan ; licht dan wel te verstaan als tegenstelling tot duisternis . De lijn bestaat niet als zodanig : de lijn volgt schijnbaar de omtrek der dingen , die er in werkelijkheid echter niet door begrensd wordt . De lijn kan echter helpen deze omtrek aan te geven , als mede de details binnen die omtrek . Wij spreken in dergelijke gevallen van een lijntekening en , zoals wij dit reeds in de eerste les gezegd hebben , krijgen dan , een betrekkelijk waarheidsgetrouw beeld . Niettemin zijn dergelijke beelden in staat ons een duidelijke omschrijving van het object te geven .
Het vlak bestaat werkelijk . Het vlak komt overeen met de vorm , of gedeelte van de vorm van het object dat wij zien . Het is omsloten door de contour , of gedeelte hiervan .
De omvang bestaat eveneens op zichzelf .
Willen wij echter de omvang in onze tekening weergeven , dan zullen wij , eveneens als bij de weergave van het vlak , alle wetten van de perspectief in acht moeten nemen . De aanblik wordt daardoor blijkbaar gewijzigd . Deze gewijzigde vorm schijnt , hoe vreemd ook , in tegenspraak te zijn met het beeld dat wij van het voorwerp kennen . Toch beantwoordt dit beeld aan de wetenschappelijke regels welke wij bestudeerd hebben .
De omvang is samengesteld uit een aantal vlakken . Wanneer wij dus het perspectivisch beeld van deze vlakken weten weer te geven , dan zijn wij ook in staat om met behulp van alle tekentechnieken de omvang uit de drukken . De lijn , het vlak en de perspectief kunnen echte niet op volmaakte wijze de omvang weergeven . Wij missen altijd nog de diepte , de ruimtelijke weergave . Deze moet onstaan door het modelé .
Wat verstaat men onder \" modelé \"
Het begrip \" toonwaarde \"
Waaruit bestaat het modulé ? Uit het weergeven van alle schaduwpartijen - rekening houdend met hun verschillen in kracht - welke op het object voorkomen en uit de weergave van de schaduwen welke het object doet vallen op de aangrenzende vlakken , die niet tot deze zelf behoren .
De schaduwen van de eerste soort noemen wij eigen schaduw ; die van de tweede slagschaduw . De verschillende in sterkte van deze beide soorten schaduwen noemen wij de toonwaarden .
Alvorens wij verder gaan met deze uiteenzetting dienen wij het volgende goed te begrijpen . In het werk waarmee wij nu beginnen zullen wij niet alleen het modelé moeten weergeven van voorwerpen met witte vlakken , zoals bijvoorbeeld een gipsen beeldje . Op zo\'n beeldje zien wij de schaduwpartijen als meer of minder grijze vlakken , welke overeenkomen met de waarden waarover wij zojuist spraken . Wij zullen echter veel meer gekleurde voorwerpen moeten tekenen . In deze les evenwel werken wij nog niet met kleur . Wij werken slechts met materialen waarmee het mogelijk is een serie tinten weer te geven van donker tot licht . Met andere woorden gezegd ; wij houden ons in deze les bij het zwart , dat ons , later zullen wij zien hoe , een reeks grijzen oplevert van héél donker tot héél licht .
Dit wil dus zeggen , dat wij ons zullen onthouden van de kleur als kleur - bijv. blauw , rood , groen - om slechts rekening te houden met de lichsterkte van dit blauw , dit rood , dit groen . Wij zullen dus de kleuren , welke dan ook , alleen maar weergeven door een schakering van zwart , of anders gezegd , door de toonwaarde , door een meer of minder donker grijs , al naar gelang de werkelijke kleur donkerder of lichter is .
