Tenslotte , en dat is dan het het derde stadium , komen wij tot de complete schets . Waarin verschilt nu deze van de voorgaande ? Laten wij voorop stellen dat het hier niet gaat om een studie of een waarneming van kleine onderdelen ; hun weergave dient tot het uiterste beperkt te blijven . In een schets moet men allereerst het belangrijkste leren zien en vastleggen en dat alleen ! Het is dus van belang om die vormen en lijnen uit te kiezen , zonder welke de figuur niet zou kunnen bestaan en die vanzelf de ontbrekende gedeelten te voorschijn roepen . U zult dus met veel overleg moeten observeren . Overigens zou U ook eenvoudig de tijd niet hebben om alles weer te geven . Wees dus gemakkelijk , maar na rijp beraad . De complete schets , dat wil zeggen beperkt tot enkele noodzakelijke en voldoende onderdelen voor het goede begrip van het model , van het type , van zijn karakter , van zijn houding , van zijn gebaar , zou kunnen bestaan uit het begin - schema van de draadfiguur , waarom - heen wij snel het volume aanbrengen . De lijnen hiervan zullen evenwel soepeler moeten zijn en zuiverde de rondingen van de vormen moeten volgen . Zij mogen niet eenvoudigweg bestaan uit ruw aangegeven lijnen die evenwijdig lopen aan die van de draadfiguur en de vorm tot het uiterste terugbrengen . De draadfiguur ontstaat bij het zien van het model als het ware in uw gedachten en U zult hem in die geest op uw papier overbrengen en uw hand zal hem als gids blijven volgen . De snelheid van uitvoering zal erbij winnen zonder dat zuiverheid en naukeurigheid verloren gaan . Het moet inderdaad snel gaan . Maar omdat het onvermijdelijk is te steunen op hulp - en richtingslijnen , zult U de lijnen van de draadfiguur langzamerhand vervangen door enkele wezenlijke lijnen van het model zelf . Welke zijn deze lijnen ? Welnu , die , waarvan U denkt dat ze het meest sprekend zijn voor een bepaalde stand en beweging . Dus lijnen waarop de gehele figuur steunt ! Wij hebben dit aangegeven door een dikke lijn op onze afbeeldingen 32 en 33 . Als U deze lijnen ineens op hun plaats heeft kunnen brengen , als U hun juiste richting en verhouding heeft aangegeven , dan zal het aanbrengen van de overige lijnen U weinig moeite meer opleveren . Wees er in elk geval van overtuigd , dat , als U geen tijd heeft gehad om hem af te maken , uw schets al een goede schets zal zijn , wanneer U alleen al die lijnen heeft gezien en weergegeven . En trouwens , wanneer het model is verdwenen , kan men steunen op zijn visuele herinnering en het geheel toch nog voltooien . Hierbij zult U geholpen worden door uw vormenkennis welke U in de loop van deze les verkregen heeft . Maar nogmaals , ga niet te ver , stoor U niet teveel aan onbelangrijke details , zij zullen de schets alleen maar ingewikkelder maken en dragen toch niet bij tot de algemene uitdrukking . Wij dringen hier stelleg niet zonder meer aan op eenvoud . Wanneer U nogmaals plaat I ( met ledepop A ) bekijkt zult U het met ons eens zijn dat deze schetsen , in al hun eenvoud voldoen aan de behoefte stand of beweging voor ons op te roepen . Let bij uw schetsen vooral op de perspectievische verschijnselen ; kijk goed waar de horizon loopt . Schenk alle aandacht aan de verkortingen en maak hiervan desnoods even aparte studie\'s .