Maar hoe kunnen we een kleur , evenals trouwens de schaduw op een wit voorwerp , van dit gezichtspunt uit beoordelen , zonder vergelijking met een andere ? En dit is het dan ook wat ons de betrekkelijke waarde van het woord \" toonwaarde \" doet inzien : de toonwaarde - of deze zich nu voordoet op een wit of een gekleurd voorwerp - kan alleen bestaan in betrekking tot het omringende . Alleen wanneer wij in staat zijn om die onderlinge verhoudingen in de kracht van de tinten weer te geven , dan zal het object zich op een natuurlijke wijze aan ons oog voordoen .
HET LICHT
Natuurlijke en kunstmatige lichtbronnen
Wij kennen twee soorten lichtbronnen :
( 1 ) Natuurlijke lichtbronnen : de zon en de maan ;
( 2 ) Kunstmatige lichtbronnen : lamp , kaars , fakkel enz.
De zon is , het is duidelijk , de lichtbron waarvan de tekenaar het meest gebruik maakt , vooral in zijn landschapstudies . En ook maken wij er gebruik van wanneer we een stilleven tekenen dat vlak bij een raam is opgesteld .
Het zal ook wel eens voorkomen dat U zich laat verleiden door de bijzonder effecten van kunstmatige lichtbronnen . En dit dan niet ten onrechte . Dit licht kan zeer verrassend zijn . Vooral enkele oude meesters wisten dit te waarderen . Denken wij bijvoorbeeld aan onze 17e eeuwse schilder Gerard Dou of aan de franse schilder D . de La Tour (1600-1652 ) , van wie in het Louvre enige werken hangen .
In de loop van deze les zullen wij je veel bijzonderheden van beide soorten verlichtingen vertellen . Maar eerst moeten wij onze aandacht schenken aan een apart hoofdstuk , namelijk de licht - en schaduwval bij zon - en kunstlicht .
Licht en Schaduw.
DE THEORIE
Inleidende Begrippen :
de lijn - het vlak - de omvang
Aan alles wat wij in de natuur zien , kunnen wij vier elementen ontdekken : LIJN , VLAK , INHOUD , KLEUR . Met het laatste zullen wij ons in de een volgende les gaan bezighouden . Maar of de kleur nu een rol speelt of niet , wij willen er wel op wijzen , dat als wij bepaalde onderwerpen , willen zien , deze in het licht moeten staan ; licht dan wel te verstaan als tegenstelling tot duisternis . De lijn bestaat niet als zodanig : de lijn volgt schijnbaar de omtrek der dingen , die er in werkelijkheid echter niet door begrensd wordt . De lijn kan echter helpen deze omtrek aan te geven , als mede de details binnen die omtrek . Wij spreken in dergelijke gevallen van een lijntekening en , zoals wij dit reeds in de eerste les gezegd hebben , krijgen dan , een betrekkelijk waarheidsgetrouw beeld . Niettemin zijn dergelijke beelden in staat ons een duidelijke omschrijving van het object te geven .
Het vlak bestaat werkelijk . Het vlak komt overeen met de vorm , of gedeelte van de vorm van het object dat wij zien . Het is omsloten door de contour , of gedeelte hiervan .
De omvang bestaat eveneens op zichzelf .
Willen wij echter de omvang in onze tekening weergeven , dan zullen wij , eveneens als bij de weergave van het vlak , alle wetten van de perspectief in acht moeten nemen . De aanblik wordt daardoor blijkbaar gewijzigd . Deze gewijzigde vorm schijnt , hoe vreemd ook , in tegenspraak te zijn met het beeld dat wij van het voorwerp kennen . Toch beantwoordt dit beeld aan de wetenschappelijke regels welke wij bestudeerd hebben .
De omvang is samengesteld uit een aantal vlakken . Wanneer wij dus het perspectivisch beeld van deze vlakken weten weer te geven , dan zijn wij ook in staat om met behulp van alle tekentechnieken de omvang uit de drukken . De lijn , het vlak en de perspectief kunnen echte niet op volmaakte wijze de omvang weergeven . Wij missen altijd nog de diepte , de ruimtelijke weergave . Deze moet onstaan door het modelé .
Wat verstaat men onder \" modelé \"
Het begrip \" toonwaarde \"
Waaruit bestaat het modulé ? Uit het weergeven van alle schaduwpartijen - rekening houdend met hun verschillen in kracht - welke op het object voorkomen en uit de weergave van de schaduwen welke het object doet vallen op de aangrenzende vlakken , die niet tot deze zelf behoren .
De schaduwen van de eerste soort noemen wij eigen schaduw ; die van de tweede slagschaduw . De verschillende in sterkte van deze beide soorten schaduwen noemen wij de toonwaarden .
Alvorens wij verder gaan met deze uiteenzetting dienen wij het volgende goed te begrijpen . In het werk waarmee wij nu beginnen zullen wij niet alleen het modelé moeten weergeven van voorwerpen met witte vlakken , zoals bijvoorbeeld een gipsen beeldje . Op zo\'n beeldje zien wij de schaduwpartijen als meer of minder grijze vlakken , welke overeenkomen met de waarden waarover wij zojuist spraken . Wij zullen echter veel meer gekleurde voorwerpen moeten tekenen . In deze les evenwel werken wij nog niet met kleur . Wij werken slechts met materialen waarmee het mogelijk is een serie tinten weer te geven van donker tot licht . Met andere woorden gezegd ; wij houden ons in deze les bij het zwart , dat ons , later zullen wij zien hoe , een reeks grijzen oplevert van héél donker tot héél licht .
Dit wil dus zeggen , dat wij ons zullen onthouden van de kleur als kleur - bijv. blauw , rood , groen - om slechts rekening te houden met de lichsterkte van dit blauw , dit rood , dit groen . Wij zullen dus de kleuren , welke dan ook , alleen maar weergeven door een schakering van zwart , of anders gezegd , door de toonwaarde , door een meer of minder donker grijs , al naar gelang de werkelijke kleur donkerder of lichter is .
Maar hoe kunnen we een kleur , evenals trouwens de schaduw op een wit voorwerp , van dit gezichtspunt uit beoordelen , zonder vergelijking met een andere ? En dit is het dan ook wat ons de betrekkelijke waarde van het woord \" toonwaarde \" doet inzien : de toonwaarde - of deze zich nu voordoet op een wit of een gekleurd voorwerp - kan alleen bestaan in betrekking tot het omringende . Alleen wanneer wij in staat zijn om die onderlinge verhoudingen in de kracht van de tinten weer te geven , dan zal het object zich op een natuurlijke wijze aan ons oog voordoen .
HET LICHT
Natuurlijke en kunstmatige lichtbronnen
Wij kennen twee soorten lichtbronnen :
( 1 ) Natuurlijke lichtbronnen : de zon en de maan ;
( 2 ) Kunstmatige lichtbronnen : lamp , kaars , fakkel enz.
De zon is , het is duidelijk , de lichtbron waarvan de tekenaar het meest gebruik maakt , vooral in zijn landschapstudies . En ook maken wij er gebruik van wanneer we een stilleven tekenen dat vlak bij een raam is opgesteld .
Het zal ook wel eens voorkomen dat U zich laat verleiden door de bijzonder effecten van kunstmatige lichtbronnen . En dit dan niet ten onrechte . Dit licht kan zeer verrassend zijn . Vooral enkele oude meesters wisten dit te waarderen . Denken wij bijvoorbeeld aan onze 17e eeuwse schilder Gerard Dou of aan de franse schilder D . de La Tour (1600-1652 ) , van wie in het Louvre enige werken hangen .
In de loop van deze les zullen wij je veel bijzonderheden van beide soorten verlichtingen vertellen . Maar eerst moeten wij onze aandacht schenken aan een apart hoofdstuk , namelijk de licht - en schaduwval bij zon - en kunstlicht .
Geschreven door Freddy om 00:00
