Ongetwijfeld zullen in de complete schets bepaalde onderdelen om enige uitwerking vragen . Als men zijn modellen een gezicht wil geven , zullen alleen die lijnen van het gelaat worden aangegeven die kenmerkend zijn voor het type . Gelijkenis zoeken wij echter geenszins . Op dezelfde wijze gaan wij te werk met de handen en de voeten en ook daarvan geven wij slechts een sterk vereenvoudigde vorm weer . Bij de kleding zal ons oog in de meeste gevallen getrokken worden door een opmerkelijke plooienval . Beginners , wij weten dit , worden in de war gebracht door het schijnbaar ingewikkelde vormenspel van de plooien in de stof . Welnu , dezelfde plooien zien wij in alle kledingstukken omdat zij steeds op dezelfde wijze gevormd worden . Wanneer wij dus het principe van de plooivorming begrijpen , kunnen wij ook iedere plooienval tekenen . Wij zien dit bij de mouw , waar hoogten en diepten van de plooien zich volgen eenzelfde schema vormen . Ook bij pantalons en rokken kunnen wij dit waarnemen . Regelmatig schetsen naar levend model is dan vanzelfsprekend de enige manier om achter deze geheimen te komen . Het weergeven van de plooien dient met simpele lijnen te gebeuren , waarbij voor dezelfde stof en houding ook lijnen van dezelfde aard gebezigd worden . Door uw visuele herinnering zult U voortaan bijna vanzelf de vouw daar aangeven waar hij moet zijn en zoals hij moet zijn en op die wijze het gebaar of de houding ondersteunen . Er zijn fraaie plooien , als we dat mogen zeggen , die zich vormen bij kledingstukken van goede snit ; andere die kenmerkend zijn voor veel en langgedragen kledinstukken . Observeert deze bijzonderheden ! Zij zullen veeal samengaan met andere bepalende elementen van het karakter van de persoon : houding , stand van het hoofd en de ledematen , enz. Door dit goed te bestuderen zullen uw schetsen levendiger en echter worden . De vouwen doen dus het lichaam onder de kleding uitkomen ! Die tengevolge zult U dus altijd de hals , de polsen en handen en de benen zo moeten tekenen dat zij werkelijk bij de gehele figuur behoren . Hun voortgezette lijnen onder de kleding moeten als het ware voelbaar zijn . Bijzondere aandacht dienen wij te besteden aan kragen en revers . Daar de hals cilindervormig is zullen kraag en revers zich nauw bij deze vorm aansluiten en zijn dus aan dezelfde perspectievische wetten onderworpen . In fig . 36 laat de stippellijn duidelijk de voortzetting van de vloeiende vorm zien . U ziet dat steeds de perspectief tussen beide komt , zowel bij het weergeven van ruimtelijke voorwerpen , als bij dat van vlakken , waarvan onze ledepoppen A en B zijn gevormd.
Door de vlakken van fig . 37 (A en A' ) bij elkaar te brengen is het gemakkelijk ruimtelijke vormen te contrueren ( B en B' ) waarbinnen wij de cilindrische vormen ( C en C' ) kunnen insluiten , welke de vormen benaderen waaruit een menselijk figuur is opgebouwd . Het zal moelijker zijn om de raakvlakken van twee haaks op elkaar staande cilinders te doen uitkomen . De doorsnee van een cilinder is een cirkelvorm wanneer deze doorsnede recht is , en ellipsvormig wanneer hij schuin is doorgesneden . Deze ellips en deze cirkel zullen meer of minder vervormd zijn , afhankelijk van de hoek waaronder wij ze zien . Dit komt duidelijk uit in onze Fig. 38 D . In de eerste schets zien wij de gebogen arm zuiver van opzij . Hier doet de raaklijn , die overeenkomt met de onderste doorsnee van de verticale cilinder of van de arm gehuld in een mouw , zich voor als een rechte lijn , daar waar deze doorsnee samenvalt met die van de horizontale cilinder , welke de onderarm voorstelt . Zo zal in het algemeen de buigingsplooi van de mouw zich voordoen . In de tweede voorstelling zien wij er schuin van voren tegenaan . De lijn die de plooi voorstelt is nu bol geworden , omdat wij de cilinder in perspectief zien . Daartegenover zien wij in de derde afbeelding ditzelfde schuin van achteren . Deze plooilijn loopt dus rond in tegenovergestelde richting . In het eerste geval komt de onderarm naar ons toe . In het tweede gaat hij van ons af , waarbij de bovenarm dus dichter bij ons oog is . De afbeelding E tonen verschillende toepassingen van deze regel , die zowel voor de benen als voor de armen geldt . Een ander perspectivisch verschijnsel van eenzelfde soort zullen wij zien bij de lijn die de ronde onderkant van een jurk of van een mantel begrenst . Deze lijn zal zich voordoen als een rechte horizontale of als een ronde lijn ; hol of bol , al naar gelang de hoogte waarop zich de figuur bevindt . Wanner U fig . 39 goed bestudeert zal het U stellig geen moeilijkheden meer opleveren . Vanzelfsprekend geeft in werkelijkheid de onderrand van een jurk deze regelmatigheid in omtrek niet te zien . Maar de regel blijft er niet minder toepasselijk om . U zult dit ook zien bij de meisjes op de trede van een trap ( fig . 40 ) . De horizon ligt hier op H . Wat betreft de cilinder rechts ; deze toont door zijn boven elkaar liggende doorsneden , de nog steeds door de perspectief veroorzaakte vormveranderingen . Hetzelfde geld voor het been van de figuur . 40 , waarvan wij een reus hebben gemaakt , omdat wij het perspectivisch verloop van de banden in de kousen duidelijk kunnen volgen .